Oude Delft 107
www.achterdegevelsvandelft.nl

Oud regentenpaleis en ijzerhandel omgetoverd tot ‘modern’ bankgebouw en zonnestudio

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Wie ter hoogte van de Boterbrug over de Oude Delft loopt en naar de overzijde kijkt valt op hoe hoog en groot het pand Oude Delft 17 naast het huis op de hoek van de Binnenwatersloot is. Tegenwoordig is het onderste deel van het pand ingericht om het hele jaar door te kunnen zonnen. Daarboven wonen studenten op kamers. Voor de firma Sunday’s het pand betrok heeft de uitgever van de voormalige Delftsche Courant er enige tijd zijn werkplek gehad.
Het pand is in 1938 grotendeels geheel nieuw opgetrokken. Of zich achter de gevel mogelijk nog restanten bevinden van het statige grachtenhuis dat in vorige eeuwen de naam de Korendrager droeg, is zeer de vraag. De nieuwbouw was het werk van de Nederlandse Middenstandsbank, die er destijds haar kantoor vestigde. Voordien was het ongeveer een eeuw lang een handel in ijzerwaren, aanvankelijk van de firma Van Leeuwenberg en later de firma Romijn.

Schuiten vol kozijnen afgevoerd
Uit de schaarse foto’s van de gevel voor de grote vernieuwing van 1938/’39 blijkt dat het huis voor die ingreep nagenoeg hetzelfde volume had met grote raampartijen met een fors glasoppervlak en een dubbele voordeur aan de noordkant, voor het benedenhuis/bedrijf 107 en het bovenhuis 107a. Dat uiterlijk zal het eind 19e eeuw hebben gekregen, in ieder geval na de invoering van de huisnummering in 1877. Anders zou de tweede voordeur niet 107a genummerd zijn. In 1877 zal het huis maar één huisdeur hebben gehad en waarschijnlijk raampartijen samengesteld uit kleinere ruiten.
Of in 1938 achter de nieuwe gevel ook de zolderkap en het huis achter de gevel tot de grond toe is afgebroken of alleen aan de nieuwe bestemming is aangepast, valt bij het verloren gaan van de bouwtekening moeilijk vast te stellen. De herinneringen van de destijds 9-jarige Jan Romijn over de afbraak van zijn ouderlijk huis zijn op dit punt ook voor meerdere uitleg vatbaar. Hij herinnert zich vooral de schuiten vol kozijnen die werden afgevoerd en weet nog te vertellen dat sloper Liesker de voordeur heeft verkocht aan de bewoners van Oude Delft 148, waar hij nog in de gevel moet zitten.

Schepen bij scherp verhoor
Gezien de forse belastingaanslag ten opzichte van de omliggende huizen moet dit pand al eeuwen lang het huidige formaat hebben gehad. In 1600 telde het zes stookplaatsen, dubbel zoveel als de buren. Het huis de Korendrager zal toen vrijwel zeker een imposante trapgevel hebben gehad, die mogelijk al in de 18e eeuw vervangen is door de latere lijstgevel.
Eind 16e eeuw woont hier stadsbestuurder Gerrit Hendricksz van ’s Gravesande die in de jaren 1580-1588 schepen is en in die functie onder meer in 1584 het verhoor heeft bijgewoond van Balthazar Gaerards, de moordenaar van Willem van Oranje. Zelf sterft hij in 1589.

Goud- en zilversmid en lakenkoopman
De volgende bewoner is een goud- en zilversmid, Arent van Puffvliet (ca 1562-1621). Hij bewoont rond 1600 het pand met Agatha Onderwater. Zij is een zuster van de brouwer In de Drie Sterren op de Koornmarkt (zie nr 49) en schoonzuster van de Amsterdamse dichter Roemer Visscher.
Hun dochter Dirckgen van Puffvliet trouwt in 1632 met de lakenkoopman Willem van Witsenburch (1600-1651). Als huwelijksgift krijgen zij de helft van het eigendom van het huis dat zij betrekken. Haar ouders zijn dan al beiden overleden. Later kopen zij de andere erfgenamen uit.
Willem komt voor op een lijst van manufacturen-handelaren die contributie betalen voor de Lakenhal in het Prinsenhof. In 1651 overlijdt hij als weduwnaar. Zijn dochter Agatha erft vervolgens het huis. Zij trouwt met advocaat Nicolaas van Driel, die carrière maakt als regent in het nabijgelegen Schiedam. De Korendrager zullen zij dus hebben verhuurd, al is niet bekend aan wie.

Goudleer aan de muur
In 1660 koopt Pieter Ronaer het pand. Hij heeft dan inmiddels zijn brouwerij de Drie Croonen op de Voorstraat (nr 21) opgedoekt en is getrouwd met Anna van Bleyswijck, een telg uit een voornaam burgemeestersgeslacht. In 1677 vieren zij hun 50-jarig huwelijk, waarvoor zij een herdenkingspenning laten vervaardigen, die zich in de collectie van Museum Prinsenhof bevindt. Twee jaar later overlijdt hij als eerste; zij volgt hem in 1688. Vervolgens staat het huis een jaar ‘ledich’,  weten we uit de beschrijving van haar rijk bedeelde nalatenschap, die pas tien jaar na haar dood wordt opgemaakt. Het huis, getaxeerd op 4.500 gulden, maakt van haar bezittingen maar een zeer bescheiden deel uit. Haar totale nalatenschap werd destijds getaxeerd op fl 77.682, ruim 17 maal de waarde van het huis. De boedel vertelt ons ook dat een van de kamers bekleed was met een goudleren behang.
Het huis werd vervolgens weer enige tijd verhuurd. Kort na 1700 blijkt hier Vrouwe Jacoba (Teding) van Berkhout de huurster, een Delftse regentendochter die dan net weduwe is van de uit Amsterdamse koopman Isaac l’Espaul, met wie zij gedurende vijf jaar huwelijk op de Kiezersgracht heeft gewoond tot hij overleed. In 1703 brengt zij als weduwe een jong kind met een koets naar het familiegraf op het koor van de Oude Kerk en verkoopt zij het aandeel van haar man in het schip de Gouden Hoed aan zijn Amsterdamse compagnons.

Meer deftige dames
Ondertussen blijft het huis, net als het buurhuis de Landmeeter (OD 109), in bezit van de familie van Bleyswijck. In 1735 verkopen zij beide huizen aan Jacoba Keyser, de weduwe van de dan net overleden arts Daniel Guillermet, met wie zij woonde in het eerder genoemde huis De Drie Sterren op Koornmarkt 49. (Zie daar) Dat huis op de Koornmarkt huurden zij. Vermoedelijk moet zij na zijn dood op zoek naar nieuwe huisvesting. Jacoba heeft geen kinderen en overlijdt in januari 1743, waarna ook zij met een koets naar haar graf wordt gebracht.
Verre erfgenamen beleggen een veiling om de panden aan de Oude Delft te gelde te maken inclusief al haar huisraad zoals gordijnen, tafellakens, een bedstee etc.etc. Als potentiële koper meldt zich op de tweede zittingsdag de Italiaanse stukadoor en aannemer Joseph Bollina. Hij biedt 7.600 gulden. Bollina heeft inmiddels een naam als gerenommeerd stucwerker en beeldhouwer die heel wat interieurs van deftige grachtenpanden onder handen heeft genomen. Na de veiling verklaart Bollina te handelen in opdracht van de (ongehuwde) jonkvrouw Agatha Maria Spiering (1679-1768). Het lijkt aannemelijk dat Bollina het pand vervolgens fraai voor haar heeft opgeknapt, maar veel bewijzen zijn daarvan helaas niet meer terug te vinden.
Agatha’s vader, Willem Spiering, was lid van de veertigraad, schepen en havenmeester van Delft. Zij zelf bereikt in dit grote huis de gezegende leeftijd van bijna 90 jaar en bewoont het in 1749 met ‘twee meyden’.
Ook zij laat een aanzienlijk vermogen na dat onder beheer komt van de Delftse Weeskamer omdat zij in haar testament heeft beslist dat haar neefje Rogier Suljaard de Leefdaal, met een militaire carrière in Brabant, het levenslang vruchtgebruik krijgt van haar nalatenschap, voordat deze onder de rechtmatige erfgenamen mag worden verdeeld. Daar hebben zij vervolgens bijna 35 jaar op moeten wachten.


Gevelbord van een blokmakerij aan de Leuvehaven te Rotterdam (1694).

Blokmaker met slappe was
Het huis wordt in 1768 alvast verkocht aan Dirk Schaap. Hij is blokmaker en neemt het grote huis dus als ambachtszaak in gebruik. Na zijn overlijden in 1790 laat hij een grote hoeveelheid zagen, schaven, boren en andere gereedschappen voor zijn vak na. Hij moet goed geboerd hebben, want behalve dit huis en het naastgelegen huis De Landmeeter bezat hij nog een ander grachtenpand ergens aan de oostzijde van de Oude Delft, een haringbuis (schip) in Delfshaven en nog wat ander onroerend goed. Waar de weduwe na zijn overlijden naar toe gaat, is onduidelijk, maar haar schoondochter Neeltje Nieuwkerk mag van haar het huis voorlopig gratis bewonen. Later gaat de weduwe het weinig succesvol verhuren. In de jaren 1799-1800 is ene Willem van Deventer de huurder, maar die raakt in deze moeilijke jaren zo berooid dat hij zijn huur van 200 gulden per jaar nooit betaald heeft. Kort voor zij zelf in 1802 komt te overlijden vindt zij uiteindelijk een nieuwe huurder in S.J. Lindwurm. Bij het grote overschot aan woningen valt het in die jaren niet mee huurders te vinden, ook niet voor grachtenpanden. Het huis zal in deze jaren ook weinig vernieuwingen hebben ondergaan.

Schimmige tijden
De erfgenamen verkopen het huis voor een habbekrats in 1803 aan Willem de Lange, koopman in paarden en oud ijzer op de Scheepmakerij. Wat hij er precies mee doet is raadselachtig. Zelf gaat hij er niet wonen, maar andere bewoners lijken er tot circa 1815 ook niet te signaleren. Vervolgens neemt Evert van Kan er tot circa 1830 zijn intrek in. Hij is eerst vleeshouwer, maar maakt vervolgens een carrière-switch naar broodbakker. In 1822 bakt hij volgens de patentbelasting vooral op aanbesteding voor het leger en het tuchthuis.

Kanonnier met ene vlerk
In die jaren raakt een man in Delft verzeild die later eigenaar van de Korendrager zou worden: Johan Leeuwenberg. Tijdens de slag bij Waterloo tegen Napoleon raakt hij als kanonnier in het leger van Prins Willem (de latere koning Willem II) zijn arm kwijt en wordt als gewonde naar Delft gebracht om te worden verpleegd. Als kanonnier wordt hij uit dienst ontslagen, maar hij krijgt een baan bij de stapelmagazijnen van de Artillerie Inrichtingen in Delft. Dat was een onderdeel van ’s Lands wapenfabrieken die vuurwapens, artillerie en munitie produceerden voor het Nederlandse leger en het koloniale leger KNIL.
Johan, ook wel de ‘Leeuwenberg met de ene vlerk’ genoemd, ruikt hier zijn kansen. Hij begint een handel in ijzerwaren aan Achterom 30. De zaken gaan kennelijk zo goed dat Johan in 1830 besluit het huis aan de Oude Delft te kopen, destijds wijk 3 nummer 23, nu de Oude Delft 107. Van de koopprijs van 2.000 gulden kan hij contant 800 gulden neerleggen,  de rest betaalt hij in twaalf jaarlijkse termijnen van honderd gulden.

Winkel met vele magazijnen
Het pand aan de Oude Delft heeft een diepe winkel met een houten vloer. Daarop staan twee toonbanken. De kleine toonbank is voor het opbergen van munitie, kruit, hagel en sluitplaatjes voor het laden van jachtpatronen. Op de grote toonbank staat een ‘Beranger’ weegschaal. Langs de wanden staan ladekasten, gevuld met verschillende ijzerwaren.
Achter in de winkel is het kantoor. In het huis is een spreekbuis om te communiceren met de bovengelegen keuken.
Achter het kantoor is een vierkante binnenplaats met gele tegels en een marmeren deksel op de regenwaterput. Daarachter bevindt zich een groot magazijn met twee verdiepingen, die via een lange gang met een hardstenen vloer te bereiken is.
Rechtsachter het pand ligt de smederij, die doorloopt achter de panden Oude Delft 109 en 111. Achter die smederij is een kleine binnenplaats en daarachter nog een magazijn van twee verdiepingen.
Ook het bovenhuis is zeer groot en door verschillende verbouwingen in de loop der tijden een chaotisch labyrint met de vele gangen, trappen en overlopen.
Het pand is aan de achterzijde verbonden met Binnenwatersloot 36/38, waarin de ‘nikkelwinkel’ is gevestigd. Daar worden in de 19e eeuw populaire vernikkelde producten zoals suiker- en theepotjes verkocht.

Vuurwapens
In augustus 1842 maakt Johan Leeuwenberg bezwaar bij de gemeenteraad dat het hem door veranderende regelgeving steeds moeilijker wordt gemaakt om buskruit te vervoeren. Leeuwenberg handelt namelijk vanaf het begin in vuurwapens, onder andere met zijn oude werkgever, het Nederlandsche leger. In die tijd zijn er in Delft heel wat particuliere geweermakers werkzaam en het Rijk heeft in die tijd volgens archiefbronnen hier honderdduizenden geweren in opslag. De Artillerie Inrichtingen vormen waarschijnlijk de belangrijkste klant en afnemer van Leeuwenberg.

Kanonschot voor de spoortrein
Vanaf 1847 woont Johan Leeuwenberg als succesvol ondernemer aan de Spoorsingel 57. Als in 1847 de eerste stoomtrein Delft passeert schiet Johan vanuit zijn voortuin een kanonschot af. In een gedicht bij de plechtige inwijding van het spoor in de Delftsche Courant kunnen we lezen:

…Ik heb geen hoezee gehoord
Geen blij gejuich, geen vrolijk woord
Maar wel geduchte slagen
Vanuit het Leeuwenberg’s kanon
Dat schoot, al wat het schieten kon
Om schrik ons aan te jagen…



Het grote huis op de voorgrond Oude Delft 107/107a was tot 1938 de voorganger van het huidige bankgebouw/zonnestudio. Het uiterlijk moet gezien de dubbele voordeur en de grote raampartijen dateren van na circa 1880. (Foto begin 1900 van Louis Drabbe)

Toonbank kan tegen stootje
De enige zoon van Johannes is Goverinus Leeuwenberg. Hij neemt in 1860 formeel het bedrijf en het pand aan de Oude Delft over. In feite drijft hij de zaak al sinds zijn huwelijk in 1852 en heeft zijn vader, als weduwnaar, sindsdien zijn intrek in het bovenhuis genomen. In 1873 komt Hermanus Romijn dienst bij de firma Leeuwenberg als boekhouder.
Uit een boedelbeschrijving na de dood van Goverinus’ vrouw uit 1881 blijkt dat de familie Leeuwenberg een enorme hoeveelheid onroerend goed vergaard heeft met hun ijzer en wapenhandel en een flinke portefeuille aandelen, onder meer in Rusland, Polen en de Baltische Staten.
In 1883 wordt Goverinus Koninklijk Hofleverancier en vraagt een vergunning aan voor de verkoop en berging van maximaal vijf kilo buskruit in zijn winkel. Als B&W de politie om advies vraagt, stelt deze vast dat de toonbank en laden zeer stevig zijn en goed afgesloten kunnen worden. Ze heeft dus weinig bezwaar om de vergunning te verlenen.

Vélocipèdes
De eerste rijwielen die werden uitgevonden, werden verkocht door de ijzerhandel. Leeuwenberg is dan ook de eerste in Delft die vélocipèdes kan leveren. Schaatsen blijkt ook een interessant product. Goverinus importeert ze uit Duitsland. Zijn schaatsen winnen de hoofdprijs in een wedstrijd tussen de schaatsleveranciers.
In december 1889 verkoopt Goverinus het pand op de Oude Delft aan zijn zoon Johannes P.G.H Leeuwenberg, met daaraan verheeld het winkelhuis met bovenwoning Binnenwatersloot 36/38 en de pakhuizen in de Kloksteeg, nummer 1, 5 en 10.
Johannes P.G.H., Petrus J.M. (medeoprichter van de R.A.I.), Anthonius J.M. en Aloysius J.M. vormen de derde generatie. Johannes neemt in de jaren negentig van de 19e eeuw een groothandel in ijzerwaren over in Amsterdam. Dat loopt zo goed dat hij de zaak in Delft aan een ander wil overdoen. Het valt op dat de familie Leeuwenberg Delft besluit te verruilen voor Amsterdam op het moment dat het ministerie van Defensie besluit om de Artillerie Inrichtingen naar Zaandam te verplaatsen.

Romijn & Co
Op 1 januari 1897 neemt Herman Romijn de ijzerhandel over onder de naam van H. Romijn & Co. De compagnon was zijn zoon Kees, in 1897 slechts veertien jaar oud.
Hermanus Romijn is een katholiek weeskind. Hij is opgeleid tot onderwijzer. maar besluit boekhouder te worden. Als gelovig katholiek wil hij echter eerst als zouaaf de Paus dienen om de kerkelijk staat te verdedigen. Daarbij loopt hij onder meer wacht bij de Engelenburcht in Rome. Voor zijn diensten ontvangt hij twee pauselijke onderscheidingen. Na het avontuur in Rome richt Hermanus de R.K. Volksbond afdeling Delft op en wordt dus boekhouder bij de firma Leeuwenberg.
Aanvankelijk lopen de zaken voor Romijn dusdanig goed dat hij aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn schulden voor de overname van de zaak en de panden aan de familie Leeuwenberg heeft afbetaald.
IJzerwaren, fietsen, schaatsen en vuurwapens gaan nog steeds als zoete broodjes over de toonbank. [Lees hier over de herinneringen van Herman Kloeg aan het bedrijf in 1918.]

Revolvers
In 1919 treedt een nieuwe Vuurwapenwet in werking. In het vervolg moeten al verkochte wapens geregistreerd worden. Daardoor stokt de verkoop niet. Vooral revolvers blijven populair.
In 1920 neemt Herman afscheid van de zaak. Hij wil ook kleiner gaan wonen. Kees Romijn betrekt in 1923 met zijn jonge gezin het pand aan de Oude Delft 107.
Tot 1923 rijdt de stoomtram over de Oude Delft met een halte op de hoek van de Binnenwatersloot. Kees Romijn is groot voorstander om ook de elektrische tram over de Oude Delft te laten rijden. Bij een familiefeest wordt hij daar nog eens mee geconfronteerd:

‘K’ is van Kees, die houdt zo van de tram
Ach, dat ie toch over het Oude Delft kwam!
Doch, hoe men vergaderde en weende van verdriet
De raad had er maling aan en … d’electrische komt er niet.



De stoomtram op de Oude Delft op zijn laatste rit in 1924. (fotograaf onbekend)

Tijdens de vooroorlogse crisisjaren stort de ijzerhandel in. Aannemers, vaste klanten en industrie hebben nauwelijks meer werk en bestellen weinig. De financiële reserves raken op. In 1937 moet Kees Romijn de firma H. Romijn & Co liquideren. De familie Romijn verhuist in januari 1938 naar een klein winkeltje op de Boterbrug. Kees begint daar een nieuwe firma: Romijn’s Handels Onderneming.

Middenstanders aan bankiersgracht
De in 1927 opgerichte Nederlandse Middenstandsbank heeft aanvankelijk in Delft een bescheiden kantoor op de Binnenwatersloot. In 1938 weet deze jonge bank via een huzarenstukje de bouwval, die eens een ijzerwinkel was geweest in handen te krijgen met behulp van een stroman. Door een faillissement was het pand in bezit gekomen van een andere bank. Als deze bank ontdekt dat de NMB de koper is, zijn de rapen gaar. Een middenstandsbank hoort immers niet thuis op de deftige bankiersgracht! 
De nieuwe eigenaar besluit het verwaarloosde pand aan de Oude Delft 107 te vervangen door een geheel nieuw pand naar ontwerp van de Amsterdamse architect P.J.S. Pieters. Het moet een degelijk pand worden met een moderne uitstraling. De gemeentelijke schoonheidscommissie gaat akkoord, maar vindt de hoge topgevel van het oorspronkelijke ontwerp te ver gaan. Het privé-kantoor van de directeur wordt geïsoleerd met dubbele deuren en ramen. In de kelder komt een zware kluis en een ruimte voor het archief. Op 16 maart 1939 wordt het nieuwe kantoor feestelijk in gebruik genomen.
Voor de veiligheid wordt het pand aan de achterzijde in 1960 dichtgemaakt. De achteruitgang in de Kloksteeg komt te vervallen om mogelijke bankovervallers niet in de kaart te spelen.


De bank nog in volle glorie, begin jaren ’60. (Fotograaf onbekend)

Kantoor Delftsche Courant
In 1981 krijgt de uitgever van de Delftsche Courant vergunning om de kantoorruimten van de Oude Delft 107 en 109 samen te voegen en de winkel en bovenruimte van Oude Delft 105 bij haar nieuwe kantoor te betrekken. In 2005 wordt de krant opgeheven. Ondertussen heeft op de begane grond in de jaren ’90 al een zonnestudio zijn intrek genomen in het pand. Ook zij begint met verbouwen. Inmiddels is niets meer bewaard gebleven uit oude tijden, met uitzondering van de kluis uit de tijd van de bank.

Frans van der Sman en Kees van der Wiel


Oude Delft 107 in 2020 (foto Wikipedia)


Waszegel van schepen Gerrit Hendricksz van ’s Gravesande (Zegel aan charter 9009, stadsarchief)


Familiewapen van Pieter Ronaer, in 1638 schutterskoning bij de Confrerie van de Handbusche. (Collectie vdr Lely, stadsarchief)


Portret van Anna Dircksdr van Bleyswijck (1603-1688), schilder onbekend. (Collectie Frans Halsmuseum, Haarlem)


Deze dame uit de familie Teding van Berkhout is hoogstwaarschijnlijk Jacoba (1670-1750), geschilderd door Pieter vdr Werff in 1708. (privé-collectie)


Stucwerk van Joseph Bollina in de hal van het Fundatiehuis Oude Delft 49.


De plattegrond van de ijzerhandel Leeuwenberg in 1832 ingetekend op de oudste kadasterkaart.


De plattegrond van de ijzerhandel Leeuwenberg omstreeks 1880, toen ook twee panden aan de Binnenwatersloot als ‘nikkelwinkel’ deel uitmaakten van de zaak, ingetekend op de kadasterkaart van 1882.


De plattegrond van de ijzerhandel Romijn begin 20e eeuw ingetekend op een kadasterkaart uit die tijd.


Advertentie in de Delftsche Courant van 24 januari 1868.


Goverinus Leeuwenberg omstreeks 1870.


Mededeling in de Delftsche Courant van 10 juni 1883.


Advertentie, NRC 24 januari 1885.


Delftsche Courant, 1 januari 1890.


Advertentie in de Delftsche Courant van 13 april 1890.


Herman Romijn.


Overdracht van de zaak.
Delftsche Courant, 1 januari 1897


Advertentie in de Delftsche Courant van
24 februari 1919.


De plattegrond van het nieuwe bankgebouw in 1939, opgemeten door de landmeter van het kadaster.


Eerste Steen van het bankgebouw zou gelegd zijn 18 oktober 1937. Dat is geschiedvervalsing. De bank had haast, maar aannemer J.N. Kranenburg kreeg pas 14 mei 1938 de opdracht om het pand te gaan bouwen. Donderdag 16 maart 1939 werd de nieuwe bank feestelijk geopend.


De loketten van de nieuw geopende Middenstandsbank, (Foto NMB)


De kluis in de kelder van de bank. (Foto NMB)
Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Oude Delft 107

Geplaatst: 16 juli 2025
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft