Lange Geer 24, 26 en 28
www.achterdegevelsvandelft.nl

De Metalen Pot

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

Het fraaie oude geveltje van Lange Geer 28 was een eeuw geleden ernstig in verval. De eigenaar, de Gereformeerde Kerk, kreeg een aanschrijving van Openbare Werken daar wat aan te doen. Vereniging Hendrick de Keyser had wel belangstelling om het te kopen en te herstellen, maar de kerk vond het bod te laag. Uiteindelijk zou het nog tien jaar duren voor het tot een restauratie kwam. Een particuliere eigenaresse liet het nog mooier maken dan het was, met een quasi 17e-eeuwse luifel en een nieuwe topgevel.
Eeuwenlang had het pand een dubbelganger met een nog mooiere en hogere gevel op de plek van het huidige Lange Geer 24/26. Ooit vormden beide panden samen de brouwerij genaamd “De Metalen Pot”. Vervolgens werden beide in 1639 kantoor en pakhuis van de Kamer Delft van de West-Indische Compagnie. Eind 17e eeuw werd het dubbelpand een plateelbakkerij, die “de Metaale Pot" opnieuw als merknaam omarmde.
Gedurende de 19e eeuw huisde in de twee panden ruim honderd jaar een blokmakerij, die scheepsbenodigdheden vervaardigde. Pas kort voor de restauratie zijn de twee huizen voorgoed van elkaar gescheiden.


De twee gevels van de Metalen Pot op de Kaart Figuratief uit circa 1675. Vermoedelijk zat het meest representatieve deel in het rechterpand, dat de WIC-tijd bekroond werd met een scheepje op de top. Of het hoogteverschil tussen de beide panden zo groot was als het hier lijkt, is gezien het gelijke aantal verdiepingen overigens wel de vraag.

Dubbele renaissancegevel
Hoewel het huis in een deel van de stad ligt dat in 1536 niet door de brand verwoest werd, heeft de gevel van nummer 28 toch alle kenmerken van de 16e eeuwse Hollandse renaissancestijl die huizen van kort na de brand kenmerken, zoals de geprofileerde overkragingsbogen op consoles boven de begane grond en geblokte ontlastingsbogen boven de vensters daarboven, doorlopende waterlijsten en versierde muurankers in de gevel. Achter de gevel zijn nog oude consoles te vinden waarop een vloer van eiken moer- en kinderbinten rust. Op de zolderverdieping ligt een afwijkende balklaag met evenwijdig liggende eiken hoofd- en tussenbalken, waarschijnlijk om meer gewicht te kunnen dragen.
Het tweelingpand, nu nummer 26, had volgens de Kaart Figuratief van circa 1675 een afwijkend uiterlijk. Het had een opvallende gebogen halsgevel die hoger reikte dan die de huidige van Lange Geer 28. Volgens een latere koopakte werd ze in de tijd van de WIC bekroond met een vaantje in de vorm van een scheepje.


Dwarsdoorsnede van Lange Geer 28,
na de restauratie in 1935.

Gevel en kap sinds de restauratie.
   

Brouwerij
De bouwer van het dubbele pand was vermoedelijk de bierbrouwer Pieter Jacobsz Bom, die hier halverwege de 16e eeuw de huizenbelasting betaalde. Mogelijk was hij een telg van de adellijke familie Bom van Cranenburch, al voerde hij die laatste toevoeging niet. Zijn broer Cornelis was brouwer hij Dordrecht. Een andere broer, Anthony, maakte volgens zijn grafsteen in de Oude Kerk in de jaren 1551-’54 een bedevaartstocht naar Constantinopel en Jeruzalem.
Na de dood van Pieters weduwe kwam de brouwerij in handen van een lid van de in Delft alom aanwezige regentenfamilie Van der Dussen: Bruijn Jacob Bruijnsz, die in 1579 als brouwer ook het burgemeestersambt bekleedde. Zijn zoon Claes Bruijnsz liet zich in 1597 inschrijven als brouwer om de zaak te kunnen overnemen na de dood van zijn moeder. Zijn vader was al acht jaar eerder overleden.
De brouwerij heette destijds nog gewoon “de Pot”. Dat werd echter al snel “de Metalen Pot” toen zijn broer Dirck Bruijnsz even verder op de gracht (ter hoogte van nr 50) ook een brouwerij De Poth begon, die ter onderscheid als “de Poth met de Croon” of “Gekroonde Pot” door het leven zou gaan.
Het bedrijf van Claes telde in 1600 twee ketels en twee eesten, zoals de meeste brouwerijen, maar beschikte verder nog over zes andere stookplaatsen. In 1639 stopte Claes met bier. Veel van zijn collega-brouwers waren hem daarin al voorgegaan. Hij verkocht het dubbele huis aan de West-Indische Compagnie voor het destijds stevige bedrag van fl 11.500.

West-Indische Compagnie
Tot de kooplieden die bij de WIC aan de Geer hun besognes hadden behoorden onder meer Arent de Graeff van Koornmarkt 32, Jacob Hoogenhouck (Koornmarkt 75), Gerrit de Graeff (Brabantse Turfmarkt 93), Jan van Segvelt (Koornmarkt 111), Boudewijn de Man (Oude Delft 126) en Cornelis van der Houve (Oosteinde 135). Zie voor hun handel in Africa en de West de bovengenoemde adressen op de site.
Een groot deel van het pand zal dienst hebben gedaan als pakhuis, evenals een twee jaar later aangekocht huis daarachter op het Achterom. Maar in een van de twee panden was ook een fraaie vergaderkamer met goudleren behang, waar onder meer een staande klok (horlogie) stond en een kachel, blijkt uit de verkoopakte van 1670, toen die spullen werden overgenomen. Ook was er een ‘comptoir’ met een groot aantal boekenplanken voor de administratie.
Boekhouder van de Kamer Delft van de toenmalige West-Indische Compagnie was Cornelis Willemsz van der Burch. Hij woonde tot 1651 recht tegenover op de tegenwoordige Korte Geer. Dat huis is eind 17e eeuw afgebroken voor de uitbreiding van het Armamentarium. Zijn (particuliere) boekhouding is bewaard gebleven in het Nationaal Archief. Het betreft onder meer de verrekening van zijn deelname in 37 scheepsreizen naar Africa (vooral Angola) en West-Indië (Brazilië en Curaçoa) tussen 1643 en 1673. Met welke producten hij die winsten of verliezen behaalde, komen we uit die boeken helaas echter vrijwel niet te weten.

Buit
Dat het bij de WIC niet alleen ging om reguliere handel, maar ook om kaperij is uit de heldendaden van Piet Hein ruimschoots bekend. Ook de Delftse Kamer liet zich op dat punt niet onbetuigd, getuige een notariële verklaring uit 1656 van een aantal scheepsmaten van het schip ‘de Kater’ (onderweg omgedoopt in ‘de Duiff’) die op hun reis voor de Kamer Delft naar Africa tijdens een zeeoorlog een Engels schip buit maakten. Het gekaapte schip vervoerde 92 of 94 ‘negerslaven’. Het werd inclusief 57 ‘negers’ doorverkocht aan een Zeeuwse slavenhandelaar. De kapitein van de Kater die was overleden, werd door de bemanning in Gabon begraven. Ook de overige slaafgemaakten werden daar verkocht en de opbrengst verdeeld onder het scheepsvolk. Zeer tegen de wil van de getuigen, beweerden zij bij de notaris.
In 1671 werd de eerste WIC ontbonden en daarmee ook het kantoor aan de Lange Geer opgeheven. De gangbare lezing is dat de Compagnie de gevolgen van het verlies van Brazilië in 1654 en de dure oorlog met de Portugezen daarover nooit meer te boven is gekomen. Uit Van der Burch’s boekhouding blijkt echter dat hij tot aan zijn dood in 1676 nog heel wat winsten in de Afro-Amerikaanse handel wist te boeken.

Plateelbakkerij
De “Metale Poth” werd in 1670 verkocht aan aardewerkhandelaar Willem Cleffius. Deze had toen reeds belangen in twee andere plateelbakkerijen in Delft: de ‘Witte Starre’ aan de Oude Delft en de ‘Pauw’ aan de Koornmarkt. Vermoedelijk was de leiding van de Metale Pot vanaf het begin in handen van zijn zoon Lambertus Cleffius, die in 1667 de meestertitel als plateelbakker behaalde, en het bedrijf in 1679 zou erven.
Behalve de twee huizen omvatte het bedrijf ook een grote tuin daarachter die aan de noordkant doorliep achter naastgelegen de grutterij Abrahams Offerande (nu Lange Geer 30). Achter dat pand stond een groot pakhuis. Aan de andere zijde van de tuin was een oude loods die in 1674 vervangen werd door een nieuwe. Daarmee lag het bedrijf aan de achterzijde als het ware ingeklemd tussen de concurrenten de Drie Astonnekes aan de noordzijde (nu nr 32/34) en ‘Het Fortuin’ aan de zuidzijde (nu nr 22). Vanuit het achtererf had het bedrijf recht van overpad door de Messchen- of Meerminnenpoort, die het bedrijf scheidde van Het Fortuin (het huidige toegangspoortje naar de Zuiderkerk).
Het bedrijf verkocht haar Delfts-blauwe aardewerk, maar ook ‘rode’ theepotten, niet alleen in heel Nederland, maar ook in Engeland, Parijs, Brussel, Hamburg en aan adellijke afnemers in Bohemen.
Toen Lambertus in 1691 overleed, liet hij zes jonge kinderen achter. Daarom werd er een uitvoerige boedelinventaris opgemaakt. In het voorhuis en het ‘zalet’ van de winkel stond een uitstalling aan monsters en show-exemplaren van de productie. Op vijf zolders en in het pakhuis lagen honderden dozijnen botergoed, kopjes, schotels, kannen, flessen, bloempotten, wijwaterbakjes, theepotten en ‘kloekkarels’ in al dan niet afgebakken staat op klanten te wachten. (Zie hier de complete lijst met voorraden.)


Een theepot van rood Chinees aardewerk, zoals de Metaale Pot ze wist na te maken.

Twee polychrome muzikanten, gemaakt door de Metaale Pot circa 1700-1715. (Collectie Rijksmuseum)

Kijkje achter de gevel
Uit de beschrijving is moeilijk op te maken in hoeverre woon- en bedrijfsruimten van elkaar gescheiden waren. Vermoedelijk beperkte de woonruimte van de plateelbakker zich niet tot één van de twee panden. In het voorhuis stonden twee panelen met goudleer en hingen diverse kaarten. Op een ‘gemardeld’ (gemarmerd) geschilderde tafel met gesneden voet stonden aardewerken bloempotten en ‘bloemflessen’ met tuiten, tegenwoordig tulpenvazen genoemd. Ze worden als privé-bezittingen beschreven, maar stonden waarschijnlijk in dezelfde ruimte als de winkeluitstalling.
Dat gold niet voor het ‘zijzaleth’ aan de straat dat dienst deed als muziekkamer met een klavecimbel van de beroemde Antwerpse bouwer Andreas Rücker en de klavecord, een klein soort klavier, voorloper van de piano. Aan de muur hing daar een ‘boerenkeukentje' van Adriaen van Ostade en diverse beschilderde porseleintableau’s in ebbenhouten lijst, waaronder een landschap en een ‘zeetje’ van de plateelschilder Frederik van Frytom. Ook hingen er diverse portretten, waaronder van de moeder van de overledene.
In de gang hing een aantal wereldkaarten en een familieportret van de vrij onbekende schilder Ysbrand van der Laan.

Wandschildering
In een groot ‘zaleth’ waren wanden bekleed met een beschilderd behang met een landschap aan weerszijde van de schoorsteen en een ‘zeestuck’ boven de schoorsteen en boven de deur. In 1950 meldden verschillende kranten dat in het pand Lange Geer 26 bij het verwijderen van behang in de voorkamer de restanten van een kunstige wandschildering op jute te voorschijn was gekomen. Wat er vervolgens met die vondst gedaan is, blijft duister.
In ditzelfde zaleth hingen verder overigens ook nog een aantal schilderijen waarvan de maker niet genoemd werd. Ook in de ‘blauwe kamer’ met een Sackerdannen (teakhouten) tafel en kast hingen er veertien met allerhande taferelen en in het ‘eedtzaaltje’ hingen twee ‘keukenstukjes’, twee landschapjes en twee ‘zeetjes’. In die kamers verder veel Delfts aardewerk, maar ook Oosters porselein.
Verder gebruikte de familie beneden nog een slaapkamer, een kinderkamer, een kookkeuken, een ‘botterij’ (voorraadkamer) en een achterkamertje. Boven waren slechts vier kamertjes, waaronder een ‘rood kamertje’ aan de achterzijde, en dan was er nog wat zolderruimte in gebruik, deels zowel naast als boven de bovenkamers.


Koopakte op perkament, een zogeheten ‘charter’, van de verkoop van de Metaale Pot in 1691. (Stadsarchief Delft, charter nr 6970)

Eigenaar van dubieuze reputatie
De familie verkocht in 1691 het bedrijf aan Lambertus van Eenhoorn, de zoon van de eigenaar van de verderop gelegen plateelbakkerij De Grieksche A (nr 44/46). Op zijn veertigste had deze Lambertus toen al een vrij losbandig en spilziek leven achter de rug, wat voor zijn vader aanleiding was hem als erfgenaam onder curatele te stellen. Hij was zelfs al een paar keer in een verbeterhuis opgenomen.
Als ondernemer wist hij zich echter te omringen met bekwame vaklieden. Voor zijn winkel liet hij zich bij het gilde ‘bevrijden’ door de leiding op te dragen aan een ingehuurde meester plateelbakker (achtereenvolgens Johannis van der Wal, Cornelis van der Kloot en Ary van der Sloot).
Na het overlijden van Van Eenhoorn verkoopt zijn weduwe Margaretha Teckmann in 1724 de plateelbakkerij met twee bakovens, een ‘tin asch oven’, houtschuren, pakhuizen, aard- schilder- en ‘geeffhuizen’ aan Cornelis Koppens. In het woongedeelte was toen nog steeds sprake van een goudleerkamer. Ook nam de nieuwe eigenaar de geschilderde kamerbehangsels over. Het zijsalet deed inmiddels dienst als compoirtje.

Kartel-directeur
Koppens speelde in de dertig jaar dat hij tot 1756 het bedrijf leidde, een actieve rol in het Lucasgilde van de plateelbakkers. Ook was hij een van de directeuren van de ‘Plateelbakkerijen binnen Delft’, een kartel van fabrikanten dat loonafspraken met de knechts trachtte te dicteren en gezamenlijk noodlijdende concurrenten opkocht om ze uit de markt te nemen. Zijn leefstijl was niet erg uitbundig. In 1749 bewoonde hij het huis met vrouw en twee dochters. Het gezin had een inwonende dienstbode en hield er een rijpaard op na, maar geen koetsen.
Van 1756 tot zijn dood in 1770 was Pieter Parree de laatste plateelbakker in de Metaale Pot. Ook hij had een heel bewogen leven achter de rug voor hij in het aardewerk ging. Sinds 1737 had hij meerdere reizen naar Indië gemaakt met de VOC en sinds 1749 was hij tevens mede-belanghebbende in bierbrouwerij De Papegaay (Oude Delft 15-21).


Advertentie van houthandelaar Frans van Helden in de Rotterdamse Courant van 22 maart 1796.

Pakhuis voor hout en sterke dranken
Toen Parree’s weduwe in 1775 de zaak verkocht was er al enige tijd sprake van een ‘gewezen plateelbakkerij’. Bij de verkoop aan houthandelaar Frans van Helden stelde zij als voorwaarde dat er in het pand nooit meer een plateelbakkersoven mocht worden geplaatst.
Over wat Van Helden en de volgende eigenaar, de koopman Lourens Wolffers, die het in 1805 overneemt, met de panden hebben gedaan, is weinig terug te vinden. Wolffers hield zich voornamelijk bezig met het stoken en verhandelen van sterke drank en wellicht ook met het foerageren van militaire troepen, een tak van sport waarin zijn schoonzoon Guillaume de Gendt, met wie hij veel samenwerkte, het ver schopte. Kort na de val van Napoleon ging Wolffers echter in 1814 failliet en moest al zijn onroerend goed, waaronder deze pakhuizen, gedwongen verkopen. Vermoedelijk is in die tijd het nodige van de bijgebouwen op het achterterrein gesloopt.

Blokmaker met negen kinderen
Koper in 1814 werd blokmaker Hendrik de Koning (1783-1864), die allerhande scheepsbenodigdheden maakte en daarnaast handelde in steenkolen. Het was een vrij groot bedrijf met in 1822 zes werknemers. Bovendien had De Koning negen kinderen. Gedurende drie generaties zou het bedrijf op deze locatie een eeuw lang actief blijven. In de loop van die eeuw, of wellicht al daarvoor, is de zuidelijke helft van het dubbele huis (het huidige nr 24/26), dat ondertussen vooral een woonbestemming had, deels afgebroken en ingrijpend verbouwd. In plaats van de hoge - inmiddels weinig gebruikte - zoldering en (vermoedelijk bouwvallige) krulgevel kreeg het een nieuwe zolderkap en een bescheiden lijstgevel met schuiframen en beneden opvallend grote vensters. Al kan dat laatste ook een verdere modernisering uit het eind van de 19e eeuw zijn, toen in 1889 in de grote tuin van het pand de Gereformeerde Zuiderkerk aan het Achterom werd gebouwd.
Toen Hendrik de Koning in 1864 overleed, was ook één van zijn negen kinderen inmiddels overleden. Die dochter had echter zeven kleinkinderen nagelaten, van wie er twee minderjarig in het weeshuis verbleven. Daarom werd ook Hendriks nalatenschap uitgebreid beschreven.

Houtdraaierij en kolenhandel
Op de houtzolder lagen voorraden hout en stokken, verder stond er een draaibank en lag er een trekzaag. Ook in de werkplaats beneden stond een draaibank en een schaafbank, twee ijzeren bankschroeven en zeven schuifpompen. Verder lag er een groot aantal zagen, schaven, boren en vijlen. In de poort naast het huidige nr 24/26 bevonden zich 32 vaarstokken. In de schuur in de tuin vinden we een partij gewaterd hout, evenals in de stal. Verder lag er nog een partij wilgenhout en een partij sparren in de tuin. In de wagenschuur stond een paardenkolenwagen en een handkolenwagen.
Op een werf aan de stadsvest vlakbij de inmiddels afgebroken Rotterdamse Poort lagen in en om een grote en kleine loods partijen kolen uit het Ruhrgebied, (Belgisch) Brabant en Engeland. Te oordelen naar de bedragen die daarmee gemoeid waren, was de kolenhandel inmiddels van meer betekenis voor het bedrijf dan de houtdraaierij.
Het woongedeelte in nr 26 was aanzienlijk minder luxe ingericht dan in de voorgaande eeuwen. De chiqueste kamer lijkt een grote tuinkamer te zijn geweest met een cilinderbureau (waarin geld bewaard werd), een schrijflessenaar, diverse kasten en een fauteuil en dertien stoelen. Halverwege de begane grond was een ‘donkere’ kamer met een bedstede, die verder dienst deed als eetkamer. In de keuken was een dubbele welwaterpomp en een grote regenbak.


De firma De Koning met hun nieuwe onderpui uit 1889. (Uitsnede uit een foto van Herman Kouwenberg, omstreeks 1890. Stadsarchief Delft)

Splitsing
De houtdraaierij en kolenhandel werden overgenomen door zoon Willem de Koning (1806-1892), die het bedrijf in 1882 overdeed aan zijn zoon Hendrik jr (1853-1911). Dat jaar komt het tot een splitsing van de twee panden. Willem trekt zich op zijn oude dag met zijn vrouw terug in nummer 26. Hendrik gaat met het bedrijf verder op nummer 28. De poort naast nr 26 naar de tuin blijft bij het bedrijf horen. Ook mag Hendrik het water uit de pomp in het huis van zijn ouders met een leiding aftappen. De doorgangen tussen de twee panden moeten worden dichtgemaakt voordat het pand andere bewoners krijgt. De ouders behouden het recht om via het pakhuis van hun zoon naar de tuin te gaan. Dat recht was echter niet overdraagbaar op volgende eigenaren van nummer 24/26.



Links het perceel van blokmakerij De Koning op de oudste kadasterkaart van circa 1825 en rechts een veldschets van de landmeter van de nieuw gebouwde Zuiderkerk op het verkochte achtererf in 1889 en de in 1882 formeel gesplitste panden 24/26 en 28.

Kerkelijk bezit
In 1887 verkoopt Willem de grote tuin achter de twee huizen aan de Gereformeerde Kerk, die er twee jaar later de Zuiderkerk bouwt.
De beide huizen aan de Lange Geer blijven in het bezit van de familie De Koning, tot na de dood van de weduwe van Hendrik. Nummer 24/26 wordt na de dood van Willem gesplitst in en boven- en benedenhuis die elk apart worden verhuurd. In 1916 komt alles te koop. Via een beleggersduo komen ook de huizen in handen van de kerk, die van de poort een toegang naar de kerk maakt en alles gaat verhuren. De huurder van de winkel op nummer 28, houtdraaier Gijsbert Hoogendoorn, wordt daarbij tevens koster van de kerk. Na vijf jaar wordt hij opgevolgd door borstelmaker Matheus van den Engel.
In 1923 komt er een aanschrijving van de Openbare Werken om aan het pand dringend herstelwerkzaamheden te verrichten. Het dak lekt op meerdere plaatsen. Er moeten veel pannen en daksparren vervangen worden. Als reactie trakteert het kerkbestuur de koster direct op een huurverhoging vanwege de hoge kosten die het ziet opdoemen.

Moeizaam restauratietraject
Bovendien probeert de kerk naarstig een koper te vinden voor het bouwvallige pand. Dat blijkt minder makkelijk dan gedacht. Een poging het aan de Vereniging Hendrick de Keyser te slijten voor fl 5.200 mislukt. Uiteindelijk wordt het pand vier jaar later ondershands voor fl 4.500 verkocht aan aannemer Hendrik Esser. Die doet er al met al ook weinig aan. Een verbouwingsplan met een nieuwe winkelpui wordt door de schoonheidscommissie afgewezen.
Na vijf jaar doet hij het huis in 1932 weer over een andere eigenaar die er wel in wil investeren. Na veel gesoebat krijgt zij een kleine subsidie van Provincie en Gemeente. In 1935 is de restauratie onder leiding van architect Gebben eindelijk een feit. Ondertussen heeft een familielid van de eigenaresse er drie jaar eerder al een kruidenierszaak geopend, die het tot halverwege de jaren vijftig volhoudt

Potterij ’t Luifeltje
Nadat het pand in 1957 is verkocht, begint de nieuwe eigenaar Van Bergen er een winkel in baby-artikelen. Later drijft zijn dochter hier tot de eeuwwisseling opnieuw een pottenbakkerij “’t Luifeltje” (tegen alle oude voorwaarden in). Tegenwoordig is er een digitaal marketingbureautje gevestigd.


Etalage-bordje van potterij ’t Luifeltje. (Foto Jaap Hoekstra)

Wereldwinkel en kunstgalerie
Lange Geer 26 wordt vanaf 1892 58 jaar bewoond door kleermaker Marinus van Doorne en zijn familie, tot in 1950 het behang er af gaat.
Eind vorige eeuw zit er kringloopwinkel Doelgericht en daarna tussen 1995 en 2005 een Wereldwinkel. Tot 2011 was hier galerie De Kunstkop van kunstenaar René Jacobs gevestigd.



Lange Geer 28 (links) en 24/26 (rechts) in 2022. (Foto van de auteur)


Een fraaie versierd muuranker op een console aan de voet van de ‘geprofileerde overkragingsbogen’. (Foto Monumentenzorg Delft)


De eiken balkenvloer van de zolderverdieping. (Foto Wim Weve)


Gesneden eiken console onder de vloer van de eerste verdieping. (Foto Jaap Hoekstra)


Het familiewapen van Bom van Cranenburg. De brouwer van de Pot noemde zich overigens gewoon Pieter Bom.


Adressering van een gevouwen brief aan de boekhouder van de West-Indische Compagnie, Cornelis van der Burch.


Houtgravure van slaafgemaakten op een slavenschip. (Illustratie bij een artikel uit 1860 in het Amerikaanse blad Harpers Weekly dat pleitte voor afschaffing van de slavernij.)


Het dubbele pand van de Metalen Pot met tal van houtschuren en pak- en schilder- en drooghuizen daarachter op de Kaart Figuratief van 1675, kort nadat het een plateelbakkerij geworden was. (Nr 50 was de Meerminnepoort, die vanaf het Achterom toegang gaf tot het bedrijf. Daarnaast een pakhuis dat de WIC in 1641 aan het bedrijf toevoegde.)
 
Een advertentie in de Opregte Haerlemse Courant van 18 augustus 1678, waarin de Metale Pot haar unieke rode theepotten aanbeveelt.
 
Verkoopadvertentie voor de Metaale Pot in de Opregte Haerlemse Courant van 29 maart 1691, na het overlijden van Lambertus Cleffius.


Een bloempiramide gemaakt door de Metaale Pot omstreeks 1700. (Collectie Rijksmuseum)


Bericht in Trouw, 3 november 1950.


Een tekening van het uithangbord van de Metaale Pot in het “Merken(boek) van de mr plateelbakkers binnen Delft” uit 1764. (Stadsarchief Delft, 1-1732)


Zittende Delfts-blauwe Boeddha, gemaakt door de Metaale Pot omstreeks 1700. (Collectie Rijksdienst Cultureel Erfgoed)


Een bord uit een serie van twaalf, met voorstellingen van de tabakshandel, gemaakt door de Metaale Pot. (Schenking van het Douwe Egberts Museum aan Museum het Prinsenhof)


Theebus, gemaakt door de Metaale Pot in de periode 1695-1720. (Collectie Rijksmuseum)


Hendrik de Koning was kennelijk een muziekliefhebber. Rotterdamse Courant, 23 februari 1830.


Verkoopadvertentie in de NRC van 16 december 1864.


Delftsche Courant, 3 november 1878.


Delftsche Courant, 27 mei 1911.


Verkoopadvertentie in de Delftsche Courant van 19 augustus 1916.


Lange Geer 28 te koop, blijkt uit raambiljet uit 1916 of 1924. (Fotograaf onbekend)


Delftsche Courant, 14 juni 1935.


Bericht in de Delftsche Courant van 18 maart 1935.
Kees van der Wiel

 
Nadere informatie over Lange Geer 24, 26 en 28
Geplaatst:  19 september 2022
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft