| Kolk 1 | www.achterdegevelsvandelft.nl | |||||
![]() |
||||||
| Voorheen de Vergulde Rooster, later de Theeboom |
NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting. |
|||||
| Het huis op de hoek Oude Delft en
Kolk nu genummerd Kolk 1 is lang verbonden geweest met het naast
gelegen pand en is in verschillende perioden tot 1971 vaak in het
bezit van dezelfde eigenaar. Dat had onder andere tot gevolg dat
beide panden nogal onoverzichtelijk met elkaar verweven waren. Zo
bevond zich de voordeur van het bovenhuis van het hoekpand rechts in
de gevel van het buurhuis en strekte dit bovenhuis zich ook uit over
de bovenste verdieping van het buurpand. Kolk 1 heeft een
asymmetrische kap, die links aansluit op de oude kap van Kolk 3. Het
huidige rijksmonument op Kolk 1, verkeerde na de oorlog in slechte
staat en is in 1954 geruime tijd onbewoonbaar verklaard. In de jaren
1967-1971 heeft het een uitgebreide restauratie ondergaan waarbij de
functie van winkelpand op de begane grond is vervallen en de
vervlechting met het buurhuis ongedaan is gemaakt. Het pand is nu in
zijn geheel in gebruik als een woonhuis. Sot Halverwege de 16e eeuw draagt dit huis op de zuidwesthoek van de Kolk de merkwaardige naam de Sot, als de brouwer van de naastgelegen brouwerij de Kit het koopt van boterhandelaar Huijch Aertsz. Na de dood van brouwer Pieter Jan Apersz wordt het huis in 1559 weer afzonderlijk verkocht om diens vijf weeskinderen op weg te helpen. Koekenbakker met suikertante Eind 16e eeuw is Gerrit Dircxz Rooster er eigenaar en bewoner. Hij heeft daar dan een smidse, maar wordt ook slotenmaker genoemd van beroep. Aan hem heeft het huis waarschijnlijk de naam “de (Vergulde) Rooster” te danken. Als Gerrit in 1612 overlijdt, blijft zijn weduwe Grietje Ariensdochter het nog geruime tijd bewonen. Uiteindelijk komt het op een wat merkwaardige wijze in bezit van koekenbakker Lambrecht Maertenszn van Cuijck. De bewaard gebleven papieren van Grietjes nalatenschap uit 1633 bevatten een koopcontract van 14 januari 1630 waarbij zij het huis verkoopt aan Reimpge Andriesdochter ten behoeve van Lambrecht Maertenszn van Cuijck. De relatie tussen Lambrecht en deze suikertante is tot nu toe onopgehelderd. Lees hier als intermezzo: Verkeersslachtoffer op de Kolk in 1612 Buurhuis ingelijfd Lambrecht trouwt in 1629 als ‘jongeman van de Markt’ met Barbara Rotteveel uit het huis De Bril aan de Voldersgracht (zie Voldersgracht 33) en vestigt zich met haar in 1630 als bakker aan de Kolk. Dat blijkt uit de vergunning die hij krijgt voor het maken van een nieuw pothuis in dat jaar. Dat is een half-ondergrondse aanbouw, aan de kant van de Kolk, met waarschijnlijk een toegang tot een kelder. De ingang van het huis is dan aan de Oude Delft, zoals ook zichtbaar is op de Kaart Figuratief uit eind 17e eeuw. Niet veel later blijkt Lambrecht ook eigenaar van het pand ernaast op de Kolk. In het haardstedenregister van 1638 telt zijn hoekpand twee stookplaatsen. Voor het pand ernaast (nu nr 3) moet hij betalen voor vier haardsteden. Per mei 1654 worden de beide huizen in de verponding (huizenbelasting) samengevoegd. Financiële penarie In datzelfde jaar 1654 komt hij echter in grote financiële problemen. Schuldeisers achtervolgen hem. Een van hen is zijn buurman Van Santen van huidig Kolk 9, die nog veel geld van de bakker krijgt voor graan dat hem geleverd heeft. Zij laten beslag leggen op zijn huis en inboedel. Daarbij wordt een beschrijving gemaakt van zijn bezittingen. In zijn huis blijkt niet alleen heel wat meubilair en bakkersbenodigdheden aanwezig, maar ook een ‘conterfeitsel’ (familieportret) van Cuijck met vrouw en kinderen. Uit de inventaris blijkt verder dat de bakkerij voor 3.200 guldens belast is met hypotheekschulden. Daarnaast krijgt hij in hetzelfde jaar ook nog eens te maken met forse schade door de ontploffing van het kruithuis op de tegenwoordige Paardenmarkt bij de zogenoemde Delftse Donderslag op 12 oktober 1654. Van Cuijck weet echter op miraculeuze wijze onder al die financiële druk uit te komen. Voor de schade die hij van de buskruitramp heeft ondervonden krijgt hij binnen een jaar een vergoeding van 175 gulden toegezegd. Dat lijkt verrassend snel voor een overheid, maar direct uitbetaald krijgt hij slechts 70 gulden. De rest wordt nog jarenlang verrekend door hem de huizenbelasting kwijt te schelden zolang de rekening openstaat. Opvolgers in de bakkerij In 1659 volgt zijn zoon Dirck Maertenszn van Cuijck hem op in de bakkerij. Hij verfraait het bedrijf met een nieuw deurkalf en een luifel, waar hij in 1662 vergunning voor krijgt. Maar er blijkt hem geen lang en gelukkig leven gegund. Zijn eerste vrouw overlijdt al heel snel, vermoedelijk in het kraambed. In 1663 hertrouwt hij met ene Sara Slatius. Nog geen jaar later wordt hij zelf naar de Oude Kerk gedragen. Vanwege de kinderen die hij vaderloos achterlaat wordt zijn nalatenschap uitgebreid beschreven door de Weeskamer. We lezen daarin de complete uitrusting van de bakkerswinkel met toonbank inclusief voetenbank, potten, manden en pannen. In het ‘backhuys’ treffen we een pottenbank met aardewerk en ‘platiën’ (borden) Ook de inhoud van de klerenkasten van de echtelieden wordt gedetailleerd beschreven. Boven op zolder bevindt zich echter slechts ‘enige rommelingen’. Na het overlijden van Sara Slatius in 1689 wordt haar nalatenschap verdeeld tussen haar neef en nichtjes Cornelis Slatius (breuckmeester oftewel chirurgijn gespecialiseerd in het helen van breuken), Catharina Slatius en Rachel Slatius. Het huis de Rooster wordt dan gezamenlijk eigendom van de zussen Catharina en Rachel. Rachel is echter gehuwd met een bakker, Dirck van der Schalcke, die het bakkersbedrijf in de Rooster kan voortzetten. Cornelis Slatius krijgt het huis aan de westzijde van de Voorstraat dat kennelijk ook in het bezit was van de weduwe Sara Slatius. In 1691 koopt schoenmaker Arnoldus Hartevelt, de buurman op de Oude Delft, het pand en gaat het verhuren aan Abraham Abrahamszn van der Steen, meester broodbakker. Deze bakker heeft zijn zaken financieel niet echt op orde. In 1693 wordt hij verdacht van belastingfraude en enkele jaren later blijkt hij ook een flinke huurschuld te hebben bij zijn buurman. Theeschenkerij In 1709 verkoopt de weduwe Hartevelt, Judith Simons van der Heuvel, het pand aan Gerrit van der Kade voor 2.800 gulden. Bij de koop betaalt hij duizend gulden contant. De rest gaat op afbetaling met een schuldbrief van fl. 1.800. In de koopakte heet het huis dan nog steeds het Gulden Rooster, maar de koper doopt het pand om in de Theeboom. De vrouw van Van der Kade gaat er namelijk thee verkopen en schenken.
Kort daarna neemt Van der Kade een brandewijnbranderij over op het Noordeinde (nr 16) en gaat “de Theeboom, voorheen de Rooster bij de Roosbrug” verhuren tot hij het pand in 1724 verkoopt. Dit keer voor slechts 400 gulden contant en 1900 op afbetaling. De nieuwe eigenaar, Jan van der Bruggen, sterft al in 1728 en zijn weduwe Maria van der Muur drie jaar later. Na haar overlijden wordt ook van haar nalatenschap een inventaris opgemaakt. Daaruit blijkt dat zij in het huis behalve thee ook allerhande textielstoffen heeft verkocht. De opsomming van de voorraad aan lappen beslaat maar liefst 24 pagina’s. In de “eerste voorkamer” treft men twaalf balen thee tussen een chique interieur met Japans servies, notenhouten meubels en schilderijen. De overledene bezat diverse gouden en diamanten sieraden, wat niet kon verhullen dat er aan hypotheek en andere leningen schulden nog een bedrag uitstond van 5.800 gulden. Trekschuiten en veerschippers In 1742 koopt Herman Eekman het huis. Sinds 1737 is hij ‘commissaris van de trekkers op het Noordeinde’, een toezichthouder op de trekvaart naar Leiden. Kennelijk heeft hem dat nog geen rijkdom gebracht, want hij koopt het huis met een schuldbrief van 2.200 gulden zonder verder enige contanten neer te tellen. De bevolking van de stad loopt merkbaar terug. Dus wordt het steeds moeilijker om kopers voor een huis te vinden. Daarom zijn wanhopige verkopers tot zulke transacties bereid.
De aanlegplaats van het Leidse Veer was aan het Noordeinde, vlak bij de huidige Lutherse kerk. Aan de overzijde van Kolk was de ligplaats van het Amsterdamse Veer (voor goederen), zoals ook op de Kaart Figuratief van eind 17e eeuw is te zien. Al vanaf eind 16e eeuw bestond er een geregelde veerdienst met marktschuiten tussen Delft en Amsterdam, aanvankelijk met zeilschepen, maar vanaf 1668 verplicht met paarden over trekvaarten. Vanaf de Haagpoort en het Noordeinde vertrokken de trekschuiten met reizigers naar respectievelijk Den Haag en Leiden, vanaf 1638 achtmaal per dag. Al spoedig ging het daarbij om grote aantallen passagiers. In 1639 reisden op die manier 300 mensen per dag naar Den Haag en 116 naar Leiden. In de 18e eeuw begon het aanbod van passagiers echter gevoelig te dalen. In de eerste helft van die eeuw was het aantal passagiers minder dan de helft van die in de begindagen en na 1750 halveerde dat aantal nogmaals. De taak van de commissaris was het aantal reizigers van elke passerende schuit bij te houden. De schippers gaven nog al eens te weinig reizigers door en droegen zo minder schuitengeld en tol af, ten koste van de stadskas. Ook in de 19e eeuw woonden er ‘veerschippers’ in het huis, boven de winkel, zoals Antonie Eggink (1837-1850) en Pieter van Dam (1858-1860). Het passagiersvervoer per trekschuit bleef bestaan tot de komst van de spoorwegen in de 19e eeuw. Het Amsterdamse Veer met marktschippers fungeerde nog tot circa 1930. Tolpachter in problemen Eind 18e eeuw, tussen 1777en 1798 is Hugo Holster eigenaar en bewoner. Hij is pachter van de Hinderdam buiten de Haagpoort (nu de Lepelbrug). Ook hij moet het hebben van het verkeer over water. In 1773 richt hij een smeekschrift aan het stadsbestuur om 300 gulden verlaging van de tolpacht in verband met het verminderde aantal passerende schepen. Delft had in 1471 van Karel van Bourgondië het eeuwigdurend erfpachtrecht voor de Hinderdam gekregen. Dat ‘lepelrecht’ verplichtte schippers die wilden passeren van elke zak die ze vervoerden een lepel van de inhoud af te staan. Die hinderdam zelf was in de begindagen van de Tachtigjarige Oorlog al verdwenen, nadat de geuzen hem hadden gesloopt. De tolheffing voor passerende schepen was echter gebleven. Een boom in het water verhinderde sindsdien de onbelemmerde doorvaart. Hoe de schippers in de 17e eeuw tegen deze tolheffing aankeken blijkt uit een jammerklacht van een tolheffer aan de stadsregering uit 1630: “….alsoo het dagelicx gebeurt soo van de ventjagers als van andere schippers, dat sij niet meer en geven van haer goederen alssij selver willen, oock menichmaels haer knechts door den boom laten schijete, zeggende de schipper sal aencomen en betalen ’t recht vandijen, middeler tijt buijten sijnse wechtrecken, sondernte betalen, waardoor de Stadt grotelicx in haer gerechticheijt gefraudeert wort…”.
Tien jaar na zijn rekest heeft pachter Holster zijn scheepjes nog niet op het droge want er volgt opnieuw een rekest. Nu claimde hij 2.600 gulden schade door het instorten van de Jeronymusbrug over de Oude Delft bij de Nieuwstraat en het ontbreken van een sluis in Delfshaven. Spekslager-glasblazer Van 1810 tot 1820 woont hier een spekslager, Johan Jurgen Malga, die het eveneens in deze sombere tijden moeilijk heeft. In 1816 protesteert hij tegen de belastingaanslag voor zijn winkel. Of hij met het bedrijf is door gegaan is de vraag, want als hij in 1820 sterft, vermeldt zijn overlijdensbericht hem als “glasblazer, geboren te Nijkerk op de Veluwe”. Zijn weduwe (een Friese van geboorte) bestiert hier overigens nog geruime tijd een winkel, tot zij in 1826 een man in Hazerswoude vindt. Opgekocht door de buren In 1838 komt het huis in de handen van Johannes Visser en zijn vrouw Anna Zeeuw die op Kolk 9 al een grutterij drijven. Als zij het kopen wordt het pand in advertenties omschreven als een winkel in kruidenierswaren en manufacturen beneden met een apart verhuurde bovenwoning (a 240 gulden per jaar). Vanaf de invoering van de straatnummering in 1877 zullen die een kleine eeuw lang tot de renovatie als Kolk 1 en 3 door het leven gaan. In 1846 heeft baardscheerder Anthonie Ahsman met zijn vrouw Johanna Duijstee en vijf kinderen beneden zijn zaak. Boven woont ook een gezin met vijf kinderen van Willem Kroon en Theodora Jansen. De bevolking van Delft begint in die tijd weer te groeien, maar de verdiensten zijn nog karig. Veel huizen raken daardoor overvol. Na de baardscheerder komt er beneden korte tijd een veerschipper (Antonie Eggink). Tussen 1860 en 1887 is het tweemaal een groentezaak waarbij ook in dat deel van het pand nog kamers aan anderen worden (onder)verhuurd, met tussendoor zeven jaar (1869-1876) ‘een affaire in manufacturen’ van de weduwe Rutte. In 1874 komt het hoekpand in eigendom van oud-Indië-ganger Bernard Grunsven, een gepensioneerde opzichter der artillerie, gerepatrieerd uit Surabaya. De woonhuizen, pakhuis en grutterij, destijds genummerd Kolk 1, 3, 5, 7 en 9, stonden in de Delftsche Courant van 22 februari 1874 samen te koop. Grunsven koopt alles voor 7.600 gulden en gaat zelf aanvankelijk op Kolk 7 wonen. Vanaf 1888 neemt hij zijn intrek in de bovenwoning (nr 3) van het hoekpand. Nering in sigaren en tabak In de winkel van het hoekpand vestigt Petrus J. Loomans vanaf 1887 een sigarenhandel. In 1896 gaat het sigarenhandelaar en -fabrikant Loomans blijkbaar zo goed dat hij in staat is het hoekhuis en het daarmee vervlochten buurhuis te kopen van Grunsven. In Delft kent in die dagen een levendige tabaks- en sigarenproductie. Hieraan herinnert ook de sigarenfabriek van Gerrit van der Spek, nu onderkomen van een industrieel ontwerpbureau, maar destijds een bedrijf met ca. 250 medewerkers aan de Brabantse Turfmarkt (van 1875 – 1953). Volgens tabakshistoricus Louis Bracco Gartner werkten er rond 1900 zo’n 850 sigarenmakers in Delft. Veel daarvan waren thuiswerkers. De meesten werkten voor de firma Hillen, die in 1770 de eerste tabaksfabriek in Nederland oprichtte aan de Oude Delft, op de hoek van de Peperstraat. In 1909 opent die firma een grote nieuwe fabriek aan de Engelsestraat direct aan de spoorlijn. Het van Hillenlaantje bij het Zuideinde is nog de enige herinnering op deze plek. Of het nu aan deze nieuwe fabriek ligt, of niet, maar in 1909 lezen we in de Avondpost (een krant die in de sigarenzaak van Loomans verkocht wordt) dat diens winkel failliet is verklaard. Het gezin Loomans verhuist daarop van Kolk 1-3 naar het veel kleinere Kolk 5-7. De firma Hillen huurt de winkel en vestigt er vanaf 1909 een vierde verkoopfiliaal (met filiaalhouder Willems), naast de andere filialen van het bedrijf aan de Oude Delft 82, Wijnhaven 10 en Hertog Govertkade 14. Van Hillen timmert veel aan de weg door opvallende advertenties in de Delftsche Courant, waarin de 7-cents Corona modellen, de Moortjes, de 2½ cents cigarillos en de “natuurgedroogde echte Vorstenlanders” worden aangeprezen. Onbewust van de gezondheidsaspecten was men niet, want er worden ook sigaren met minimum nicotine verkocht onder het motto: “Beïnvloedt zelfs den gevoeligsten rooker niet”. In 1925 wordt het pand via een openbare veiling opnieuw verkocht. Koper is Johannes Bakkers, van beroep vulcaniseur, iemand die banden en rubberproducten repareert in het naastgelegen Kolk 5-7. Het filiaal van Hillen blijft in het hoekhuis gevestigd tot in 1935 het sigarenmagazijn wordt verplaatst naar de hoek Kolk-Voorstraat al waar K. van Zeeventer in een advertentie “beleefd aanbevelend” het bedrijf voortzet. In de crisistijd van de jaren ’30 gaat de fabriek van Hillen in 1937 failliet. Naar verluidt door de aanschaf van nieuwe Amerikaanse machines, waardoor de kwaliteit van de sigaren snel achteruit ging.
Graszoden, koemest en ijsjes in oorlogstijd Als Bakkers in 1940 overlijdt, wordt het hoekpand Kolk 1 en 3 tijdens de meidagen van 1940(!) openbaar verkocht voor 8.500 gulden. De Fries-Groningse Hypotheekbank wordt dan de nieuwe eigenaar en H.P. van Baarle begint er een handel in graszoden, kamerplanten, mooie geraniums en koemest. De weduwe Bakkers, Adriana van Jaarsveld, blijft nog enige jaren in de bovenwoning wonen. Later lezen we in de Delftsche Courant dat je in 1941 in Henks Cafétaria op Kolk 1 ijswafels van 5 en 10 cent kunt kopen. Met zijn aanbeveling: “Geen papieren bakje of beker” was Henk in duurzaamheid zijn tijd ver vooruit. Verkocht Henk P. van Baarle zijn ijswafels tussen de geraniums en de koemest of is hij al snel overgestapt op een andere tak van sport, die in oorlogstijd beter loonde? De Hypotheekbank, die mogelijk vanwege de betalingsproblemen van de vorige eigenaar in de maag gesplitst kreeg, weet in elk geval het pand al snel aan een nieuwe eigenaar te slijten: Anne Bolwerk-Soeterik. Onbewoonbaar verklaard Na de oorlog worden in de winkel van het hoekpand de motoren en bromfietsen van Verlaan verkocht. Aan de overzijde heeft deze op Kolk 14 zijn reparatiewerkplaats. Het pand verkeert dan inmiddels in zeer slechte toestand. Sinds 1954 prijkt er een bordje “Onbewoonbare Verklaarde Woning” aan de gevel. Bij gebrek aan vervangende woonruimte wordt de ontruiming van de woning echter tot 1960 nog herhaaldelijk uitgesteld. Hetzelfde lot treft het naastgelegen Kolk 5-7. (Zie ook Kolk 3) In 1966 koopt natuurkundige Wim Werner beide vervallen panden. Op zijn verzoek maakt het Delftse architectenbureau Kooreman, Raue en van der Laan een restauratieplan. Er volgt een periode van grondige restauratie en transformatie tot woonhuis, die duurt tot 1972. Het huis op de hoek van Oude Delft en Kolk krijgt nu het adres Kolk 1. Werner gaat het daarna zelf bewonen. Dr. ir. W. Werner is werkzaam bij de toenmalige Technisch Physische Dienst TNO-TH als natuurkundige en in de jaren 1980-1985 ook buitengewoon hoogleraar aan de faculteit Technische Natuurkunde in de geometrische optica en spectrometrie. Voor bijzondere prestaties in zijn vakgebied krijgt hij in 1983 de Jacob Kistemaker prijs van het FOM (Fundamenteel Onderzoek der Materie). Na de restauratie wordt het huis tot Rijksmonument verklaard. Evert van Bokhorst |
|
![]() Kolk 1 in 2026. Foto: Achterdegevels. ![]() De achtergevel van het pand op de binnenplaats volgens de bouwtekening uit 1968 voor het restauratieplan. Rechts (oranje) de achterzijde van het huidige Kolk 3 en links het (grijze) silhouet van Oude Delft 234. ![]() Het pand op de Kaart Figuratief van circa 1675, tegenover de aanlegplaats voor het Amsterdamse (beurt)veer. ![]() Aantekening voor de vernieuwing van het pothuis in het stadsarchief: den 8e april 1630 (is) Lambrecht Maertensz van Kuijck couckebacker, cooper vande huijsinge de Rooster opten houck van Kulck geconsenteert (=toegestaan) het oude pothuijs aff te breecken ende weder een nijeuwe te plaets te stellen opte selve lengte ende breette, sonder verder vuijtsteck. ![]() Een bakker, geschilderd door Jan Steen in 1658. Collectie Rijksmuseum. ![]() Geschilderde prentbriefkaart door A. Hulzing, circa 1930. ![]() Een theeboom op een Delfts Blauwe schotel, een geliefd decoratie-motief in de 18e eeuw. ![]() Een rustieke kijk op het destijds wat vervallen hoekpand in 1966. Fotograaf onbekend. ![]() De Kolk op een suikerzakje. ![]() De hedendaagse Lepelbrug bij het Kalverbos. Foto van de auteur, 2025. ![]() Afvaart van de veerschuiten naar Den Haag. Delftsche Courant 8 mei 1874. ![]() Het pand (B 581) gemarkeerd op de kaart van de eerste opmeting voor het Kadaster omstreeks 1825. De uitbouw op het binnenplaatsje aan de achterzijde verraadt een lange gemeenschappelijke geschiedenis met het buurpand B 582. ![]() Verkoopadvertentie van de winkel met bovenwoning in de Oprechte Haerlemse Courant van 24 juli 1838. ![]() Een groot kelderluik aan de zijkant op de Oude Delft en keuvelende dames op de hoek. Foto Henri de Louw, circa 1880. ![]() De aankondiging van een postagentschap bij P.J. Lomans. Delftsche Courant, 12 april 1889. ![]() Een zakje van sigarenhandel P.J. Loomans, omstreeks 1900. ![]() Het faillissement van Loomans aangekondigd in het blad De Avondpost van 6 maart 1906. Zijn sigarenzaak was een verkooppunt van deze krant. ![]() Delftsche Courant, 29 januari 1906. ![]() Haagsche Courant, 28 juli 1925. ![]() Delftsche Courant, 15 januari 1926. ![]() (deel) Verkoopadvertentie, Delftsche Courant, 1 aug. 1925. Het beschrijft de gecompliceerde indeling van de grote bovenwoning, zoals in de bouwtekening onder het verhaal is weergegeven. ![]() Delftsche Courant, 20 april 1935. ![]() Delftsche Courant, 31 juli 1941. ![]() Kolk 1 met gehavend pleisterwerk in 1968. Foto Erfgoed Delft. |
||||
| Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Kolk 1. | ||||||
| Geplaatst: 24 maart 2026 | ||||||
| www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft | ||||||