Kolk 3 (voorheen ook nr 5 en 7)
www.achterdegevelsvandelft.nl

Ooit genaamd De Vergulde Kith

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Het huidige Kolk 3 op de zuidelijke kade herbergt achter de gevel nog bouwkundige elementen van respectabele ouderdom. Ze dateren vermoedelijk uit de tijd dat het huis in de 16e eeuw deel uitmaakte van de brouwerij De Kith samen met het pand ten oosten daarvan. Later komt het huis zowel in 17e als in de 19e eeuw onder een dak met het huis van de buren aan de andere zijde op de hoek. Ook dat heeft zijn sporen nagelaten. Beide panden raakten intern chaotisch met elkaar vervlochten. Kort voor 1900 is het pand opgehoogd, bekroond met een fantasie-trapgevel, een ingreep die bij een restauratie begin jaren ’70 van de vorige eeuw weer is verwijderd en 35 jaar later deels alsnog weer is terug getoverd.
Tot de restauratie van 1971-’73 had het huidige Kolk 3 twee andere huisnummers: 5 voor een bedrijfsruimte beneden en 7 voor een daarboven gelegen woning. Het belendende pand Kolk 1 op de hoek met de Oude Delft had tot dat moment boven en beneden de huisnummers 1 en 3, waarbij de voordeur van nummer 3 zich rechts in de gevel van dit pand bevond. In het vervolg worden hier de bij de restauratie herziene huisnummers aangehouden.

Eiken moerbinten van 45 cm dik
Het pand maakte in oorsprong mogelijk deel uit van een groter geheel, in ieder geval zeer waarschijnlijk met Kolk 1 dat een asymmetrische kap heeft met opzij een zijtopgevel waar de kap van Kolk 3 op aangesloten heeft.
Het pand heeft op de begane grond een hoge voorruimte. Onder de vloer gaat een keldertongewelf schuil, belegd met rode en gesmoorde blauwe plavuizen. Halverwege de ruimte bevindt zich op een hoogte van twee meter een insteek-verdieping. Boven de ruimte is een woonverdieping waarboven een tweede verdieping en in de nok een zolder. Het pand had op de begane grond eerder een over de volle panddiepte afgescheiden lage bedrijfsruimte (waarin men kon staan, zij het in gebukte werkhouding) met ook nog steeds lage toegangsdeuren in de voorgevel.
De bouwkundige structuur is bewaard gebleven, voornamelijk bepaald door een zwaar uitgevoerd plafond met moer- en kinderbinten. De vierkantig behakte eiken moerbalken hebben zijden van zo’n 45 centimeter. De gebruikte eikenbomen moeten dus al een respectabele leeftijd hebben gehad toen het plafond in de zestiende eeuw werd aangebracht. Tussen de kinderbinten is dun geschaafd wagenschot ter verfraaiing aangebracht.

Spiltrap
Bij de restauratie in 1971-1973 is de bovenste verdieping en een afsluitende zijgevel, die eind negentiende eeuw waren toegevoegd, verwijderd en is het dak weer aangesloten bij de bestaande daklijn van Kolk 1. Daardoor komt het boven de houten onderpui gesitueerde gevelgedeelte, uitgevoerd in metselwerk en met daarin twee zesruits vensters in empirestijl, weer prominenter in het zicht.
Opmerkelijk is ook een bewaard gebleven deel van een mogelijk nog middeleeuwse spiltrap-toren met nog oude houtfragmenten in het muurwerk achter in het huis. Deze sluit aan de buitenzijde aan op een achtermuur, die bestaat uit metselwerk van grote stenen van het type kloostermop.                                                                                      

Huisnaam Kith
Het pand heet in bewaard gebleven koopakten vanaf 1696 ‘vanouds De Vergulde Kith’, net als het linker buurpand (Kolk 9), naar de gelijknamige brouwerij die aan de zuidkant van de Kolk in de zestiende eeuw in bedrijf is geweest. Waar precies is niet helemaal duidelijk. Wel zeker is dat in elk geval de huidige percelen Kolk 9-11 deel uitmaakten van het complex en dat de brouwerij een uitgang had naar de achter gelegen Voorstraat. Dat ook Kolk 3 bij de brouwerij heeft gehoord is zeer waarschijnlijk gelet op de huisnaam van dit pand en genoemde zware uitvoering van de bouwkundige structuur.
De huisnaam Kith, ook geschreven als Kit en Kidt, zou afgeleid kunnen zijn van kithara, een snaarinstrument uit de Griekse oudheid, waarvan de moderne benamingen gitaar en citer zijn afgeleid. Voor een brouwerij ligt het verband met ‘kruik’, ‘kan’ of ‘tap- en schenkvat’ misschien meer voor de hand.
 

Apollo bespeelt een kithara. Fresco in Museum Forum Romanum, Rome.

Onder dak bij de buren
Het oorspronkelijke pand was medio zeventiende eeuw en opnieuw tussen 1820 en 1971 in bezit van een eigenaar die ook het buurhuis bezat (Kolk 1). In de zeventiende eeuw gaat het hier om Lambrecht Maertensz van Cuijck als eigenaar van beide panden. Hij woont in het hoekhuis genaamd De Rooster, waar hij een koekenbakkerij uitbaat. Bij de buskruitramp van 1654 wordt ook zijn vastgoed getroffen. Hij krijgt van het stadsbestuur 175 gulden schadevergoeding uitgekeerd om beide panden te herstellen. Het stadsbestuur kan vervolgens alle onkosten door de ramp verhalen op de Staten van Holland, de eigenaar van het ontplofte kruithuis.

Droogscheerder
Van Cuijck verhuurt het pand in die tijd voor 86 gulden per jaar aan Judith Jans van der Houve en haar man Abraham Dircksz van der Velde. Zij zijn daarmee de oudst bekende bewoners van Kolk 3. Hij is droogscheerder van beroep, iemand die geweven lakens spiegelglad scheert. In 1654 overlijdt Judith en uit de boedelbeschrijving blijkt dat er voor haar vier nog jonge kinderen niets te erven valt.

Pottenman
Mandenmaker Pieter Heijndrixsz van Limburch huurt vervolgens het huis in 1657 en wordt na enige tijd zelf eigenaar van het pand. Mogelijk heeft hij zich daar gevestigd omdat het vlakbij De Roos is, de fabriek van Delfts aardewerk die van 1675 tot 1841 aan de noordoosthoek van de Dirklangenstraat heeft gestaan, tegenover de naar de fabriek genoemde Roosbrug. Pieter handelt namelijk in aardewerk en plateelbakkersaarde. Verpakt in manden of kisten wordt het op schuiten vervoerd, doorgaans met Franeker als bestemming. Bij de inning van het kadegeld in 1667 betaalt hij twee stuivers en twaalf penningen voor zijn ongeveer 2,5 meter brede huis en zes stuivers en zes penningen voor zijn aanlegplaats op de ‘vleug’ (helling) van de Sint Jorisbrug. Later krijgt hij als ‘pottenman’ toestemming om een steiger te bouwen voor zijn huis in de Kolk.
Pieter wordt driemaal weduwnaar en laat na zijn dood twee kinderen na en financieel gezien meer schulden dan baten. Zijn zoon Hendrik en schoonzoon Maarten Lambrechts Leeuwenhoeck verwerpen dan ook de erfenis.

Proponent
Zoon Hendrik van Limburch erft naderhand het huis van zijn moeder, Jacomina Gerrits. In 1686 wordt deze Hendrik als student aan de Universiteit van Franeker ingeschreven als Henricus van Limburg Delphensis. Na zijn afstuderen gaat Henricus verder door het leven als ‘proponent.’ Dat wil zeggen: hij is beroepbaar als predikant. Maar om niet duidelijke redenen is hij nooit predikant geworden. Hij trouwt in Leiden met Jannetje Jans van Nieudorp, een weduwe uit Kijfhoek bij Meiendel en begint in Delft een tabakswinkel. Met een schuld van vierhonderd gulden voor geleverde tabak verhuist het paar in 1716 naar Leiden. Het huis verhuren zij voor zeventig gulden per jaar aan Leuntje Jans Lelijveld. Drie jaar later wordt een Leidse notaris aangesteld als sekwester (bewaarder van betwist goed) om de desolaat blijkende boedel te verkopen.

Koek en sopie
De Vergulde Kith wordt voor achthonderd gulden verkocht aan de Amsterdammer Jan Westeringh. Hij is meester wagenmaker/wielmaker bij de Haagpoort en eigenaar van herberg De Vergulde Boom op het Noordeinde.
Langere tijd wonen hier vervolgens Anna Maria Weurtmans en haar man Hendrik van der Hulst. Zij verkoopt tabak, bier en een ‘sopie. ’ Ook Hendrik is in dienst van Bacchus, als koetsier van brouwerij P in de Voorstaat. Hij overlijdt in 1755 en laat zijn vrouw met zes minderjarige kinderen na.
Anna Maria houdt het hoofd boven water met haar nering maar er dreigt een probleem. De buurman op de hoek met de Oude Delft wil het pothuis van zijn koekbakkerij vervangen door een elf voeten hoog koepelvertrekje. Anna Maria tekent hiertegen bezwaar aan. De winkel zou achter het obstakel schuilgaan, wat haar nering zou schaden. Op advies van de ingeschakelde havenmeester wijst het stadsbestuur het verzoek van de koekenbakker af.

Oog in t Zeijl
In 1794 worden Jan Belie en Cornelia Ooms de nieuwe eigenaren. Uit de transportakte blijkt de huisnaam te zijn veranderd in Het Oog int Zeijl. Maar die Orwelliaanse naam heeft niet lang beklijfd. Het paar krijgt vergunning om er te tappen en koffie en thee te verkopen. Beide echtelieden overlijden kort na elkaar waarna hun pand in 1804 ten behoeve van de schuldeisers wordt verkocht aan een timmerman/huisjesmelker. Hun opvolgers tappen letterlijk uit hetzelfde vaatje. Het zijn sombere tijden. Er komt wel een eind aan de Franse bezetting maar nog niet aan de verpaupering en verkrotting. Bewoner Gillis van den Akker zal niet de enige zijn die er is ‘gestorven in armoede.’ Het bevolkingsregister noemt het onderkomen: ‘huurhuis behoeftig.’ In 1820 wordt het huis opgekocht door de buren van het hoekhuis, nu Kolk 1.

Kentering
Halverwege de negentiende eeuw lijkt de armoe voorbij. Er woont nu een Française, Marie Thérèse, die een gepensioneerd kapitein der artillerie, ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, aan de haak slaat. Ook Pieter Baerveld komt er te wonen, een rijkscommies, wiens echtgenote liefst zeven voornamen heeft en dan ook de dochter is van een advocaat bij het Hof van Justitie in ’s-Gravenhage. Even later huurt Hugo Landheer het huis. Hij is griffier ter gemeentesecretarie. Zijn gelijknamige kleinzoon zou een vrij bekend kunstschilder worden. Zelf is hij getrouwd met Maria Visser.
Zij huren het huis van Maria’s ouders Johannes Visser en Anna Zeeuw, die in het linker buurpand (Kolk 9) een grutterij drijven, genaamd De Amsterdamsche Grutmolen, en ook Kolk 1 bezitten. Tot 1971 zijn Kolk 1 en Kolk 3 steeds beide in het bezit van één eigenaar.
 

Het witte dorp met kar, 1990-‘91, geschilderd door Hugo Landheer, kleinzoon van Hugo Landheer.

Inwoning
Eind negentiende eeuw is Bernard van Grunsven de eigenaar. Hij is in 1870 als gepensioneerde uit Soerabaja (nu Surabaya) gerepatrieerd. Grunsven en zijn vrouw Geertruijda van Langen wonen er aanvankelijk ook zelf en verhuizen in 1888 naar het hoekhuis. Zij hebben inwoning van Geertruijda’s moeder, tot haar overlijden op 94-jarige leeftijd, en van de jonge hoofdonderwijzer Herman Ekker, die al na korte tijd trouwt met gruttersdochter Anna Maria Visser, zijn buurmeisje op nummer 9.

Nieuwe gevel
Blijkens een aantekening van het kadaster heeft er in 1897 of kort daarvoor een grote verbouwing aan het huis plaats. Waarschijnlijk betreft dit de eerder genoemde ophoging met een verdieping die zo’n 75 jaar later bij de restauratie dus weer is verwijderd.
In die tijd is Petrus Johannes Loomans huisbaas. In het hoekhuis Kolk 1 heeft hij zijn bedrijf als sigarenfabrikant, -handelaar en -winkelier. In 1906 is Loomans bankroet. Wanneer het faillissement na drie maanden wordt beëindigd, verhuist het gezin Loomans van Kolk 1 naar Kolk 3.


Bericht in Revue der Sporten, 2 december 1913.

Harley-Davidson importeur
In 1913 komt in het toenmalige bovenhuis Kolk 3 in het hoekpand een ondernemende werktuigbouwkunde student Charles Stork op kamers, kleinzoon van een bekende Hengelose machinefabrikant. Hij heeft de Amerikaanse Harley-Davidson motorfiets ontdekt. Samen met zijn neef Frans Waller (zoon van de directeur van de Delftse Gistfabriek) werpt hij zich op als importeur voor Nederland & België voor dit wonder op wielen. Zij vestigen zich daarvoor als ‘Delftsche Motoren Handel’. Stork neemt op zijn studentenkamer telefoon (nr 569) en gaat flink adverteren in landelijke kranten en tijdschriften. Ook staan ze met een stand op een voorloper van de latere RAI-tentoonstellingen. Naast motorfietsen importeert het duo ook bootmotoren voor watersporters. Verder handelt Charles zelf in luxe tweede hands automobielen, zoals een acht-cylinder Cadillac en een legendarische Spijker Torpedo-limousine, compleet met elektrische verlichting en zes banden, te beproeven bij C.T. Stork, Kolk 3, Delft. Die auto’s zullen wel voor de deur hebben gestaan, maar waar de studenten al die motoren moesten opslaan, was waarschijnlijk wel een probleem. Vermoedelijk hebben zij daarvoor het magazijn gebruikt onderin en achter dit pand op nummer 5. Verder huren ze nog opslagruimte op Oude Delft 220.
Maar de zaak groeit ze al snel over het hoofd. Bovendien gooit in 1914 de Eerste Wereldoorlog roet in het eten. In 1915 doen ze het Harley-agentschap over aan de firma Englebert in Den Haag. Die handhaaft de bedrijfsnaam Delftsche Motoren Handel. Het bedrijf ontwikkelt zich onder andere tot hofleverancier van Harley’s voor de bereden politie. Al met al is de studie er voor de jonge Stork wat bij ingeschoten. In 1917  besluit hij te emigreren naar Amerika. Zijn neef, die scheikunde studeert, zal later zijn vader opvolgen als directeur van de Gistfabriek. [Meer hierover valt te lezen in het boek van Frank van Oortmerssen, ‘Motorwielrijders in Nederland 1913-1919’]

Verhuurd
In 1918 wordt Bakkers eigenaar van beide panden. Hij verhuurt het bovenhuis voor f 7,50 per week, heeft beneden een vulkaniseer-inrichting en op Kolk 1 een sigarenwinkel. In 1918 komt Casper Willem Meijer er als huurder wonen na de dood van zijn uit Duitsland afkomstige vrouw Maria Hiltermann. Hij is de laatste van de slagersdynastie Meijer (zie hiervoor verder Oude Delft 85 (en 87)).
In 1925 probeert Bakkers het dubbelpand als één geheel te verkopen. De advertentie beschrijft vrij uitvoerig de indeling. Het complex wordt ‘in bod gezet’ op 20.100 gulden maar pas na Bakkers’ dood, in 1940, verkocht voor de helft van de vraagprijs.
 

Linoleumsnede door Kees van der Wiel uit 2023 naar een foto van Gerhard Niestadt uit 1901, toen De Kolk nog vol schepen lag.

Onbewoonbaar verklaard
Het pand is in 1954 zo uitgewoond dat het formeel onbewoonbaar wordt verklaard en vóór 1 januari 1955 moet worden ontruimd. Dat lot treft ook Kolk 1 op de hoek en nog zestig andere vervallen woningen in Delft. De gemeenteraad verlengt een aantal keren de ontruimingstermijn. In 1960 keuren Gedeputeerde Staten dat niet langer goed.
 

Het huis met de gevel uit 1897 in circa 1960. Foto Willem van der Poel.

Restauratie
In 1966 koopt natuurkundige Wilhelmus Werner beide vervallen panden. Op zijn verzoek stelt het Delftse architectenbureau Kooreman, Raue en Van der Laan een restauratieplan op voor beide panden. In de jaren 1971-1973 wordt de restauratie uitgevoerd. Kolk 3 wordt verkocht aan Kees de Groot, jurist bij de Raad van State en zijn echtgenote Geertruida Op den Brouw, advocaat. Zij voltooien de restauratie en brengen aan de achterzijde ook een balkon aan met uitzicht op de Oude Kerk.

Gevel weer verhoogd
Op verzoek van bewoner Paul van Riet wordt Kolk 3 in 2008 op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Dat jaar is ook vergunning verleend om de voorgevel toch opnieuw weer op te hogen en de zolderkap gedeeltelijk te vergroten.


De gevel van Kolk 3 na de restauratie in de jaren 1971-1973. Foto Kees Spiering, Stadsarchief, 2008.

De gevel na de verbouwing van 2008. Foto Kees Spiering, Stadsarchief, 2011.


Wim van Veen,
met dank aan Kees de Groot
en Frank van Oortmerssen (voor zijn Harley-Davidson-tip)


Kolk 3 in 2022. Foto Ymblanter, Wikimedia.


Door de boomtakken in het midden het huis voor de verbouwing in 1897. Uitsnede uit een foto van een onbekende fotograaf, genomen vanuit een raam aan de overzijde van het Noordeinde. Het huis had toen een zeer hoge (dus vermoedelijk zeer oude) zolderkap en beneden in het midden iets wat lijkt op een staldeur met opvallend groot bovenlicht.
(Collectie Stadsarchief, nr 22283)


De oude spiltrap, deels achter het buurpand Kolk 9,
met uitgesleten treden van eeuwen traplopen.
Foto Wim Weve.

Het huis op de kaart van de oudste kadaster-
opmeting van 1826.


Droogscheerders scheren een pas geweven laken glad. Een secuur werk dat de waarde van het product aanzienlijk kon vermeerderen. Prent van Jan Gillisz van Vliet. Leiden, 1635. (Collectie Rijksmuseum)


Prent van een pottenverkoper door Giovanni Volpato (1743-1803). (Collectie Rijksmuseum)


Een Delfs blauw bord met een tabaksroker uit circa 1660-1675. (Collectie Rijksmuseum)


Stilleven van bier en tabak door Pieter van Anraadt, 1658. (Collectie Mauritshuis, Den Haag)


Javasche Courant, 20 december 1870.


Beschrijving van het interieur vóór de herbouw eind 19e eeuw in een verkoopadvertentie in de Delftsche Courant van 22 februari 1874.


Niet langer failliet. De Courant, 29 mei 1906. Loomans had er ervaring mee. In 1884 was hij als sigarenfabrikant al eerder failliet verklaard.

Loomans verkoopt loten. Delftsche Courant, 15 juli 1907.




























Advertentie in het Algemeen Handelsblad, 27 september 1916, met een afbeelding van een Spyker-Torpedo, model 1911.


Advertentie in het Gedenkboek ‘100 jaar politiewerk in Nederland, 1930’.


Slager in ruste Casper W. Meijer zegt in 1918 zijn zaak aan Oude Delft 85 vaarwel en vervolgt zijn oude dag
op Kolk 3.


Delftsche courant, 13 augustus 1919.


Eerste poging van Bakkers om het dubbelpand te verkopen. Delftsche Courant, 20 februari 1924


Bij gebrek aan kopers staat het bovenhuis te huur. Delftsche Courant, 11 februari 1925.


Met een staatsdiploma op zak vestigt dochter Sjaan Bakkers zich als kraamverzorgster. Delftsche Courant, 8 februari 1933.


In de bedrijfsruimte op de begane grond heeft buurman Bakkers zijn handel. Delftsche Courant, 28 mei 1932.








Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Kolk 3.

Geplaatst: 25 november 2025 / Laatste wijziging: 15 mei 2026
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft