| Oude Delft 207 | www.achterdegevelsvandelft.nl | ||||||
![]() |
|||||||
| Ooit woning van Johan van Oldenbarnevelt |
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting. |
||||||
| Oude Delft 207 is nu een deftig,
onopvallend kantoorpand. Veel oudere Delftenaren kennen het nog als
een onderdeel van het katholieke Hippolytusziekenhuis. In 1575 was
het het woonhuis van Johan van Oldenbarnevelt. Uniek is een
bouwtekening uit zijn tijd van een uitbreiding bij het huis. Na Van
Oldenbarnevelt bewoonden vele andere voorname burgers en regenten
het grote huis. In de achttiende eeuw onderging het pand een flinke
gedaantewisseling. In de negentiende eeuw was het korte tijd een
Franse kostschool en woonhuis en gemeentekantoor van de burgemeester
van het aangrenzende Hof van Delft. Thuyn In 1536 bracht de stadsbrand op deze plek geen schade. Het was nog onbebouwd land, dicht naast het al ruim twee eeuwen bestaande Bagijnhof. De thuyn van meester van Utrecht, zo staat het in 1556 te boek. Kort na 1561 wordt in die tuin een huis gebouwd. Vermoedelijk een rechthoekig zaalhuis, in de zestiende eeuw een zeer gebruikelijke vorm, met twee woonlagen en een lage zolder. De voorgevel van circa 6 meter breed heeft de deur in het midden. Eén ongeveer 20 meter lange zijmuur werd gedeeld met een buurhuis. Aan de andere kant was een poort naar de diepe tuin die doorliep tot aan de stadsvest. Eigenaar is Mr Jacob Janszoon van Utrecht, veertigraad (stadsbestuurder), schepen van Delft en dijkgraaf van het Hoogheemraadschap Delfland. Hij woont er met zijn broer Pouwels. Maria, de dochter van hun zus Magdalena, zorgt voor de huishouding van haar ongetrouwde ooms. Johan van Oldenbarnevelt en Maria van Utrecht In 1572 barst in de steden van Holland en Zeeland het verzet tegen het Spaanse gezag in alle hevigheid los. Het Hof van Holland verhuist uit Den Haag naar het ommuurde en beter te beveiligen Delft. Daarom vertoeft Johan van Barnevelt, advocaat aan dat Hof, veel in Delft. Hij ontmoet er Maria. Ze trouwen in 1575 en Johan trekt bij haar en haar beide ooms in. Later dat jaar overlijdt Mr Jacob. Maria is de universeel erfgename van haar puissant rijke oom, en het huis komt op Johan’s naam. Voor de eerste keer wordt het een gezinshuis, want al snel is er zoontje Jan. Lang wonen ze er niet, want 24 December 1576 wordt Johan pensionaris van Rotterdam. Het huis gaat dan in de verhuur. Kleine reparaties van de glazenier, slotenmaker of timmerman betalen de huurders. Ze verhalen ze op de huisbaas, zo blijkt uit in het archief van Van Oldenbarnevelt aanwezige rekeningen. Bouwtekening middelhuys Dat archief bevat ook een “modelle van een timmeragie van ons middelhuys in Delff”. Het gaat vermoedelijk om een ontwerp voor een gebouw van twee verdiepingen en een zolder gelegen aan een binnenplaats achter het huis aan de gracht. Het is een nagenoeg vierkant pand van 25 Rijnlandse voeten (5,80 meter) breed, met ook hier de voordeur in het midden van de gevel (op de tekening hierboven rechts). Na binnenkomst is links vooraan een hoog voorhuis, rechts de keuken met een grote stookplaats en de bottelarij, de opslag voor bier en wijn. De andere twee ruimten zijn de kelder en een 'mooi camer', met bedstee en een ‘privaet’. De keuken en de ‘mooi camer’ hebben een schoorsteen. Centraal tussen de vier ruimten is een ronde spiltrap. Achter aan het huis vastgebouwd is nog een privaat dat van buiten toegankelijk is. Op de verdieping zijn drie kamers met bedsteden, waarvan één een ‘hangkamer’ (vide) half boven de keuken. In een van de kamers is ook een privaat, precies boven dat op de begane grond. Boven het hoge voorhuis is geen vertrek. De spiltrap gaat door naar een zolder, die niet is uitgetekend. (Zie hier voor de plattegrond van de verdieping van het gebouw.) Gezien het voor die tijd opvallend comfort gaat het hier waarschijnlijk om een uitbreiding van het huis of een gastenverblijf. Of het middelhuys gebouwd is in de korte tijd dat Van Oldenbarnevelt het zelf bewoonde en of het geheel volgens de tekening is uitgevoerd valt niet meer te achterhalen. Maar de tekening zal niet voor niets zo zorgvuldig bewaard zijn. Ritmeester Weduwe Francoise Steenlandt, vrouwe van Brandtwijck, huurt vanaf 1596 het huis van Van Oldenbarnevelt, en betaalt 240 gulden per jaar. In 1598 trouwt zij in de Waalse kerk (de kapel van het Prinsenhof) met Louis van de Kethulle van Rhijoven. Louis en zijn vader Francois de la Kethulle de Rijhove, baljuw van Dendermonde, worden aanhangers van Willem van Oranje en vluchten naar het noorden. Louis wordt een vooraanstaand officier in het leger van Maurits van Oranje. De ritmeester Louis wordt in 1600 genoemd als huurder van ‘advocaet Barnevelt’ in het zogenoemde ‘haardstedenregister’, een register van een belasting op stookplaatsen. Het huis telt er dan acht, fors voor een woonhuis. Francoise en Louis krijgen een kind, dat helaas al in juli 1600 begraven moet worden in de Oude Kerk. In 1604 koopt Louis het huis twee deuren verderop aan de Oude Delft en verhuist met Francoise daarheen. Maar de relaties met de al jaren in Den Haag wonende landsadvocaat en raadspensionaris van de Staten van Holland blijven. In 1608 trouwt diens zoon Reinier van Oldenbarnevelt in de Waalse Kerk in Delft met de dochter van Francoise Steenlandt, Anna Weijtesen. Glinting In 1612 verkoopt ‘Joncker Johan van Oldenbarnevelt, heer van Berckel ende advocaet van de landen van Hollandt en Westfrieslant‘ het huis voor 6.280 gulden aan Huijch/Hugo Bartholomeuszn van der Mast. Hugo is een telg uit een familie van kooplieden en regenten. Uit een soortgelijke familie komt ook zijn Amsterdamse vrouw, Swaentgen Boelens. Het zou goed kunnen dat Hugo en Swaentgen al eerder huurder van het pand waren, want zijn broer Nicolaes woont ook in Delft. Aan het huis wordt opnieuw gewerkt. De eigenaar krijgt vergunning om voor het huis een glinting (stoephek) te maken. Goudlederen behangselen Als de familie Van der Mast in 1616 vertrekt, wordt de in Den Briel geboren Jacob Bryel de volgende eigenaar. Hij is advocaat en veertigraad en getrouwd met de Delftse Maria Duyst van Beresteyn. In 1616 hebben ze drie kinderen en er volgen er nog zeven. Acht van de tien worden meerderjarig (in die tijd met 25 jaar, of eerder door een huwelijk.) Na zijn dood in 1644 betrekt zijn dochter Catharina met haar man Everard Ewoutszoon van Bleijswijck het huis. Everard is bewindhebber in de VOC en komt uit een geslacht dat vele jaren regenten in Delft levert. Hun twee kinderen worden op 10- en 8-jarige leeftijd wees. Dus komt de weeskamer in actie en beschrijft de omvangrijke nalatenschap. Aan de muur van de ‘mooie kamer’ hangen goudleren behangselen. In die ruimte maar ook in de ‘eetsael’,’ groote kamer’, ‘achtersaeltge’, ‘voorkamer’ en ‘kamertge over de keucke’ hangen overal schilderijen. De meest prominente plek lijkt weggelegd voor een tiental ‘conterfeitsels’ (portretten) van de overledenen en hun voorouders. Verder noteert de notaris een Ceres en Bacchus van de Delftse schilder Christiaen Couwenberch, twee ‘zeetjes’ van Simon de Vlieger, twee landschappen van Pieter van Groenewegen en de kruisdraging door Jordaens. Verder hangen er een aantal met weinig aandacht beschreven doeken van anonieme makers. In het ‘comptoir’ veel boeken, waaronder meerdere werken van Hugo de Groot. Voorts huisraad in de ‘kinderkamer’, ‘solder’, ’kleersolder’, ‘achterhuijs’ en ‘achterkeuken’. Er zijn volle linnenkasten. In de boedel veel goud en zilveren voorwerpen, obligaties en land: het is in dit huis de Gouden Eeuw in volle glorie. Nog meer goud Bij een onderhandse veiling gaat het huis in 1661, met de goudleren behangsels, tafelkleed en alle stoelen voor 11.000 gulden naar Mattheus Gael. Hij is oud-schepen en dan gecommitteerde in de Admiraliteit van de Maze ofwel bestuurder van de West-Indische Compagnie. Waarschijnlijk is hij degene die achter in de tuin, aan de stadsvest, een stal laat bouwen voor paarden en koets. Mattheus bewoont het huis vier jaar, hij overlijdt er in 1665. Zijn weduwe overleeft hem echter nog bijna twintig jaar. Zij is Sophia van der Hooge van Borssele, dochter van een Zeeuws regent die ooit huwde met een Van der Dussen uit Delft. Wanneer zij in 1684 overlijdt, erft haar dochter Machtelt de helft van het huis. Haar man Adriaen Fyck koopt vervolgens de andere helft van het huis van de erfgenamen van Mattheus Gael. Ook Machtelt wordt weduwe. Zij hertrouwt in 1690 met Francois van Bredehoff, heer van Oosthuizen en hoofdschout van Hoorn, en verlaat het huis en haar geboortestad. Het huis wordt vermoedelijk vervolgens verhuurd. Vier generaties stadssecretaris In 1707 koopt Hendrick Vockestaert het statige grachtenpand. Hij heeft rechten gestudeerd in Leiden, is getrouwd met Agatha Maria van der Goes en is inmiddels stadssecretaris van Delft. Ook de zoon, kleinzoon en achterkleinzoon van Hendrick en Agatha Maria, allen Hendrick geheten, studeren rechten in Leiden, trouwen met vrouwen uit gegoede families en worden secretaris van de stad Delft. Ze voelen zich aan de Oude Delft tussen andere regenten van de stad als een vis in het water. Na overlijden gaan ze met koetsen, paarden en dragers naar de Oude Kerk om te worden bijgezet in de eigen grafkelder.
Het huis verandert in deze eeuw zowel achter als aan de gevel. Kort na 1707 wordt na overleg met buurman Francois Muijlwijck het riool en de gang tussen hun huizen overdekt. Daardoor ontstaat een lange binnengang die huis en achterhuis verbindt met aan de voorkant een vestibule. De voordeur wordt daarmee naar links in de gevel verplaatst. De nieuwe gedaante is fraai verbeeld op het schilderij ‘de Oude Kerk en de Oude Delft’ van Paulus Constantijn la Fargue uit 1759. Een boedelbeschrijving uit 1786 geeft veel informatie over het huis ‘achter de gevel’. Onder het maaiveld is een kelder. Op de begane grond zijn het salet (ontvangstkamer), het comptoir, de mangelkamer, de binnenkamer, de eetzaal en het vaathuis. Op de eerste verdieping een kleine voorkamer, de ‘knegtskamer’, de groene kamer, de ‘agterbovenste kamer’, het ‘bovencomptoir’, de ‘meidenkamer’, de kinderkamer, een klein kamertje en het ‘kopere kamertje’. Op de tweede verdieping de kleerzolder en een klein kamertje. En dan is er nog een vliering. In het achterhuis de tuinkamer, de groentekelder, de ‘blaauwe’ keuken, de ‘vleeschkelder’, het ‘appelkamertje’, de zolder en de ‘poejerzolder’. In de stallen is de ‘koetsierskamer’. Uitgebreid staat opgesomd wat in al die rijk gemeubileerde ruimtes werd aangetroffen. Acht schilderijtjes en vijf familieportretten. Veel boeken. Veel serviesgoed. En veel tafellinnen, ruim 70 tafellakens en meer dan 800 servetten. De familie heeft ook nog een buitenplaats ‘aan de vaart en straatweg tusschen Delft en ’s Hage in de oude Broekpolder’, genaamd De Ruijt. Het was in grootte vergelijkbaar met het huis aan de Oude Delft, had ook een (moes)tuin en stallen voor paarden en koets. Zeer volledig gemeubileerd, echter geheel geen tafellinnen. Grafkelder Achterkleinzoon Hendrick (1765-1807) huwt twee keer, in 1786 en in 1795. Anna Maria Hugenholtz sterft in 1794 in het kraambed van Hendrik Melchior, haar achtste kind. De tweede echtgenote is Catharina Elisabeth Hoogeveen. Wanneer in 1807 Hendrik overlijdt is hij weer vier keer vader geworden. Van zijn dertien kinderen heeft hij er acht als armkind (baby) of baarkind (jonger dan tien jaar) naar de grafkelder van de familie gebracht. Zijn weduwe verkoopt het huis in 1815. Daarmee komt na 108 jaar een einde aan de band tussen dit huis en de familie Vockestaert. Politicus Martinus Anne Wijnaendts betaalt in 1815 6.300 gulden voor het huis met koetshuis, stalling, en fraai aangelegde tuin dat inmiddels bekend staat als Wijk 5 nummer 16. In 1727 was het huis nog getaxeerd voor 16.500 gulden, maar gedurende die kleine eeuw tijd is de stad economisch flink achteruit gegaan en zijn de huizenprijzen navenant gedaald. Martinus is geboren in de Zweth bij Overschie. Zijn vader Mr Willem Wijnaendts had daar een bierbrouwerij en houtzaagmolen en was naast kandidaat-notaris in Delft ook nog schout van de omliggende polders en ‘maire’ van Overschie. Martinus huwt een dochter van de burgemeester van Delft, Catharina Pennis Overgaauw, die overigens al in 1814 overlijdt. Met zijn tweede echtgenote betrekt hij het huis aan de Oude Delft. Deze Anna Elisabeth Rosina Voet is de dochter van generaal-majoor der artillerie Johan Hendrik Voet, de directeur van de in 1814 opgerichte Artillerie- en Genieschool (zie Oude Delft 95). Martinus Wijnaendts zal zich ontwikkelen tot politicus. Hij wordt in 1822 lid van de gemeenteraad, in 1826 wethouder van Delft. Vervolgens lid van Gedeputeerde Staten van Holland en lid van de Tweede Kamer. Hij is dan echter allang, in 1823, verhuisd naar het nog grotere Oude Delft 36, dat eerder eigendom was van de familie van zijn eerste vrouw. (zie Oude Delft 36) Plantagehoudersdochter In 1823 koopt Catharina Cornelia Buse het huis, kort nadat haar man Hendrik Koppiers in de Oude Kerk is begraven. Catharina is geboren in Berbice (het huidige Guyana) in een familie van plantage-eigenaren. Haar man Hendrik was enig kind van Mr Pieter Hendrik Koppiers en Anna Christina Buse. Pieter Hendrik was tussen 1778 en 1789 gouverneur van Berbice in dienst van de West-Indische Compagnie. Catharina bewoont het huis van 1823 tot 1828 met zeven kinders in de leeftijd van een paar maanden tot 12 jaar en dienstbodes en koetsiers. In 1828 verhuizen ze naar Haarlem.
Kostschool Als Catharina Buse het huis in 1831 te koop zet wordt het bewoond door Generaal-majoor Snoeck en Geertruida Helena Meynhardt. Snoeck is kolonel-directeur in de 1e directie van fortificatiën met als standplaats ’s-Gravenhage, maar krijgt toestemming zich in Delft te vestigen omdat zijn vier zoons daar op de militaire academie studeren. De generaal heeft geen interesse in de koop, want hij gaat met pensioen en verhuist met zijn vrouw naar Cuijk. De man die het wel koopt is Gerrit Jan Frans Guffroy, kostschoolhouder sinds 1825 wonend op de Voorstraat (nu nr 80). Als zoon van een luitenant van de Franse republiek ‘in garnizoen te Utrecht’ noemt hij zich ook wel Gerard Jean Francois. Hij krijgt een hypotheek van de verkoopster en koopt het pand dus op afbetaling. De concurrentie in de wereld van de Franse (kost)scholen is waarschijnlijk hevig, want vier jaar later verhuist hij met echtgenote, zoontje en moeder naar het veel bescheidener Oude Delft 60 (zie ook Koornmarkt 69).
De volgende bewoner-eigenaar is de uit Rotterdam afkomstige Franciscus Parker Verboom. Met Hendrika Maria Daame en hun zes kinderen verhuist hij naar Delft. De twee daarna geboren kinderen sterven als ze een jaar zijn. Het gezin woont al in ’s-Hertogenbosch wanneer hij het huis in 1842 alweer verkoopt. Predikant, wiskunde-docent en vrijdenker Vanaf 1842 gaat predikant Hoijte van der Leeuw het ruim twintig jaar bewonen. Zijn (tweede) vrouw Katharina Janse, dochter van zijn collega Willem Stroes Janse, overlijdt al na drie jaar. Daarom dan in dit huis behalve kinders ook dienstbodes en gouvernantes. In 1863 verkoopt hij het huis aan Pieter Combertus Burger, leraar wiskunde aan de Koninklijke Akademie, die na vier jaar met vrouw en zeven kinderen naar Leeuwarden verhuist. De volgende bewoner is zowel doctor in de rechten als in de wis- en natuurkunde, Hermannus Hartogh Heys van Zouteveen. Als geboren Delftenaar is hij lid van de gemeenteraad, maar landelijk staat hij vooral bekend als radicaal vrijdenker. Hij is lector in de Zoölogie aan de Universiteit van Leiden en correspondeert geregeld met Darwin, wiens boeken hij in het Nederlands vertaalt. Diens ideeën over de evolutie staan haaks op het scheppingsverhaal in de bijbel en dat ligt in die dagen gevoelig. Daardoor wordt hij bij een benoeming tot hoogleraar gepasseerd. Daarop neemt hij resoluut ontslag en verhuist in 1873 met zijn van origine Drentse vrouw naar Assen, waar hij zich gaat bezighouden met verveningen, natuureducatie en effectenhandel. Het koetshuis achter aan de vest dat bij het huis hoort, wordt door hem in 1871 verkocht aan de gebroeders De Wolf. Zij zien een nieuwe markt voor de verhuur van koetsen met koetsier. Zo wordt het koetshuis onderdeel van stalhouderij De Wolf (Phoenixstraat 60-66). Burgemeester en secretarie van Hof van Delft Van 1884 tot 1892 is het huis acht jaar lang de secretarie en woning van de burgemeester van de gemeente Hof van Delft, Maximiliaan Jacob de Man. Hij huurt het pand van Geertje Pelgrim uit Leerdam, die het na koop van Hertogh Heys een aantal jaren zelf bewoond heeft maar het vervolgens is gaan verhuren. Maximiliaan woont er met zijn in Demerarij (Guyana) geboren moeder en een nichtje. Het was sinds jaar en dag gebruikelijk dat de burgemeester van deze gemeente in de gemeente Delft woonde. Burgers uit Hof van Delft die een kind of een overlijden wilden aangeven moesten zich bij hem aan de deur melden. In 1892 krijgt Hof van Delft een echt eigen gemeentehuis aan de St Olofslaan, en de burgemeester verhuist mee. Hierna is kantonrechter Coenraad Stemberg twintig jaar huurder van het grote huis. Voor zijn werk is hij te vinden in het kantongerecht, eerst op Oude Delft 81 en vanaf 1907 in de nieuwbouw Korte Geer 11. De erven van Geertje Pelgrim verkopen het huis in 1912 aan de NV Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen ‘Unitas’. Deze plaatselijke vastgoedfirma is opgericht door administrateur J.H. Stigter, drukker Bernardus Judels jr en papierhandelaar A.J. Prins. Van hen zal Johannes Stigter de laatste eigenaar zijn die het huis ook korte tijd als gezinshuis bewoont. Ziekenhuis Vier jaar later, in 1917, kan ‘Unitas’ Oude Delft 207 verkopen aan de St Hippolytus Stichting om haar ziekenhuis aan de Phoenixstraat uit te breiden. De nieuwe ziekenhuis-bestemming betekent een ingrijpende verbouwing. De bovenste verdieping wordt verhoogd, ook de ramen zijn hoger, op die verdieping kan nu goed geleefd worden. Er komt een verbinding tussen het huis en het gebouw aan de Phoenixstraat, de tuin wordt geofferd. De gang wordt naar rechts verplaatst en dat levert het meest saillante verschil met het schilderij van La Fargue: de voordeur is naar rechts verplaatst. Aan het metselwerk is nu nog steeds te zien dat de deur eerder links zat. In latere jaren zijn er regelmatig nieuwe verbouwingen. In dit deel van het ziekenhuis komen weinig patiënten, het wordt voornamelijk gebruikt voor de huisvesting van personeel.
Kantoor In 1974 verdwijnt het ziekenhuis uit de binnenstad en koopt de buurman ‘OD 205, Adviseurs voor planologie, architektuur en landschap’ het pand en richt het in als kantoor. In 1980 wordt het verbouwd naar wooneenheden en kantoorruimte. Inmiddels zijn Oude Delft 205 en 207 in andere handen overgegaan, en is het vooral een kantoorpand. Corinne Brunnekreef
Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Oude Delft 207 Geplaatst: 21 mei 2026 |
|
![]() Oude Delft 207 in maart 2026. (Foto Achterdegevels) ![]() Tekening van de portretten van Johan van Oldebarnevelt en Maria van Utrecht door Jan Stolker naar schilderijen van Michiel van Mierevelt uit 1617. (Collectie Stadsarchief Delft) ![]() Een rekening van onderhoud dat de huurder in de jaren 1596 en ’97 heeft laten uitvoeren. (Archief van Van Oldebarnevelt) ![]() Portret van huurder Louis van de Kethulle (1565-1631), toegeschreven aan schilder Bartholomeus van der Helst. (Collectie Stichting Vrienden van het Markiezenhof in Bergen op Zoom) ![]() Koopbrief op perkament (een z.g. ‘charter’) van 19 april 1616, waarbij Hugo van der Mast het huis aan mr Jacob Briell verkoopt. (Archief Van Oldebarnevelt ![]() De grafsteen van mr Jacob Briell en zijn vrouw Maria Duyst van Beresteyn in de Oude Kerk. (Foto Achterdegevels) ![]() Portret van Katrijna Briel, geschilderd door Willem van Vliet in 1642. (Privécollectie, foto RKD) ![]() Wapenbord van de familie Gael in de Waalse kerk. (Foto Ton Kerklaan, Stadsarchief) ![]() Drie maal het familiewapen van drie generaties stadssecretarissen Hendrick Vockestaert in het 18e eeuwse wapenboek van Delftse Veertigraden, stadspensionarissen en stadssecretarissen, aangelegd door mr Willem van der Lely. (Stadsarchief 176, nr 5, folio 94) ![]() Uitgebreide beschrijving van het huis met welaangelegde tuin met prieel en vruchtbomen, koetshuis en provisie-en dienstbodenkamers in de Delftsche Courant van 19 februari 1871. ![]() Jhr Matthias Snoeck (1761-1840) en Geertruida Meynhardt (1777-1840), geschilderd door Hildebrand Dirk Loeff. (Privécollectie, foto RKD) ![]() Grafsteen van Matthias Snoeck en zijn vrouw Geertruida Meynhardt in de Oude Kerk. Zij hadden graag onder deze grote steen gelegen, maar begraven binnen de kerk werd in 1829 verboden voor zij beiden in 1840 overleden. (Foto Achterdegevels) ![]() Gedrukt silhouet van predikant Hoyte van der Leeuw. (Maker onbekend, collectie Stadsarchief) ![]() Delftsche Courant, 9 maart 1866. ![]() Herman Hartogh Heys van Zouteveen (1841-1891). (Foto Emma Kirchner, Wikipedia) ![]() Delftsche Courant, 13 januari 1892. ![]() Plattegrond van de begane grond voor een verbouwing in 1917. De gang zat destijds nog links in het gebouw. ![]() De 18e-eeuwse voordeur die ooit aan de zuidzijde van de gevel zat, is in de 20e eeuw spiegelbeeldig verplaatst naar de noordzijde. (Foto Gerard Dukker, Rijksdienst Cultureel Erfgoed) |
|||||
| www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft | |||||||