Molenstraat 26-28
www.achterdegevelsvandelft.nl

Met een rente voor ‘sijns kints onderhoud’

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Het huidige pand Molenstraat 26-28 is gebouwd in 1871 als “brandstofpakhuis met bovenwoning”. Begin vorig eeuw was hier een zaaltje waar socialistische propaganda werd bedreven en tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een gaarkeuken gevestigd. Daarna is het pand heel lang ingelijfd geweest bij de bakkerij van het pand ernaast. (Zie Molenstraat 22-24)
Ooit stonden hier in vroeger eeuwen meerdere huisjes achter elkaar, deels langs de Kantoorgracht, die via een poort in verbinding stonden met de Molenstraat. In de 18e eeuw droeg die poort de naam “Kalckpoort”. Toen de stad in de 18e eeuw ontvolkte, raakten deze huisjes op den duur allen onbewoond en werden, voor zover nog aanwezig, tot 1870 gebruikt als pakhuis en stal.

Bezorgde weduwnaar
Bij de stedelijke registratie van onroerend goed in 1585 in het zogenoemde ‘huizenprotocol‘ worden op deze plek drie huizen beschreven die eigendom zijn van moutmaecker Willem Steevensz. Het huis voor aan de straat verhuurt hij in 1600 aan een bakker en zelf woont hij in het huis daarachter. Daar weer achter stond aan de gracht nog een derde huisje dat hij ook verhuurt. Verder wordt in 1600 een oven vermeld op het perceel achter waar nu Molenstraat 22-24 ligt. Die oven zal wel door de bakker aan de straat zijn gebruikt.


Volksoploop in de Molenstraat in 1901. Foto G. Niestadt.


Recente foto van het pand.


Gevelsteen van de nieuwbouw in 1871 door J.F. Coppenrath.



Willem Steevensz overlijdt in 1611. Hij is dan weduwnaar met zes kinderen. Vlak voor hij zijn dood voelt naderen laat hij een testament maken. Daarin verklaart hij dat het zijn wens is dat ‘sijn huijsinge strekkende uit de Molenstraet noortwaerts tot in de delfe’ niet verkocht wordt, maar dat uit de inkomsten daarvan de jongste kinderen zullen worden onderhouden en ‘groot gemaakt’ tot zij de leeftijd van 18 jaar hebben.
Een maand later laat hij weer de notaris komen om zijn andere kinderen op te dragen vooral te zorgen voor zijn jongste dochter Aeltje die nog geen zes jaar is. Uiteindelijk belandt Aeltje kennelijk in het weeshuis. Die instelling vestigt namelijk in 1618 een jaarlijkse rente van 60 gulden op het huis “voor sijn kints onderhoud”. Hetgeen min of meer in de geest van het testament is. Het huis behoort dan nog steeds tot de onverdeelde boedel. Uiteindelijk wordt het is eigendom van de oudste zoon, opperbrouwer Steeven Willemsz. Later wordt in het huizenprotocol ene Steeven Michielsz genoemd, die ook opperbrouwer is. Of hiermee dezelfde persoon is bedoeld, is niet geheel duidelijk.

Executieverkoop
Het gaat echter niet zo goed met Steevens financiën. Hij moet steeds meer hypotheek op het huizenbezit nemen. Uiteindelijk gaat Steeven Michielsz failliet en neemt Pieter Gerritsz Eltrichoven op een executieverkoop alles over voor 700 gulden, waarbij de 500 gulden schuld kunnen worden ingelost. Eltrichoven, die meer huizen bezit, verhuurt de drie huizen. Bij de buskruit-ontploffing van 1654 heeft hij hier 250 gulden schade. Daarna blijkt er in 1656 nog een huisje bijgekomen te zijn en worden er geen twee maar drie huizen vermeld “in de poort”.

Put en secreet
De erfgenamen van Eltrichoven verkopen in 1688 de voorste drie huizen aan metselaar Pieter van Houten, en het achterste aan Johannes van der Schooff, alles in verhuurde staat. In de koopakte voor Pieter van Houten wordt de situatie als volgt omschreven “drie huysen ende erve staende en gelegen binnen dese stadt aen de noortsij van de molestraat ten westen eene gemeene poort streckende voor van der straete tot aen het volgende de tweede andere voorschreven huisen staende inde voorsegde gemene poort beneffens de andere, belent ten noorden t huys gecogt bij Johannes van der Schooff”. Dat is een mondvol. Bij de koop van de achterste huizen behoorde ook het gemeenschappelijk gebruik van de poort en de gang tot aan de gracht, en een open plaats met daarop put en secreet.


Met aquarel ingekleurde pentekening van Arthur Tutein Nolthenius, circa 1950. In beeld de zuidzijde van de Molenstraat met zicht op de bomen van de Voorstraat en de Kolk en daarachter molen De Roos.
Snoepwinkeltje
Van de bewoners van deze huisjes weten we weinig. In 1731 wonen twee vrouwen in het voorste huis en zijn de drie achterliggende huisjes ieder verhuurd aan één persoon.
Tot ca 1810 hebben de huizen opeenvolgende huisbazen. In 1809 is alleen het huis aan de straat nog bewoond. Hier drijft vrouw Arendse een tabak- en snoepwinkeltje. Een jaar later betaalt zij voor haar nering al geen patent meer. Tegen die tijd zijn deze pandjes in zo’n slechte staat en brengen zo weinig op dat afbreken goedkoper is. Volgens het bevolkingsregister van 1815 hebben alle drie de pandjes de status van ‘pakhuis’.

Nieuw pakhuis met bovenwoning
In 1829 koopt de bakker van het pand ernaast het enig overgebleven pand, aangeduid als ‘pakhuis of stalling’, aan voor fl 275. (zie Molenstraat 22 – 24) Het pand blijft bij de bakkerij horen tot 1866 als het weer apart verkocht wordt om er turf op te slaan. In 1871 is het bouwsel in bezit van Catharina van Loenen. Haar man, de brandstoffenhandelaar Johannnes Frederik Coppenrath, besluit alles te slopen en het huidige pand te laten neerzetten: een werkplaats met open grond en een aparte bovenwoning. Er is nog een afgesleten gevelsteentje met daarop de letters ‘J.F.C.’ en de datum ’17-4-1871’.
Daarna komt een reeks van eigenaren, die vrijwel allen verhuren. Geruime tijd zit in het pand een wijnhandel. In 1895 krijgt de eigenaar vergunning om nieuwe kozijnen te plaatsen. Rond 1900 is er timmerwerkplaats.

Actiekantoor
In 1906 wordt het eigendom van de Nederlandse Glasblazersbond, die er een soort links actie-kantoor van maakt, waar geregeld politieke bijeenkomsten gehouden worden. Een van de bewoners is dan de kantoorbediende L.J. Koster, die een van de oprichters is van de woningbouwvereniging “De Goede Woning”. Als die hun eerst woningen hebben gebouwd in de Warmoezierstraat in Hof van Delft, trekt hij daarheen. Het pand is dan al verkocht aan ex-bestuurslid Servatius Baart van de ondertussen geliquideerde glasblazersbond.

Uitbreiding van bakkerij ernaast
Baart verkoopt het pand in 1914 vervolgens weer aan de bakker van nummer 22, Jan Hanhart, voor opslag en kantoor. In 1924 laat zijn zoon, Philippus Hanhart, erachter een uitbreiding maken tot aan de gracht waarin werkplaats, tweede ovenruimte en meelzolder. Door zijn opvolger wordt het ook zo gebruikt tot 1980, dan sluit de bakkerij op nummer 22 zijn deuren en nummer 26-28 wordt weer apart verkocht.
Na een paar aanpassingen is het vervolgens wisselend in gebruik als kantoor en werkplaats. Molenstraat 26 is het huisnummer beneden en 28 is voor de bovenwoning. Sinds 2015 zit er een winkel in tweedehands spullen.


Ansichtkaart van circa 1920. Het pand schuin achter de handkar is Molenstraat 26-28.


Voor- en achterbebouwing op de oudste kadasterkaart van 1823.


In 1924 werd het pand uit 1871 met een uitbouw verlengd tot aan de Kantoorgracht. Veldtekening, Kadaster.


Turfopslag, nog in het oude pakhuis. Delftsche Courant, 17 mei 1867.


Reclame van wijjnhandel H. van Holk. Delftsche Courant, 2 juli 1890.


Delftsche Courant, 5 februari 1901.


Delftsche Courant, 9 maart 1908. Koster was op dit adres zeer actief voor de nieuwe woningbouwvereniging.


Delftsche Courant van 16 maart en 24 september 1910. De genodigde sprekers, David Wijnkoop en Lou de Visser, zouden later vrij bekende communistische Kamerleden worden.


Tijdens de voedselschaarste aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd in dit pand een gaarkeuken ingericht. Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage, 31 dec 1917.


Nieuwjaarswens, Delftsche Courant, 31 dec 1922.

Els Emeis


 
>> Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Molenstraat 26-28
Geplaatst:  2007 / Laatste wijziging: 6 november 2020
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft