Hippolytusbuurt 43 www.achterdegevelsvandelft.nl

Huis met grote middeleeuwse kelder

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

In 2018 is het voormalige Griekse restaurant Hippolytusbuurt 43 verbouwd tot brouwerij met horeca-gelegenheid. Een vochtplek op de vloer in de aanbouw aan de achterzijde aan het Heilige Geestkerkhof leidde tot de verassende vondst van twee oude middeleeuwse kelders, volgestort met puin. Toen de kelders waren uitgegraven, bleek de achterste een tongewelf te hebben. Hij bleek gebouwd met hetzelfde soort ‘kloostermoppen’ (grote bakstenen) als de toren van de nabij gelegen Oude Kerk uit begin 1300. De tweede kelder, dichter bij het huis, heeft een kruisgewelf en is ruim een eeuw jonger. Of er onder het huis zelf aan de straatzijde mogelijk ook nog een derde kelder zit, is onbekend.
Archeologen, die de opgraving begeleidden, denken te maken te hebben met oude bierkelders. Dat maken ze op uit de opvallend brede opening tussen de kelders, groot genoeg om een biervat doorheen te rollen. Bovendien zijn er op de kelderbodem scherven gevonden van een bierpul uit circa 1350.
Uit archief- en bouwhistorisch onderzoek blijkt dat zowel het vrij brede huis aan de Hippolytusbuurt als de aanbouw aan het Heilige Geestkerkhof een gecompliceerde geschiedenis hebben. Over een oude bierbrouwerij op deze plek is niets in de archieven terug te vinden. Dat wil zeggen dat deze ruim voor de stadsbrand van 1536 al ter ziele moet zijn gegaan.


De kelder die in 2018 onder het puin vandaan kwam. (Foto Fred Leeflang)

Voor de stadsbrand
Archiefmateriaal uit de periode vóór de grote stadsbrand van 1536 is er nauwelijks. In de stad is alles met de brand verloren gegaan. Daardoor is het vrijwel onmogelijk gegevens over de gevonden brouwerij terug te vinden in de archieven. In de grafelijke administratie zijn uit de periode van voor de brand nog enkele registers bewaard gebleven van de zogenoemde ‘tijns’ of ‘gravenhuur’, een soort erfpacht die huiseigenaren destijds jaarlijks dienden te betalen. Het is lastig om in die registers de huiseigenaren exact te lokaliseren, maar waarschijnlijk waren in 1363 ‘Huge die Grote’ en ‘Dirc van Scoten’ degenen die op deze plaats aan de Hippolytusbuurt voor de tijns werden aangeslagen. Een eeuw later worden in een soortgelijk register uit 1461 ‘Jan Dirk’ en ‘Arent coman’ (koopman) genoemd.
Het kan echter zijn dat de kelders indertijd geen deel uitmaakten van een van deze huizen aan de Hippolytusbuurt, maar hoorden bij een zelfstandig pand aan het Heilige Geestkerkhof. In dat geval moeten we in 1363 waarschijnlijk zijn bij ‘Pieter Scaerlaken’, die daar een huis had dat relatief fors werd aanslagen. Een eeuw later was dat erf in twee delen gesplitst en toen eigendom van ‘Katrijn Screenmaker’ en ‘Aernt Eeliaszoon’. Of zij zich met bier bezig hielden, wie zal het zeggen? Maar de naam Scaerlaken wijst eerder naar rode wollen stoffen, en een ‘screenmaker’ was een meubelmaker. Na de brand van 1536 is dat grote pand op de Heilige Geestkerkhof lange tijd niet meer als zelfstandig eigendom in belastingregisters terug te vinden.

Twee huizen achter een gevel
Tot halverwege de 17e eeuw bestond het huidige brede pand Hippolytusbuurt 43 uit twee aparte huizen. In 1648 werden die door zijde-koopman Cornelis Corstiaan van der Burch verenigd tot één huis achter een nieuwe gevel. Bij de samenvoeging van die twee huizen werd van het zuidelijke huis het achterhuis, waaronder zich de middeleeuwse kelders bevinden (weer?) afgesplitst als een aparte woning aan het Heilig Geestkerkhof. Het was toen eigendom van Johannes du Rieu, die er een Franse school dreef (een school met meer dan basisonderwijs). Het zou vervolgens ruim 125 jaar in aparte handen blijven, om in 1773 weer met het voorhuis verenigd te worden. Het was toen inmiddels een stal met koetshuis en mestput geworden.

De (Witte) Pauw
Het zuidelijke van de twee huizen die nu Hippolytusbuurt 43 vormen was kort na de stadsbrand van 1536 een herberg met de naam “Pauw”. In 1543 betaalde hier waardin Tryntge de huizenbelasting. Daarna heette het “De Witte Pauw” en was het eigendom van bakker Cors(tiaen) Cornelisz. Hij werd in 1567 na de Beeldenstorm ‘om de religie’ (als ketter) met zijn vrouw Jannetgen verbannen en hun bezittingen werden in beslag genomen. Het pand werd toen door de overheid aan de Haagse bakker Oloff Dirckxz verhuurd. Omstreeks 1575 was het waarschijnlijk weer een kroeg die toen werd bestierd door Gerrit Vranckesz Uitenhaege (uit Den Haag). Hij ging in 1600 failliet.
Vanaf ongeveer 1620 woonde hier Guillaume du Rieu, voorzanger in de Oude Kerk en vermoedelijk ook schoolhouder. Hij overleed in 1647. Zijn zoon Johannes de Rieu nam toen het huis over en verkocht een jaar later het voorste gedeelte van de Witte Pauw voor vierduizend gulden aan buurman Cornelis van der Burch, die het bij zijn huis inlijfde.

Sint Oobert
Het noordelijke van de twee later samengevoegde huizen werd kort na de stadsbrand bewoond door ‘Jan die brouwersknecht’. Dat lijkt een echte bierconnectie. Een ‘brouwersknecht’ was echter geen bierbrouwer, maar slechts een werknemer in een brouwerij. Bovendien was de aanslag die deze Jan in 1543 voor zijn huis betaalde in vergelijking met de omliggende panden niet erg hoog en lagen de gevonden kelders niet achter zijn huis, maar achter de bovengenoemde Pauw.
Eind 16e eeuw heette dit noordelijke huis Sint Oobert, genoemd naar de plaats St Aubert, vlakbij Doornik in het huidige België. Bewoonster was destijds Aeltgen Jacobsdr. Zij overleefde in dit huis drie echtgenoten. Eerst was zij getrouwd met bakker Claes Dircxz, daarna met chirurgijn mr Pieter Fredericksz en sinds 1584 met schrijnwerker (meubelmaker) Jan Hendricksz Plouch Os, die overleed in 1592.

De nieuwe Schulp
Begin 17e eeuw wordt de voormalige Sint Oobert eigendom van zijdekoopman Cornelis Corstiaensz van der Burch, die bij de koop moest beloven dat hij daarin geen bedrijf zou uitoefenen dat met kolen werkte. Kennelijk had zijn voorganger dat gedaan en daarmee problemen veroorzaakt.
De handel in zijde van de familie Van der Burch verliep voorspoedig. Zijn zoon, die ook Cornelis van der Burch heette, kocht in 1648 het voorhuis van het buurpand “De Witte Pauw” erbij om beide panden te verenigen tot een groot huis, dat hij vervolgens “De Schulp” noemde. Hij mocht er op straat een ‘glinting’ (stoephek) voor zetten en het verscheen op een lijst van nieuw getimmerde huizen uit die tijd. Dat betekende dat hij enige tijd belastingvrijdom kreeg ter subsidiëring van zijn bouwproject. Of het pand daarbij van de grond af geheel nieuw is opgetrokken, of voornamelijk de gevel, is niet helemaal duidelijk.

Timpaan
Het nieuwe dubbele huis zag er anders uit dan tegenwoordig. Het had waarschijnlijk een L-vorm met aan de zuidzijde een ruime binnenplaats tussen het huis aan de Hippolytusbuurt en het afgesplitste achterhuis met de kelders aan de Heilige Geestkerkhof. Helaas is bij recent bouwhistorisch onderzoek vastgesteld dat van het voorhuis inmiddels zoveel is weg gesloopt dat de oorspronkelijke bouwvorm lastig is te reconstrueren. Maar bouwhistoricus Gertjan van der Harst merkte op dat op de Kaart Figuratief van omstreeks 1675 deels opmerkelijk afwijkend is afgebeeld. Waar vrijwel alle huizen aan de westzijde van de grachten schematisch zijn weergegeven, met dezelfde trapgevel op de rug gezien, heeft het zuidelijke deel van dit huis een heel afwijkende vorm. Het is georiënteerd in de lengterichting van de gracht met een driehoekig ‘timpaan’ aan de achtergevel, naar de classistische mode van die tijd. Daarachter is verder een binnenplaats zichtbaar. Het noordelijke deel van het huis was dieper en is net zo afgebeeld als alle andere huizen op de gracht. Samen leverde dat een L-vormige plattegrond.
Verder mag men aannemen dat de nieuwe gevel aan de straatzijde ook wel met zo’n timpaan zal hebben gepronkt. Voorbeelden van huizen met een timpaan in het tegenwoordige Delft zijn de Vleeshal/Koornbeurs naast de Voldersgracht of het huis met de vazen op de Oude Delft (nr 157).
De kaart is natuurlijk geen luchtfoto, maar deze specifieke details duiden wel op concrete waarnemingen, die in dit geval vanaf de toren van de Oude Kerk ook heel goed mogelijk zijn geweest. Later is de bovengenoemde binnenplaats bebouwd met een aanbouw die tegenwoordig een plat dak heeft, zoals op hedendaagse fotos’s van boven goed te zien is.

Nog een opvallende afbeelding
Er is echter nog een opvallende oude afbeelding van het pand, die iets over zijn vroeger vormen verraadt. Dat is een gedeeltelijk ingekleurde schets van Alexander Oltmans die in 1835 de Oude Kerk tekende gezien vanaf de Voorstraat. Op die tekening heeft het huis al een strakke lijstgevel en een zolderkap evenwijdig aan de straat, zoals tegenwoordig. Van een timpaan is inmiddels niets meer te zien. Merkwaardig is echter de grote hoge zolderkap van het gebouw erachter, uitlopend naar het Heilige Geestkerkhof, met achteraan een grote pakhuisdeur op de zolderverdieping. Ook dit lijkt een reële waarneming van de toenmalige situatie. Het lijkt erop dat de aanbouw met het tegenwoordige platte dak ooit een hoge zolder heeft gehad die doorliep over het achterhuis met de kelders aan het Heilige Geestkerkhof.


Fragment van een deels ingekleurde tekening van Alexander Oltmans uit 1835 van de Oude Kerk, waarop geheel links het huis op de Hippolytusbuurt is te zien. Opvallend is daarop de hoge zolderkap van het gebouw achter de voorhuis aan de straat.(Rijksdienst Cultureel Erfgoed)

Het aangezicht van Hippolytusbuurt 43 in 2019.


John Cornelese toont een Delfts-blauw tegeltje in het oudste deel van de kelder (met tongewelf).
(Foto Fred Leeflang)
 

Het kelderdeel met kruisgewelf, uit circa 1450-1500.  (Foto Fred Leeflang)


3D-tekening van de kelder. ((Archeologie Delft)


Het achtergebouw boven de kelders, van boven gezien op een luchtfoto uit 1922.
(Beeldbank Ministerie van Defensie)


Opgestapelde losse kloostermoppen die bij het uitgraven van de kelder te voorschijn kwamen.
(Foto Fred Leeflang)


Grote belangstelling voor de rondleidingen tijdens de Open Monumentendag 2018.


Fragment van een betegelde wand voor een stookplaats die in de 18e eeuw in de kelder is aangelegd. (Foto Brouwhuis)


Een bakoven in de kelder. (Foto Fred Leeflang)


De tekst van de vergunning die Cornelis van der Burch in 1648 kreeg voor het plaatsen van een stoephek (‘glinting’) voor de nieuw gebouwde gevel van zijn dubbele huis.
 

Het huis met driehoekige timpaan en binnenplaats aan de achterzijde op de Kaart Figuratief van circa 1675. Of het achterhuis aan het Heilig Geestkerkhof helemaal op de juiste plaats is weergegeven is de vraag. De kaart was geen luchtfoto.


Het huis vanaf de Oude Kerk gezien, met het tussenstuk met plat dak tussen het voorhuis aan de straat en het achterhuis aan het Heilige Geestkerkhof, op de plek waar ooit een binnenplaats heeft gelegen. Het platte dak dateert vermoedelijk van een verbouwing van 1899.
 

 




Rentenieren
In de verdere 17e en 18e eeuw blijft het huis aan de Hippolytusbuurt nog lang in handen van de familie Van der Burch, die zich steeds meer gaat toeleggen op het deftig rentenieren, in plaats van actieve handel. Zo is Christiaan van der Burch eind 17e eeuw regent van het Oude Vrouwenhuis en lid van de ridderlijke broederschap ‘Conferie van de Handbusch’ en tweemaal schutterkoning bij dat gezelschap.
Als zijn moeder in 1673 overlijdt, wordt er een summiere boedelbeschrijving opgemaakt, die ons helaas weinig vertelt over de inrichting van het huis. We vernemen alleen dat het huis aan de achterzijde een poort had naar het Heilige Geestkerkhof en dat het verder aan de achterzijde grensde aan de bebouwing met de recent gevonden kelders, die inmiddels toebehoorde aan de eigenaar van het huidige huis Hippolytusbuurt 41.

Koetshuis, lantaarn en koepelkamer
In 1768 verkoopt de familie Van der Burch het huis uiteindelijk aan Hendrick van Swanenburgh. Deze koopt in 1773 het achterhuis aan het Heilige Geestkerkhof er weer bij van de buren. Dat deed toen al enige tijd dienst als koetshuis.
Als de weduwe van Van Swanenburgh, Elisabeth van den Ende, in 1784 overlijdt, komt het tot een beschrijving van haar nalatenschap, waarbij ditmaal wel uitvoerig op de inrichting van het huis wordt ingegaan. Het huis heeft dan aan de voorzijde een groot salet (ontvangstkamer) en daarnaast een ‘klein saletje’ met elk een kamer erachter. Al deze kamers zijn chique gemeubileerd en voorzien van mooie spiegels met lusters (kandelaars aan de muur). Achter die achterkamers is sprake van een ‘lantaarn’ en een ‘koepelkamer’, die wat eenvoudiger zijn gemeubileerd. Deze terminologie kan wijzen op een bebouwde binnenplaats met lichtval van boven. Te meer daar op de bovenverdieping achter een grote en een kleine kamer aan de voorzijde (beide fraai gemeubileerd met notenhouten meubels en een ledikant met blauw behangsel) alleen een overloop en een boekenkamertje is. En daarboven een zolderverdieping.
Beneden was achter de koepelkamer een keuken en vervolgens de stal. Kelders worden in de beschrijving helaas niet genoemd, maar dat kan ook zijn omdat daar geen meubels stonden, maar alleen voorraden. En die worden doorgaans niet in een boedel opgenomen. Van een eventueel pakhuis daarboven vernemen we ook niets.


Verkoopadvertentie in de Hollandsche Historische Courant van 24 juni 1784 van het ‘hegt, proper en
commodes huis’.

Nog een rijke dame
De overleden bewoonster had fl 11.400 aan contanten in huis, ruimschoots genoeg om een huis als dit cash te kunnen betalen. Verder had zij imponerende hoeveelheden zilverwerk, linnengoed en porselein. De 58 schilderijen in huis waren het echter niet waard om gedetailleerd te worden beschreven.
De volgende eigenaar is opnieuw een rijke dame, die zich een koets kon veroorloven: Anna van der Leij. Zij betaalde fl 6.200 voor het huis en koetshuis en bewoonde het 36 jaar lang tot 1820.
Daarna nam belastingdirecteur Paulus Achttienhoven bezit van het pand en na hem halverwege de 19e eeuw Franchois Blanchenay, eigenaar van de zeepfabriek Bousquet op de Voorstraat (nr 90).


Het huis op de oudste kadasterkaart van 1825, genummerd C 169 en C 168.

De opmeting van het kadaster in mei 1900, waarbij de twee delen van het gebouw definitief tot een eigendom C 3092 worden samengevoegd.

Postkantoor
In 1867 werd het achterhuis aan het Heilig Geestkerkhof tot postkantoor verbouwd, wat het geruime tijd zou blijven. Daarbij zijn stalen palen gebruikt die rusten op de fundamenten van het oude keldergewelf. Voor de bovenvloer zijn deels oudere balken van diverse herkomst hergebruikt. Wellicht van het grotendeels afgebroken pakhuis. De constructie maakt opvallend genoeg ook gebruik van kinderbinten dwars op de hoofdbalken, kennelijk om meer gewicht te kunnen dragen.


Familiewapen van regent Christiaan van der Burch.


Delfts-blauwe tegeltjes aan de wand van de oude achteruitgang van de kelder, aangebracht in
de 18e eeuw. (Foto Fred Leeflang)
Meubelfabrikant
In 1872 wordt het huis uitvoerig beschreven in een verkoopadvertentie. Het bevat dan marmeren schoorsteenmantels in het voorhuis, een kabinetje met uitzicht op het Heilig Geestkerkhof en het Postkantoor. Het heeft op dat moment een “vorstvrije kelder”, een turfzolder, en onder meer een domestieken-kamer (dienstboden-kamer). Koper werd meubelmaker Willem van Beest, die zich afficheerde als meubelfabrikant.


Veiling van het pand in 1898 door notaris Eelman, die er kort tevoren nog enige maanden kantoor had gehouden. Delftsche Courant 19 augustus 1898.

Leegverkoop. Delftsche Courant 6 oktober 1898.

Drukkerij en damesmode
De meubelmakerij houdt er in 1898 mee op. Daarop werd boekdrukker Johannes Jacobus Koumans de eigenaar, die het achterhuis nu ook formeel inlijft als drukkerij en vergunning krijgt om te verbouwen. Daarbij zal het platte dak in het midden van het huis zijn ontstaan. Het kan ook zijn dat toen de ingrepen werden gepleegd die hierboven bij de inrichting van het postkantoor werden beschreven.
Aan de voorzijde aan de straat drijft zijn vrouw tot 1913 een damesmodezaak. Zij wordt opgevolgd door de gezusters Misset, die hoedjes verkopen. Koumans zelf doet zijn drukkerij aan de achterzijde in 1917 over aan R. Hoogland. Het adres heet op dat moment niet Heilige Geestkerkhof, maar Oude Kerkplein nr 10.

Beddenhandel
Koumans blijft nog lang eigenaar, maar verhuurt sinds 1919 de winkel aan de Hippolytusbuurt aan de bedden- en matrassenhandel van de gebroeders Bertels. Met diverse andere familieleden en verwanten met soortgelijke winkels in den lande (waaronder vanouds Schiedam) opereren zij in een gezamenlijke inkooporganisatie KOFA. Dat werd tevens de merknaam van de zaak aan de Hippolytusbuurt. In 1936 krijgt het pand een vernieuwde winkelpui aan de straatzijde.


De Gebroeders Bertels pakken uit met hun beddenzaak. Delftsche Courant 7 nov 1919.

Het achtergebouw in 1971, nog met het opschrift Matrassenmakerij Gebr. Bertels. Daaronder is nog vaag het vorige opschrift ‘Drukkerij’ te herkennen.

Ortsgruppenhaus
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bood het huis boven de winkel onderdak aan het ‘Ortgruppenhaus’ van de N.S.D.A.P. Dat was een ontmoetingspunt voor Rijks-Duitsers waar onder meer bonkaarten werden uitgereikt (en wellicht ook in beslag genomen spullen). In het begin van de Oorlog huisde deze club op Hippolytusbuurt 19.
Huiseigenaar Koumans verbleef tijdens de Oorlog in Doorn bij zijn zoon Wim, die tuinder was en daar grote aantallen Joodse onderduikers opving en onderbracht. In juli 1944 werd hij gearresteerd en afgevoerd naar Sachsenhausen (dat hij overleefde). Hoe dit te rijmen is met de curieuze bestemming van het bovenhuis in de oorlogsjaren is vooralsnog onduidelijk.


Delftsche Courant, 5 jan 1942.

Deutsche Zeitung in den Niederländen, 18 sept 1943.

Operazanger
De oude Koumans overleed een jaar na de oorlog en vererfde het pand aan zijn dochter Cornelia, die getrouwd was met de operazanger Johann Meijer. Tijdens de oorlog verbleven zij beiden in Oostenrijk, maar inmiddels hadden zij zich ook in Doorn gevestigd. Voor het huis in Delft hadden zij weinig interesse. Ze verkochten het vrijwel per omgaande aan de firma Bertels, die het al 25 jaar huurde. Door de aankoop kon dat bedrijf in 1947 ook de gebouwen aan het Heilige Geestkerkhof als matrassenfabriek bij de zaak betrekken. Tot dan toe waren die als ‘magazijn’ aan anderen verhuurd.

Grieks restaurant
In 1969 overleed de oude Bertels en werd de matrassenfabriek gesloten. De winkel in woninginrichting werd voortgezet door Cornelis Koreneef. De familie Bertels bleef tot 1982 eigenaar. In 1982 nam Koreneef de panden over en ging ze op zijn beurt verhuren aan het Grieks restaurant Olympia. Daarvoor werd het pand in 1983 aan de voorzijde verbouwd. In 2017 ging de eigenaar van het restaurant failliet.
De uitbaters van Café de Oude Jan aan het Heilig Geestkerkhof kochten het pand om er ‘Het Delfts Brouwhuis’ te beginnen en stuitten al doende op de middeleeuwse keldergewelven.


Restaurant Olympia omstreeks 2010.

Beschrijving van het huis in een verkoopadvertentie
in de Delftsche Courant van 30 oktober 1872, met de vermelding dat het achterhuis dienst doet als postkantoor.


De confectiezaak van mevrouw Koumans circa 1900. (Foto-album TU Delft, Trésor-collectie)


Hoedjes van de gezusters Misset.
Delftsche Courant, 26 september 1912.


Het KOFA-magazijn van de Gebr. Bertels
omstreeks 1930. (Tekenaar onbekend)


Briefhoofd van de firma KOFA, die ook een filiaal had aan de Wijnhaven.
 

Haagsche Courant, 12 mei 1933.
 

Terugblik op de ontwikkelingen in het beddenvak in een artikel bij het 60-jarig jubileum van de
fa. Gebroeders Bertels in Delft.
Delftsche Courant, 1 maart 1950.


Koreneef woninginrichting in 1974.
(Foto G. Dukker, Rijksdienst Cultureel Erfgoed)
Kees van der Wiel
 
Mocht er over de middeleeuwse brouwerij meer te vertellen zijn als de archeologen hun onderzoek hebben afgerond, dan komen we daar in een update van dit verhaal graag op terug.
>> Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Hippolytusbuurt 43
Geplaatst: 9 april 2020  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft