Eind vorige eeuw was ze bijna ten
dode opgeschreven (in 1993 lag de sloopvergunning klaar), maar
inmiddels is ze prachtig gerestaureerd en heeft talloze geheimen uit
haar verleden prijs gegeven: Hoeve Nooit Gedacht aan de
Noordeindseweg 42 in Delfgauw, vanuit de stad gezien op een
steenworp afstand achter IKEA. Wie er langs fietst zal nauwelijks
vermoeden dat het hier om een eeuwenoude boerderij gaat. De
voorgevel met zijn kruiskozijnen en oude ontlastingsbogen ligt
namelijk niet aan de weg. In de zuidgevel, die tegenwoordig te zien
is vanaf een nieuw aangelegde zijweg naar de achterliggende kassen,
pronkt wel het jaartal 1676. Maar dat duidt slechts op de leeftijd
van een forse aanbouw. De boerderij zelf blijkt minstens een eeuw
ouder.

Drone-opname uit 2022 van de de boerderij van boven, op de
voorgrond de Noordeindseweg. (Foto Pepijn van der Ree) |
Hallehuis
De boerderij is van oorsprong gebouwd als hallehuis. Zo’n
hallehuisboerderij heeft als kenmerk dat het dak gedragen wordt
door een vrijstaand houtskelet. De staanders van het skelet
verdelen de rechthoekige ruimte (de hal) in drie delen. Het
belangrijkste constructief element van dat houtskelet is het
ankerbalkgebint. In Nooit Gedacht is dat van eikenhout en heeft
sleutelstukken met een zogenoemd ‘ojiefprofiel’ dat wijst naar een
tijd van voor of rond 1600. Twee spanten van de eikenhouten
kapconstructie hebben nog de telmerken waarmee de timmerman de
constructie als bouwpakket ter plekke in elkaar kon passen. In de
kapconstructie tussen twee zolders zit een prachtig eikenhouten
deurtje van geprofileerde delen uit de 17e eeuw, compleet met
origineel hang- en sluitwerk uit die tijd.

Drie verschillende ontlastingsbogen naast elkaar in de
voorgevel, links een zogenoemde ‘spitsboog’, midden een
‘ezelsrugboog’ en rechts een samengestelde boog. (Foto Hans
van ’t Zet) |
Ontlastingsbogen en gevelankers
De voorgevel heeft door de eeuwen heen nogal eens een verbouwing
ondergaan. Maar wat gebleven is dat zijn de vier fraaie
ontlastingsbogen boven de oorspronkelijke vensters. Zij hebben
alle vier een andere vorm (een ‘spitsboog’, een ‘ezelsrugboog’ en
een combinatie van ‘rondbogen’ en een ‘korfboog’). Deze zijn
decoratief en zeldzaam voor de streek.
De twee gevelankers tussen de ontlastingsbogen hebben de vorm van
een Franse lelie. Vanaf 1575 wordt dit sierwerk onder invloed van
de renaissancestijl gemaakt. Ook de oude ‘Dordtse’ stenen in de
gevel verwijzen naar die tijd.
Vondsten in de grond
De hoeve heeft een kleinere voorganger gehad. Dat verraden de
fundamenten die binnen de muren van Nooit Gedacht zijn opgegraven.
Ook ontdekte archeoloog Epko Bult een grote bruine cirkel met
verkleuringen in de grond. Dit duidt op een middeleeuwse
stookplaats met een open vuur. Bij de later gemaakte stookplaats
tegen de brandmuur zijn scherven van aspotten gevonden. Deze
werden gebruikt om het vuur ’s nachts te laten doven en smeulen,
om ’s morgens gelijk weer vuur te kunnen maken. Ook werd een
stenen keldertrapje blootgelegd naar de kleine melkkelder van het
hallehuis.
Melkkelder
Het jaartal 1676 in de zuidgevel verwijst naar een forse
uitbreiding van de boerderij. De koeienstal is toen een slag
gedraaid en het hallehuis krijgt aan de zuidzijde een aanbouw in
de vorm van een opkamer en een grote melkkelder daaronder. Daarmee
krijgt de boerderij haar huidige U-vorm. De verbouwing markeert de
omschakeling van gemengd akkerbouwbedrijf naar melkveebedrijf. De
muren van de uitbreiding zijn in tegenstelling tot de oude
voorgevel gemetseld met IJsselstenen, die na 1600 op de markt
komen. De gevelankers in deze muren zijn zonder opsmuk, maar
hebben wel een Andreaskruis als smidsteken. Die smidstekens vinden
hun oorsprong in het diepgewortelde volksgeloof.
Boter maken
Sinds de boerderij overschakelt op melkveehouderij is het maken
van boter hoofdzaak. Dichtbij de stad Delft als afzetgebied is dit
niet verwonderlijk. Delft was eeuwenlang vermaard om zijn beste en
duurste boter van Holland. Het was bovendien een succesvol
exportproduct. Boter maken is de taak van de boerin en die
vaardigheid werd jarenlang van moeder op dochter doorgegeven. De
boerin karnde de melk handmatig tot boter in een karnton. Later,
waarschijnlijk in de 19e eeuw, kreeg de hoeve daarvoor een
karnmolen waarin een paard dit zware werk verrichtte door steeds
hetzelfde rondje te lopen. Die molen stond in de bovengenoemde
U-bocht tussen de melkkelder en de stal.
Eind 19e eeuw komt de Deense concurrentie opzetten. Zij
introduceert een nieuw procedé om de melk af te romen dat sneller
en hygiënischer werkt. Hoofdonderdeel hiervan is het koelen van de
melk met stromend water in gemetselde koelbakken. De Hollandse
boerinnen voeren met tegenzin de vernieuwing in.
Ook de melkkelder van Nooit Gedacht verandert in die tijd in een
‘Deense’ kelder met drie melkputten of koelbakken. Ze bleken na
het heropenen van de kelder nog steeds aanwezig.

De karnmolen (die op het laatst dienst deed als
toilethuisje) wordt bij de renovatie naar een andere plek op
het erf getakeld. (Foto van de auteur) |
Hoe oud is oud ?
De vraag “hoe oud is de boerderij?” blijft intrigeren, maar blijkt
lastig te beantwoorden. Op oude gebouwen kan met alle verbouwingen
en aanpassingen zelden zomaar één jaartal geplakt worden.
Sinds de ontginning van de omgeving van Delft tussen 1100 en 1200
zal op deze plek altijd zijn geboerd. Het land van de hoeve staat
valt vanouds bijna geheel onder het hofrecht van Hof van Delft.
Dat hofland van de Graaf van Holland was geen land dat verkocht
was aan vrije boeren (zoals dat in ‘Vrijenban’), maar land dat
slechts in bruikleen was gegeven aan de ontginners. Wie dat wilde
vererven of aan anderen overdoen, kon dat slechts met toestemming
van de landsheer en een daarbij behorende ‘gift’. De administratie
daarvan is eeuwenlang bijgehouden, ook toen er al lang geen Graaf
meer in Holland was. Daarom is vanaf begin 16e eeuw aan de hand
daarvan veel over de geschiedenis van de bewoners terug te vinden.
Het land, dat de boeren van Nooit Gedacht bewerkten, was bijna
allemaal hofland dat zij aanvankelijk voor het grootste deel
pachtten van allerhande verschillende verpachters. Maar
opmerkelijk genoeg is het erf waarop de boerderij zelf stond
altijd eigen grond geweest, dat niet onder het hofrecht viel.
Daardoor was de boer in de praktijk minder onderhorig, dan het op
papier lijkt.
Gemeentelijk Monument
Naast de boerderij met koeienstal en karnmolen staan (nog steeds)
op het erf een paardenstal, een wagenschuur en twee hooibergen.
Ook de plek van de wagenschuur en de hooibergen staat al eeuwen
vast, blijkt uit oude kaarten. Wel is één van de hooibergen in
1899 door brand verwoest en vervangen. Na de restauratie heeft het
pand uiteindelijk de status gekregen van Gemeentelijk Monument.
De wagenschuur bleek in 1913 aan vernieuwing toe. Een oude
kastanjeboom heeft helaas een paar jaar geleden het loodje moeten
leggen en de oude karnmolen is na grondige restauratie verhuisd
naar een ander plekje op het erf om wat meer licht in huis te
brengen.
De boeren van Nooit Gedacht
De vroegst bekende boer op deze plek is Jan Philipszoon. Vanaf
1537 staat hij als pachter te boek bij het Sint Ursulaklooster in
Delft voor een stuk grond van 11 hont (ongeveer 1,3 ha) in de
strook land achter de boerderij, die eeuwenlang bij het bedrijf in
gebruik zal blijven. Het is in de omgeving een grote boer, die bij
elkaar 28 morgen (24 ha) land pacht en in zijn tijd optreedt als
‘gezworene’ namens de buren van Delfgauw. In de registers van de
Tiende Penning uit 1561 staat zijn boerderij op deze plek
beschreven als een “woning met schuur, bargen en geboomte”. Of dit
de huidige boerderij betreft of een voorganger, is niet met
zekerheid te zeggen.

Een stuk land in de Noordpolder van Delfgauw in het
kaartboek van de bezittingen van de Abdij van Rijnsburg uit
1598, dat verhuurd werd aan boer Michiel Jansz. |
Mogelijk heeft de boerderij veel schade opgelopen toen voor het
Ontzet van Leiden in 1574 het land onder water werd gezet en is
het gebouw kort daarna stevig herbouwd. In die tijd neemt Michiel
Jansz in 1580 het bedrijf van zijn ouders over. Hij boert goed en
weet in de loop der tijd steeds meer verpachters uit te kopen.
Via zijn dochter Grietje komt, door haar huwelijk met Huich
Joosten van der Houff, de boerderij begin 17e eeuw bij de familie
van der Houff terecht. Huich en Grietje blijven kinderloos en in
1629 maken zij een testament waarin nauwgezet de boerderij wordt
omschreven. Het gaat om een ‘werf, bogerden, campe land, koebocht
ende coolthuijen’ met een ’woninge, bijhuijsinge, schueren,
bargen, geboomte, potinge en plantinge’. Een en ander strekkende
van de Noordeindseweg tot aan de Rijskade en nog een kamp land aan
de andere kant van de weg, meer zuidwaarts gelegen. Na Huichs dood
in 1660 komt de boerderij door vererving in verschillende handen,
waarbij zijn achternichtjes de weesmeisjes Marijtje en Jannetje
van der Houff, dan 8 en 3 jaar oud, het leeuwendeel op hun naam
hebben.
Maria Baersenburg-van der Houff
Als in 1676 de boerderij fors gemoderniseerd wordt, is dat het
werk van Jan Claes Langelaen, zelf dankzij zijn vrouw voor 1/4
eigenaar en voogd over de weesmeisjes, nichtjes van zijn overleden
schoonmoeder. Marijtje trouwt een goede partij (een rijke boer in
Nootdorp). Na haar huwelijk weet zij, inmiddels Maria, in de loop
der jaren het erfdeel van de meeste andere erfgenamen in de hoeve
op te kopen. Zij is meer dan een halve eeuw eigenaresse. Sinds
haar jeugd heeft zij er nooit meer zelf gewoond, maar het bedrijf
altijd verpacht.
Haar dochters verkopen in 1742 uiteindelijk de boerderij aan
Pieter van der Burgh, die in 1745, na afloop van het lopend
pachtcontract, de hoeve zelf gaat bewonen. Juist in een tijd dat
er een hevige veepestepidemie heerst. Bij de bouwmanswoning hoort
dan 23 morgen en honderd roeden onvrij Hofland en 200 roeden vrij
land (het boerenerf).
De eerste Groenewegen
In 1759 wordt Cornelis Dirkszoon Groenewegen eigenaar van de
bouwmanswoning en het land. Na hem zullen nog drie generaties
Groenewegens volgen. De koopsom van 12.925 guldens kan hij contant
betalen. De ene helft in goed grof Hollands zilver geld en de
andere helft in goed gangbaar goud geld.
Hij trouwt met Anna de Bruijn. Zij heeft een vader met geld.
Cornelis koopt niet alleen Nooit Gedacht, maar in 1772 ook een
oude kloosterboerderij van het Agnietenconvent aan de Gasthuislaan
in Delft. Het gaat hem niet om die stadsboerderij, maar om de 10
morgen land dat daarbij hoort, schuin tegenover zijn eigen
boerderij aan de andere kant van de Noordeindseweg. Hij betaalt er
4.000 gulden voor. De stadsboerderij verkoopt hij een jaar later
door voor slechts 842 gulden.
Na Cornelis’ overlijden woont zijn zoon Bruno in Nooit Gedacht,
maar hij wordt nooit eigenaar.

Roodomrand het landbezit van Cornelis Groenewegen halverwege
de 19e eeuw. |
Grootgrondbezitter Cornelis
Bruno’szoon Groenewegen
Bruno overlijdt jong en zijn moeder Anna de Bruijn bepaalt in haar
testament dat de hoeve naar Bruno’s enige kind Cornelis zal gaan.
De jonge eigenaar gaat het voor de wind. In 1832 wordt in het
Kadaster vastgelegd dat hij naast de hoeve ook het land aan de
overzijde, dat bij oma’s dood aan zijn nichtjes was toebedeeld,
weer in zijn bezit is. Ook percelen land verderop noordelijker in
het Noordeinde, ooit ook familiebezit van opa en oma Groenewegen,
heeft hij in eigendom (achter het huidige café Du Midi). Aan de
Overgauwseweg in Pijnacker is hij eigenaar van een stuk bouwland
en aan de Zuideindseweg in Delfgauw achter nummer 22 heeft hij ook
een aantal jaren bouwland in bezit.
In 1829 koopt hij 9 morgen land strekkende van de Noordeindseweg
tot aan de Delfgauwse vaart direct achter de tuinen van de
Delfgauwseweg (nu Delftsestraatweg). Terwijl zijn zoon Theodorus
op Nooit Gedacht gaat boeren, bouwt hij hier in 1860 voor zijn
zoon Arnoldus een nieuwe boerderij, nu bekend onder de naam ‘Onder
De Zeven Linden’.
Cornelis is vaste bezoeker bij de openbare verkopingen in het
logement ‘De Prins’ buiten de Oostpoort. In 1842 is hij hoogste
bieder van de stadsboerderij ‘De Drie Klaveren’ aan het Rietveld
38 en 38a (Zie Rietveld 147) in
Delft. Dit pand verhuurt hij aan zijn dochter Maria en haar man
Pieter Tetteroo.
Cornelis en zijn vrouw Machtilda Overgaag slijten hun oude dag aan
het Oosteinde in Delft (nu nummer 172).

Het gezin van Gabriël van der Maarel en Machtilda
Groenewegen voor hun boerderij omstreeks 1900. |
Vier generaties Van der Maarel
Na Cornelis woont zoon Theodorus Groenewegen zijn hele leven in de
hoeve. Na de dood van zijn vrouw blijft hij samen met zijn dochter
Machtilda en Cornelis, één van zijn twee zonen, in de hoeve.
Cornelis overlijdt op 25-jarige leeftijd en zo komt Gabriël van
der Maarel als geroepen, wanneer hij in 1892 met Machtilda trouwt.
‘Grabel’ is ambitieus. Naast het runnen van een boerenbedrijf
vervult hij meerdere bestuurlijke functies. In 1906 neemt hij niet
alleen Nooit Gedacht van zijn schoonvader over, maar is ook een
van de oprichters van de RaiffeisenBank voor Delft en omstreken
(de huidige Rabobank Zuid-Holland Midden). In hetzelfde jaar wordt
hij gekozen tot lid van de gemeenteraad van Vrijenban, de gemeente
waaronder zijn boerderij toen viel. Verder is hij polderbestuurder
van de Noordpolder van Delfgauw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is
hij commissielid van het Steuncomité Vrijenban, dat zich als doel
stelt ‘het steunen van gezinnen van miliciens, landweerplichtigen
en die door den oorlog werkloos geworden zijn’. En de Vereniging
van Kaasproducenten van Delft en omstreken hebben aan hem een
goede secretaris.
In 1924 maken Grabel en Machtilda plaats voor hun zoon Theodorus
en zijn bruid Maria van der Loos. Zij laten op hun beurt in 1959
in de boomgaard van de boerderij een nieuw huis bouwen, zodat hun
zonen Grabel en Herman kunnen gaan trouwen. Om beiden te kunnen
huisvesten moet de woning in de boerderij worden gesplitst. Een
fatale beslissing. Met die rigoureuze verbouwing gaat veel ouds
van de hoeve verloren.
Laatste boer vertrekt
De laatste boer is Theo van der Maarel, zoon van Herman. Hij
vertrekt in 1992 samen met zijn koeien naar een nieuwe boerderij
Nooit Gedacht in Hazerswoude. De oude hoeve is te klein geworden
om het steeds grootschaliger boeren het hoofd te kunnen bieden.
Met zijn vertrek komt een einde aan vier generaties Van der Maarel
boeren en Nooit Gedacht stopt boerderij te zijn.
Jan en Fia de Wilde kopen de oude boerderij en nemen de taak op
zich hoeve Nooit Gedacht in ere te herstellen. Door de jarenlange
verhuisplannen van de boer is de boerderij met het erf heel slecht
onderhouden. Het restauratieproject is zo omvangrijk, zodat stap
voor stap en naar gelang urgentie de werkzaamheden zoveel mogelijk
door Jan zelf worden uitgevoerd. Daarbij moet hij nog zijn eigen
bouwbedrijf draaiende houden. Met ieder vrij uurtje maakt hij meer
dan vijf jaren lang, hoeve Nooit Gedacht weer zoals zij was!
Fia de Wilde-Piso
Wie meer wil weten over de
boerderij en haar geschiedenis kan terecht bij het boek: Hoeve
Nooit Gedacht, meer dan vijf eeuwen boeren (2022)

De boerderij in wintertooi vanaf de nieuwe Kooltuin(weg).
(Foto van de auteur) |
|
|
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

De voorgevel van het huis, vanaf de weg gezien aan de achterzijde.
(Foto H. Zonderland)

Reconstructietekening van de voorgevel van de boerderij vóór 1676
door Willem Annema, met daarin de volgende details: 1 Wolfseind
rieten dak, 2 Boerenvlechtingen in metselwerk, 3 Ontlastingsbogen in
metselwerk, 4 Kruiskozijnen, 5 Kloosterkozijn, 6 Opkamertje en 7
Melkkeldertje.

De dragende constructie van de boerderij bestaat uit
‘ankerbalkgebinten’ . De zware eiken moer- of ankerbalken (3) zijn
daarbij met een sleutelstuk (4) en een korbeel (6) verbonden met de
verticale muurstijl (7). Bij de verbinding van die onderdelen zijn
houten toognagels (5) gebruikt. Op de moerbinten liggen kinderbinten
(1), met daarboven het zogenoemde ‘spreidsel’ (2), de bekleding van
de (eiken) vloerplanken. (Foto van de auteur)

Gevelanker in de vorm van een Franse lelie. Die versiering kwam
vanaf 1575 in de mode.

Een aspot die onder de vloer werd aangetroffen. (Foto van de auteur)

Voor de renovatie van de welput in de melkkelder moet Jan zelf de
put in. (Foto van de auteur)

Oude hardstenen plaat met ronde gleuven, waarin vroeger de karnton
paste.

Een tekening van een karnmolen op paardenkracht uit het boek
‘Natuurlijke Historie van Holland’ van Le Francq van Berkhey uit
1811.

De Deense melkkelder met koelbakken, die onder het puin tevoorschijn
kwam. (Foto van de auteur)

De huidige bewoners voor de gevel van de melkkelder en opkamer uit
1676. (Foto Antonie de Wilde)

Een boerenechtpaar op een gravure van Lucas van Leyden uit 1510.
(Collectie Rijksmuseum)

“Michiel Jansz als erfgenaam van Jan Philipsz” staat hier te boek
als pachter van elf hont land (circa 1,5 ha) van het Delftse
Ursulaklooster bij de inventarisatie van de bezittingen van dit
klooster, toen het in 1573 bij de Reformatie onteigend werd. Zijn
vader huurde dit stuk land al sinds 1537.

De percelen grond die Jan Philipsz in 1561 rond zijn broederij
pachtte van diverse eigenaren. (Klik het beeld aan voor een
vergroting)

Een kijkje in de melkkelder, waar een boerin met een houten nap de
room uit een platte schaal (‘melkmouw’) schept in een ton of
‘roomstaaar’. Op de plank daarboven staat melk te romen in
‘melktesten’ van rood aardewerk. Afbeelding uit Natuurlijke Historie
van Holland van Le Francq van Berkhey.

De boerderij met moestuin en boomgaard op de eerste kadasterkaart
van 1826. (De ingekleurde percelen zijn onderdelen van het erf.)

17e eeuws eikenhouten deurtje op de zolder.

De boerderij in de winter van 1930 van de weg af gezien.

Advertentie voor de oprichtingsvergadering van de Raiffeisenbank
Delft en omstreken in de Delftsche Courant van 26 maart 1906. G. van
der Maarel was een van de initiatiefnemers.
Gabriël van der Maarel en Machtilda Groenewegen.

Herman van der Maarel en zijn zoon Theo in 1992, vlak voordat de
laatste het bedrijf verplaatste naar Hazerswoude.
|
Gedicht van Jantien Dijkstra
uit haar bundel Wandelaar:
Noordeindseweg 42
Naar noord, en eindeloos gelegen
ligt door de tijden gepolijst
een plek die naar het leven wijst
waar eeuwen bleven voortbewegen
Hier kom je nog verhalen tegen
het ros dat in een cirkel reist
de stal die naar het vee verwijst
waar mens en dieren adem kregen
Hoor de kastanjes hun verhalen
zingen in de volle wind
voor mannen, vrouwen, dieren, kind
in oude en in nieuwe talen
waardoor de mens zijn wortels vindt
en toekomst uit de tijd kan halen.
|
|