| Vlamingstraat 84-86 | www.achterdegevelsvandelft.nl | ||||||
![]() |
|||||||
| Voorheen herberg ‘De jonge prins Willem te paard’, alias ‘De Nieuwe Peerenboom’ |
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting. |
||||||
| Wie nu door de Vlamingstraat langs
het huis met nummers 84 (benedenwoning) en 86 (bovenwoning) loopt
ziet een woonhuis waaraan niets meer verraadt dat hier in vroeger
eeuwen een herberg met kolfbanen heeft gestaan. De huidige gevel en
bovenverdieping stamt uit 1899, maar daarachter bevinden zich nog
diverse oudere elementen, waaronder vloeren op eikenhouten balken.
Volgens de Gemeente Delft is het pand van cultuur-historische waarde
vanwege de ontstaansgeschiedenis en als voormalig bedrijfscomplex.
De poort is van belang als onderdeel van de historische
stedenbouwkundige structuur. Ouderdom onduidelijk Op grond van historische stijlkenmerken zou het huis van oorsprong in de 17e eeuw of eerder gebouwd kunnen zijn. Hiermee behoort het pand tot de oudste woningen aan de noordzijde van de Vlamingstraat. De meeste huizen in de Vlamingstraat zijn bij de grote stadsbrand op 3 mei 1536 vernietigd, maar het schilderij van de stadsbrand suggereert dat de huizen ten oosten van wat nu de Houthaak is gespaard zouden zijn gebleven. Mogelijk stamt het huis dus nog van voor de brand, maar dat is gissen. In 1600 woont hier mogelijk vleeshouwer Syer Adriaenszn, wiens dochter Machtelt de wijkmeesters laat zien dat het huis van haar vader toen drie stookplaatsen heeft, maar of dit hetzelfde huis betreft is niet zeker. Tabakshandel Een zekerheid is in elk geval dat halverwege de 17e eeuw tabakshandelaar Corstiaen Jasperszn Delfos het huidige huis bezit en bewoont. Aanvankelijk is hij van beroep lakenmaker. In 1630 koopt hij het huis van de Engelse lakenkoopman Arthur Woodward. In 1636 - hij doet dan al in tabak - koopt hij nog een huisje erbij in de vlak ernaast gelegen Avondpoort van ‘caffawercker’ Pieter Cornelisz (wever van dure fluwelen stof) en weer vijf jaar later koopt hij ook het huis op de plek van het huidige pand nr 88 (dat in 1875 nieuw gebouwd is). Vervolgens blijkt hij ook elders in de stad overal huizen te hebben (onder meer aan het Oosteinde, in de Hopsteeg en in de Poppesteeg). In 1649 mag hij voor zijn pand een pothuis bouwen (een laag uitbouwsel aan de straat, vaak boven een kelder). Corstiaens zaken in de tabak- en huizenhandel gaan uitstekend, maar zijn naam kan hij niet schrijven. Zijn tabakshandel gaat om grote bedragen. In 1659 erkent hij van enkele Rotterdamse handelaren voor 3834 gulden tabak te hebben gekocht, waarvan hij de helft nog moet betalen. Samen met zijn vrouw Dorothea Michielsdr moet hij in de jaren 1643-1652 vijf jonge kinderen ten grave dragen en later nog een, slechts twee kinderen worden volwassen. Bij het ontploffen van het kruithuis aan de latere Paardenmarkt loopt zijn bezit aan de Vlamingstraat flinke schade op. Voor de drie huizen samen wordt die getaxeerd op 200 gulden. Het huisje in de Avondpoort verhuurt Delfos aan de bejaarde Susanna Pietersdr. Zij heeft geen geld om de huur te betalen en krijgt van hem geregeld vijf gulden ondersteuning per week. Maar als zij na de dood van haar voormalige werkgever, stadssecretaris Groenlandt, een legaat van 250 gulden krijgt, moet zij - hoewel ook zij niet kan schrijven - bij de notaris een kruisje zetten onder een akte dat zij die hele schenking aan haar huisbaas zal afstaan in ruil voor de eerder genoten gulle gaven. Herberg de jonge prins Willem te paard In 1669 verkoopt Dorothea, inmiddels weduwe, voor 2.600 gulden het huis “daer uijthanght de Jonge Prins te paert” aan de Vlamingstraat (nu nr 84/86) aan de Rotterdammer Carel van Gelder. Bij de koop hoort ook “een tuijn mitsgaders een packhuijs” met een uitgang naar de naastgelegen Avondpoort aan de westzijde. De naam van het huis verwijst duidelijk naar stadhouder (en latere Engelse koning) Willem III, die in 1672 na de politieke moord op de gebroeders De Witt aan de macht komt. In de jaren daarvoor was onder het stadhouderloze tijdperk een vernoeming naar deze jonge prins nogal een politiek beladen statement. Naam en uithangbord lijken te wijzen op een kroeg. Dat vermoeden wordt versterkt door een uit de hand gelopen ruzie met dodelijke afloop tussen een Franse huursoldaat en een opperman op zondagochtend 5 januari 1659 ten huize van Dorothea Michiels, kennelijk de waardin. Als de twee stevig met elkaar op vuist gaan, zet zij de Fransman de deur uit. Verongelijkt gaat deze zijn pijp aansteken bij een appelvrouw naast de Koepoort. Als hij vervolgens de opperman naar buiten ziet komen, trekt hij een jongen de ‘klick’ (stok) uit handen waarmee deze kolf speelt en opent daarmee de jacht op zijn opponent. De vlucht gaat naar de Trompetstraat waar hij de man met de klick zo’n harde slag op de borst toebrengt dat het bloed eruit gutst en deze vervolgens aan zijn verwonding overlijdt. De dader wordt gepakt, met brandende ijzers bewerkt en veroordeeld tot openbare geseling op het schavot voor het stadhuis en tenslotte voor eeuwig uit Holland verbannen.
Kegel- en kolfbaan Ook de nieuwe eigenaar van het etablissement handelt in tabak. Zijn weduwe Catharine Constant verkoopt “den jongen prins Willem te paert” in 1689 door aan haar zoon Ferdinandus Constant. Ook nu is er niet formeel sprake van een herberg, maar Constant blijkt wel in 1700 een vergunning te hebben om brandewijn te tappen. Zijn moeder verhuist naar het naastgelegen huis, op de plek van nu nr 88, dat zij in eigendom houdt. Later wordt dit in 1736 door de erfgenaam van haar inmiddels overleden dochter apart verkocht. In 1727 verkoopt de volgende eigenaar Christiaan van Ossen het pand aan Lodewijk Staalhoff, een man die in dienst van de VOC vier reizen naar de Oost heeft gemaakt en dan als voormalig bootsman besluit voorgoed aan wal te blijven. Bij die koop wordt “De jonge Prins Willem te paard” wel een herberg genoemd en blijkt zij bovendien voorzien van een kegel- en kolfbaan. De locatie vlak bij de Koepoort, waardoor boeren de stad binnenkomen voor hun bezoek aan marktdagen en veemarkt, is natuurlijk gunstig gelegen voor wie op heen- of terugreis even verpozing zoekt. Bovendien kunnen boeren hun vee via de poort onder aan de veste bij de Koepoort binnendoor naar een open ruimte achter het pand loodsen. In geval van overnachting kan men zelfs zijn vee de nacht voor de marktdag naast de kolfbaan stallen.
Kolfspel Kolven is een van de oudste balsporten van Nederland en heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de Middeleeuwen. Het spel, dat vermoedelijk in de 13e of 14e eeuw ontstond, werd oorspronkelijk buiten gespeeld op pleinen en velden, maar in de loop van de 17e en 18e eeuw verplaatst het zich steeds vaker naar overdekte kolfbanen. Het spel wordt gespeeld op een lange, smalle kolfbaan van ongeveer 17 tot 19 meter lang en 5 meter breed. De baan heeft een verharde vloer en is aan de randen voorzien van een opstaande rand. Bij het spel gebruikt men een kolfstok (‘klick”) en een zware bal van hout of kunststof. Het doel is om de bal met zo min mogelijk slagen zo dicht mogelijk bij de paal (de “kop”) aan het einde van de baan te krijgen. De paal staat ongeveer een meter van de achterwand. Tijdens de Gouden Eeuw was kolven bijzonder populair onder welgestelden. Veel herbergen en sociëteiten hadden hun eigen kolfbaan. In de 19e en vroege 20e eeuw begon de populariteit af te nemen door de opkomst van andere sporten zoals golf en voetbal. In herbergen neemt later biljarten haar plaats in. [zie https://kolfbond.nl/het-kolfspel/ ] De Nieuwe Peerenboom In 1749 koopt Pieter van den Hoed (alias Hoet) de herberg met kolfbaan van de weduwe Staalhoff. De herberg heet dan inmiddels “De Nieuwe Peerenboom”, een meer neutralere naam gedurende het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1707-1747). Net als zijn voorganger is Van den Hoed een varensgezel die gedurende vijf reizen naar Indië bij de VOC is opgeklommen van matrozenhulpje tot bootsman en daaraan uiteindelijk een aardig centje heeft overgehouden. Maar het leven aan wal in een kroeg bevalt hem niet. Al na vier jaar verkoopt hij de zaak weer aan Jan Jedeloo en zijn vrouw Catharina de Bock en scheept opnieuw in naar Indië, waar hij onderweg op zijn zevende reis in 1763 zijn zeemansgraf vindt. In 1782 neemt Hermanus Jedeloo de zaak van zijn ouders over. Naast kastelein is hij ook kuiper en timmert een kuiperij aan het pand. Gedurende de achttiende eeuw hebben de diverse eigenaren hun bezit rond het pand verder uitgebreid en bouwen zij op het achterliggende terrein aan beide zijde van de Meut Avenpoort een aantal (kleine) huisjes.
Kale boel In 1806 wordt Anthonius van Kan eigenaar van “een huis, erf en herberg, genaamd de Nieuwe Peereboom, met een vrije eigen poort, daarnaast een overdekte kolfbaan en een kuiperij erachter.” Bij de koop inbegrepen zijn ook vijf huisjes in de Avondpoort, en een vrije in en uitgang door de kolfbaan tot onder aan de stadsveste bij de Koepoort. En tenslotte nog drie huisjes aan de oostzijde van de Houthaak. Bij de koop betaalt hij ook wat extra voor de toonbank en vier vaatjes in het voorhuis alsmede stokken voor de kolfbaan en negen kolven. In de loop van de achttiende eeuw gaat het economisch sterk bergafwaarts met Delft. Tussen 1680 en 1800 vermindert de omvang van de bevolking van de stad met ongeveer een derde. Daardoor komen vooral in de minder gegoede buurten veel huizen leeg te staan. En voor zover ze nog worden bewoond, wordt de huur vaak niet betaald en blijft noodzakelijk onderhoud achterwege. Veel kleinere woningen worden daarom gesloopt of als stal of pakhuis in gebruik genomen. Zo krijgt ook Van Kan in 1826 toestemming om een bouwvallig huisje af te breken en de grond bij zijn herberg te voegen. Behalve tapper is Van Kan ook wagenmaker en later opzichter bij de Rijksconstructiemagazijnen (militaire werkplaats) aan de Korte Geer. In 1832 blijkt Anthonie van Kan niet alleen eigenaar van het pand en perceel aan de Vlamingstraat, maar bezit hij ook een groot perceel met een schuur aan de Houthaak. De meeste van de acht huisjes die Anthonius in 1806 samen met de herberg heeft verworven, blijken op de kadastrale kaart van omstreeks 1830 verdwenen. Ook de (Meut) Avondpoort, die liep van de Vlamingstraat (82) tot aan het Rietveld, is op de kadasterkaart niet meer te vinden. (Lees hier meer over de armoede in de omliggende Avondpoort en Houthaak.)
Kuiperij Na het overlijden van Anthonius van Kan wordt zijn herberg de Nieuwe Peereboom in 1851 geveild. Het wordt dan aangeprezen als locatie “met een overdekte kolfbaan en een ruime tuin waarin zich een schuur bevindt”. Het perceel heeft dan drie achteruitgangen, een door een vrije poort naar de Vlamingstraat, een tot onder de stadsvest bij de Koepoort, en een naar de verderop gelegen Houthaak. In 1822 was de jaaromzet van de herberg nog 35 anker (oude wijnmaat; 35 anker = ca. 1575 hedendaagse flessen). Maar veel animo voor overname van de kroeg is er niet. Van Kan blijkt de laatste herbergier in het pand. Hierna wordt het alleen nog als woonhuis en kuiperij gebruikt. Voor de verdeling van de erfenis wordt er in 1851 per vertrek in het pand een gedetailleerde boedelbeschrijving gemaakt. Dit geeft een inkijk in de indeling hiervan. (Zie de beschrijving van de inboedel in 1851.) Dochter Maria van Kan, die na de dood van haar echtgenoot weer bij haar vader is gaan wonen en hem de laatste jaren verzorgt heeft, verwerft bij de veiling van 1851 het volledig eigendom van het pand door de andere erfgenamen uit te kopen. Een jaar later erft haar zoon Mattheus Steenbeek het huis. Ook hij is kuiper. Hij brengt een splitsing aan tussen de benedenwoning met kuiperij (nu nummer 84) en de bovenwoning (nu nummer 86) en sloopt de overdekte kolfbaan. Opnieuw huisjes verhuren Als Delft rond 1850 wordt verbonden met het spoor, gaat het economisch weer beter met de stad. De bevolking groeit weer van 18.600 inwoners in 1850 tot 33.000 in 1900. Overal worden dan in de binnenstad weer volop kleine huisjes gebouwd op de binnenplaatsen en in stegen. Ook Steenbeek laat na 1863 meerdere huisjes bouwen bij de dan nog smalle Houthaak. In 1875 verkoopt hij al zijn panden aan Pieter Jacob Stigter, die tien jaar later als eigenaar wordt opgevolgd door zijn zoon Arij Pieter Jacobsz Stigter. Beide zijn van beroep ook kuiper. Zij krijgen in 1881 vergunning om hun kuipers-werkplaats uit te breiden. Eerder hadden zij daar al een nieuwe schoorsteen geplaatst. Wellicht is deze ingreep dezelfde als de ‘herbouw’ die volgens het kadaster in 1886 een waardevermeerdering van het pand veroorzaakt, waarvan verder geen andere sporen zijn terug te vinden. Pieter koopt in 1887 het buurhuis Vlamingstraat 88 en gaat daar wonen. Hij sterft in 1899. Arij woont eerst van circa 1882 tot 1894 beneden op Vlamingstraat 84 en daarna tot 1912 erboven op Vlamingstraat 86. In die jaren verhuurt hij de benedenverdieping. Waarschijnlijk was Arij inmiddels gestopt met zijn kuipers-arbeid. Schilderswerkplaats Arij gaat zich in de loop der jaren steeds meer toeleggen op de verhuur van zijn verzameld vastgoed. (Zie ook genoemde bijlage over de Avondpoort & Houthaak.) In 1899 pakt hij ook het woonhuis Vlamingstraat 84-86 aan met een verbouwing. Het huis krijgt een extra verdieping. Hierbij maakt het traditionele puntdak waarschijnlijk plaats voor het huidige platte dak. Uit de bouwtekening is dit niet op te maken. In 1918 verkoopt hij Vlamingstraat 84-86 aan huisschilder Arij Scheerhout die dan al geruime tijd als huurder op nummer 84 woont en werkt. De oude kuiperij is zijn schilders-werkplaats geworden. Arij’s zoon Herman Scheerhout zet het schildersbedrijf van zijn vader op dit adres voort. Woonhuis In 1970 koopt de bouwkundig ingenieur Klaas Deen het pand van Herman Scheerhout en begint samen met zijn vrouw het gedeeltelijke bedrijfspand te verbouwen tot woonhuis. Het bovenhuis, het benedenhuis en de voormalige kuiperij/schilderswerkplaats voegen ze samen tot één woonhuis en keuken, sanitair en verwarming worden aangepast aan de woonwensen van die tijd. Twee jaar later overlijdt zijn vrouw en komt de verbouwing tot stilstand.
Wanneer in 1978 Klaas hertrouwt met Mechtild de Jong en met haar kinderen bij hem intrekt, wordt het huis wederom verbouwd om voor hen plaats te maken. Zowel de zolder van het oude woonhuis als de voormalige werkplaats worden nu als woonruimte in gebruik genomen. Daarvoor worden onder andere een dakkapel en een aantal dakramen geplaatst. De woonkamer krijgt een tegelvloer met vloerverwarming. Tot dan toe lagen hier nog stoeptegels op zand. Als voorzitter van de monumentencommissie van de gemeente Delft, lid van de Commissie Behoud Stadsschoon en erelid van het Historisch Genootschap Delfia Batavorum, had Klaas Deen meer dan gebruikelijke aandacht voor de monumentale waarde van het pand. Alles gebeurt met zorg voor de oorspronkelijke monumentale details, zoals oude houten scheidingswanden met daarin sporen van vroegere bedsteden. Klaas overlijd in 2007. Mechtild is bioloog en was onder meer Kamerlid voor het CDA (1989-1994) en gemeenteraadslid van Delft (2002-2010). In 2025 bewoont zij het huis nog steeds. Zij heeft het inmiddels voorzien van isolerend glas en een hybride zonneboiler, en op het platte dak van het voorhuis liggen zonnepanelen. De tuin, wat oorspronkelijk een plaats met grind was, heeft ze veranderd in een natuurlijke (fruit)tuin. Henk van der Stelt, met dank aan Mechtild de Jong |
|
![]() Vlamingstraat 84-86 in 2025. (foto Kees van der Wiel) ![]() Achtergevel van het huis. (foto Henk van der Stelt) ![]() Bierpul met tabakspijpen. Schilderij van Pieter van Anraadt, 1658. (Collectie Mauritshuis) ![]() Fragment van de Kaart Figuratief van circa 1675. De weergave op de kaart blijkt doorgaans redelijk betrouwbaar, maar het is geen luchtfoto. De vermoedelijke plek van het huis is hier gemarkeerd. Volgens de legenda bij de kaart was nr 26 de Houthaeck en de steeg op de plek van de huidige Houthaak wordt hier Avenpoort genoemd. Die twee moeten op de kaart per abuis zijn verwisseld. ![]() Vechtpartij in een 17e-eeuwse herberg. Prent van Jan Baptist de Wael. (Collectie Rijksmuseum) ![]() Mezzotint-gravure van Jacob Gole (1670-1724) naar een schilderij van Jan Steen. (Collectie Rijksmuseum) ![]() Feestende boeren in een herberg met muziek. Schilderij van Cornelis Bega (1632-1664) (Collectie Rijksmuseum) ![]() Voormalige toegangspoort naar de herberg in de Oosterstraat richting de Koepoort. (foto Henk van der Stelt) ![]() Ets van Rembrandt uit 1654 van kroegbezoekers en een kolfspeler. (Collectie Rijksmuseum) ![]() Mezzotint-gravure van Jacob Gole naar een schilderij van Adriaen van Ostade. (Collectie Rijksmuseum) ![]() De herberg met kolfbaan op de oudste kadasterkaart, opgemeten in de jaren 1825-1830, met daarop aangegeven de diverse in- en uitgangen naar de herberg over een inmiddels bijna volledig kaal gesloopt binnenterrein tussen Vlamingstraat en Rietveld. ![]() Aquarel van de Koepoort kort voor de afbraak in 1861, door onbekende maker naar een schilderij van P.G. Vertin. (Collectie Stadsarchief) ![]() Delftsche Courant, 20 november 1874. ![]() Delftsche Courant, 28 januari 1881. ![]() Vergunning voor de uitbreiding van de kuiperij. Delftsche Courant, 17 augustus 1881. ![]() Oprichting van de vennootschap van vader en zoon Stigter voor hun kuipersbedrijf. Delftsche Courant, 2 november 1881. ![]() Delftsche Courant, 5 januari 1926. ![]() Start van het schildersbedrijf Scheerhout. Delftsche Courant, 31 maart 1899. ![]() Het schildersbedrijf Scheerhout in de jaren 1920, met daarnaast op nr 82 de klokkenwinkel van Klaas Vos. (fotograaf onbekend) ![]() Ook de familie Scheerhout ruilt in de hongerwinter alles voor wat te eten. Delftsche Courant, 24 januari 1944. ![]() Tekening van de Koepoortbrug met doorkijkje naar de Vlamingstraat door Jan Heesterman omstreeks 1930. [In 1936 wordt de toegangsweg naar de binnenstad verlegd naar de Nieuwe Langendijk.] ![]() De tuin naast het achterhuis. (foto Henk van der Stelt) |
|||||
| Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Vlamingstraat 84-86 | |||||||
| Geplaatst: 15 augustus 2025 | |||||||
| www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft | |||||||