Choorstraat 56
www.achterdegevelsvandelft.nl

Joodse hoedenwinkel in oorlogstijd

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.

Choorstraat 56 is sinds 1986 een Indonesische toko, gelieerd aan het naastgelegen Indonesisch restaurant. Voordien was het huis bijna honderd jaar lang een winkel waar allerhande hoeden en petten werden verkocht. De Joodse eigenaar daarvan heeft de oorlog helaas niet overleefd. Om daar de aandacht op te vestigen ligt er tegenwoordig een struikelsteen voor de deur.
Het pand is een gemeentelijk monument met vermoedelijk een 17e- of 16e-eeuwse kern, al is er in de loop der eeuwen veel aan gemoderniseerd. Zo is de trap- of halsgevel die het vermoedelijk ooit heeft gehad in de 19e eeuw vervangen door een strakke daklijst. Ook kreeg de gevel grote schuiframen en werden de inmiddels rommelige verbouwingssporen achter een nette pleisterlaag verstopt.
Bij verkoop in 1887 telde het huis nog maar één verdieping, zoals ook blijkt uit een schilderij van P.G. Vertin uit die tijd. Niet lang daarna moet het zijn opgehoogd met een tweede verdieping en een nieuwe ruime zolder onder het huidige schilddak.
Op de Kaart Figuratief van omstreeks 1675 staat het huis nog afgebeeld als de helft van een soort tweeling onder één kap met het naast gelegen buurhuis (nu nr 54). Of dat de oorspronkelijke vorm is, is overigens de vraag. Toen het in 1678 werd verkocht, had het een achteruitgang door een poortje dat uitkwam op Dertienhuizen. Van dat poortje wordt later niets meer vernomen.

Joodse hoedenzaak
In 1986 neemt restauranthouder C. Rahardjo de voormalige hoedenwinkel over van Else Hornscheidt en voegt hem samen met de naastgelegen panden Choorstraat 50/52 en 54.
Else Hornscheidt is 82 jaar eerder geboren in Velbert in het Roergebied in Duitsland en in maart 1931 als hoedenmaakster in dienst gekomen bij de toenmalige hoedenzaak ‘Magazijn Delfia’ van Simon Kooperberg.
Kooperberg begon die zaak in 1925 achter een nieuwe winkelpui die zijn voorganger Bik kort voor zijn dood nog had laten ontwerpen door architect H.J. Choufour. Honderd jaar later is die pui nog vrijwel ongewijzigd. Kooperberg huurde de zaak destijds van zijn voorganger, maar door het overlijden van de eigenaar kon hij het pand al een jaar later kopen. Na de koop maakte hij achter het huis een magazijn door het plaatsje achter de winkel te overkappen. In de beginjaren deed zijn winkel niet alleen in hoeden (net als zijn voorganger), maar ook in bont, waarin hij eerder al op de Oude Delft had gehandeld. Hij noemde dat destijds een pelterij.
Kooperberg kwam uit een Joodse familie uit Brabant en was getrouwd met de modiste/hoedenmaakster Johanna de Bruijn. Zij had geen Joodse achtergrond. Als ondernemer roerde Kooperberg zich actief in de Delftse gemeenschap. Zo was hij namens de Joodse gemeente Delft in 1938 lid van het comité dat de kinderspelen en andere festiviteiten organiseerde rond het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.
Al snel na het begin van de oorlog begon de bezetter met maatregelen om Joden hun werk en bezittingen te ontnemen. In de hoop dat voor te zijn maakte Kooperberg in 1941 een afspraak met zijn niet-Joodse Duitse werkneemster Else Hornscheidt om de winkel op haar naam te zetten. Zij beloofde hem het bedrijf weer terug te geven mocht de afloop van de oorlog dat toelaten. Het winkelpand bleef voorlopig zijn eigendom. In oktober 1942 werd dat als Joods bezit onteigend. Else moest het sindsdien van de beheerder van het geroofd goed huren.
Ondertussen had Else voor haar werkgever een onderduikadres geregeld bij haar zuster Adele in Amsterdam, die met een Hollander getrouwd was. Toen hem daar de grond toch te heet onder de voeten werd, week hij uit naar een woonboot in Nieuwkoop. Daar is hij eind 1942 gearresteerd en naar een werkkamp in Vledder gestuurd. Vandaar is hij later via Westerbork naar het werkkamp Blechhammer in Silezië gedeporteerd, in de buurt van Auschwitz. Ondanks de zware dwangarbeid leek hij de oorlog te gaan overleven, maar met het naderen van de Russen ontruimden de nazi’s het kamp en dreven de gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden op een zogenoemde dodenmars lopend voor zich uit. Hierbij kwam Simon op 19 januari 1945 om het leven. Zoals bij de meeste Joodse kampslachtoffers kon dat overigens pas in 1952, zeven jaar later, formeel juridisch worden vastgesteld. Al die tijd gold hij als ‘vermist’ en kon de vererving van zijn bezittingen nog niet worden geregeld.

Ontvijanding
Conform de afspraken heeft Else de winkel al wel in juli 1946 bij de Kamer van Koophandel weer op naam gezet van Kooperbergs weduwe, Johanna de Bruijn. Vervolgens bleef zij bij haar als werkneemster in dienst. Dat was althans hun beider bedoeling, maar de Nederlandse bureaucratie maakte dat destijds wel knap lastig. Als Duitse was ze inmiddels ‘ongewenste vreemdeling’ en kwam daarmee volgens de regels niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning en dus ook niet voor een werkvergunning. Ook al nam de weduwe Kooperberg het voor haar op en kon zij bovendien een getuigenis overleggen van haar buurjongen van Choorstraat 58, dat deze tijdens razzia’s voor de Arbeitseinsatz met een vriend bij haar heeft kunnen onderduiken.
In 1939 had zij nog geprobeerd zich tot Nederlandse te laten naturaliseren, maar dat verzoek werd destijds niet meer in behandeling genomen vanwege de oorlogsdreiging.


Else Hornscheidt en Johanna Kooperberg-de Bruijn samen voor hun hoedenwinkel, kort na de oorlog. Fotograaf onbekend.

Uiteindelijk krijgt zij in oktober 1946 een tijdelijke werkvergunning voor drie maanden en moet ze zich anderhalf jaar elke drie maanden bij de vreemdelingenpolitie melden voor een verlenging. Dan duikt plots een lijst op waaruit blijkt dat zij tijdens de oorlog lid is geweest van het Arbeitsfront en de Nationaal-Socialistische Frauenschaft NSF van Duitsers in Nederland. Zij ontkent dat niet, maar zegt dat zij bijeenkomsten van die club zelden heeft bezocht en haar lidmaatschap als middel heeft beschouwd om moeilijkheden over het veiligstellen van Joods bezit te voorkomen.
Na uitgebreid onderzoek wordt haar houding ‘correct’ bevonden en krijgt zij in april 1948 van de Vreemdelingendienst te horen dat deze geen bezwaar meer heeft “tegen een voortgezet verblijf hier te lande van deze vreemdeling”. Ze krijgt het advies zo spoedig mogelijk een procedure aan te vragen tot “ontvijanding”.

Einde van de hoedenwinkel
Hun hele leven blijven Else en haar zus steun en toeverlaat voor de weduwe Kooperberg. Samen met haar werkgeefster blijft zij boven de winkel wonen. In 1954 schrijft Johanna de Bruijn de winkel opnieuw op haar naam over. Na de dood van Johanna in 1962 wordt zij ook eigenaresse van het huis. In 1966 stopt ze met de hoedenverkoop wegens gebrek aan gekwalificeerd personeel. Ze is dan 62. De winkelruimte verhuurt zij vervolgens aan de naastliggende drogisterij Papillon op de hoek van de Choorstraat. Daarna blijft ze nog twintig jaar boven de winkel wonen. Tenslotte slijt ze haar oude dag in ‘Huize Christoffel’ aan de Papenstraat. Al met al heeft zij het pand 55 jaar bewoond. (Lees hier over de Indonesische toko die daarop volgt.)


De hoedenzaak in 1960. Foto Willem van der Poel.

Oudst bekende bewoners
In 1600 woont hier Jannetgen Heyndricx, weduwe van Huych Cornelisz de Haen en ‘haar meijsken Annetgen Mattheus’. Het huis is dan al bijna een halve eeuw in het bezit van de familie van haar overleden man. Maar wat voor beroep of nering die familie uitoefende blijft helaas gissen.
De eerstvolgende bewoner die we kunnen traceren, is schoenmaker Jasper Gerritsz van Elden. Hij koopt het huis in 1638 van de erfgenamen van de voormalige buurman Pieter Pietersz Clement (zie nr 54). Jasper heeft van zijn aankoop maar kort plezier, want hij sterft nog datzelfde jaar. De Weeskamer inventariseert dan zijn bezittingen om de rechten van zijn 9-jarige dochter Anneke op haar latere erfenis te beschermen. Uit die boedelbeschrijving blijkt dat Van Elden lid was van de schutterij. Hij heeft namelijk een musket, twee degens, een pluim en een bandelier (brede draagriem) in huis. Hij blijkt redelijk welvarend. In huis zijn zilveren sieraden en ruim gevulde kleding- en linnenkasten en maar liefst 45 tinnen tafelborden. Verder zijn er vijftien schilderijen, waarvan zes doeken van de schilder Jacob Pynas, twee ‘zeetjes’ van de onbekende Coopij en zeven werken ‘van kleinder importantie’.
Naast het huis in de Choorstraat heeft de overledene ook een huisje om een poort achter het huis die uitkomt in Dertienhuizen. Apart genoemd bij het onroerend goed wordt een post van 300 gulden voor ‘verbetering van timmeragie’. Dat slaat waarschijnlijk op de kosten van het opknappen van zijn pas gekochte huis. In die tijd daarvoor een aanzienlijk bedrag.

Belediging
Zijn weduwe Machteld van Wonderen hertrouwt met Pieter van Uden, die zich tot vrij succesvol graanhandelaar ontwikkelt. Hij bezit meerdere huizen in de stad en land in de omgeving. Dit huis doet hij in 1644 voor een mooie prijs van de hand aan een weduwe die in Hoorn woont. Machteld komt, als zij al lang elders woont (op het Oosteinde), in 1665 in aanraking met justitie omdat zij twee wijkmeesters de deur heeft gewezen die voor de belastingen de stookplaatsen in huis wilden zien. Als ze later terugkomen, krijgen ze opnieuw verwensingen naar hun hoofd, en provoceert ze: “Ick sal u het schijthuis laten sien”. Gezien haar leeftijd (61 jaar) komt zij er vanaf met een openbare boetedoening voor het stadhuis en honderd gulden boete.

Komenijswinkel
In de 18e-eeuw woont hier droogscheerder Barend Roeters. Hij koopt het huis in 1733 van zeeman Antonij Voorwijck in de Vissteeg, die bij de VOC opklimt van matroos tot wapenmeester. Barend blijkt al huurder van hem sinds hij in 1729 is getrouwd met Jannetje (Anna) de Jong. Droogscheerder is een vrij goed betaalde vakman die met hete messen pas geweven lakens spiegelglad weet te scheren. Daarnaast heeft hij een vergunning zout en zeep te verkopen. Vermoedelijk is dat vooral de handel van zijn vrouw. Een belastingregister uit 1749 vermeldt dat het echtpaar op dit adres een ‘groote komenijwinkel doet van allerlei waren’ (kruidenierszaak) en ook bier verkoopt. Zij zijn ook lid van het St. Nicolaasgilde van winkeliers.
Als zij in 1776 en 1777 kort na elkaar overlijden, wonen zij echter niet meer in de Choorstraat, maar bij de Haagpoort, in de bakkerij de Gekroonde Theepot aan het Noordeinde die Barend voor zijn zoon Dirk heeft gekocht.
Het huis in de Choorstraat hebben zij op hun oude dag verhuurd, net als hun dochter Hester, die het huis erft. Zij heeft met haar man een winkel op de Markt.
Niet onmogelijk is dat Johannes van Gogh en Kaatje van Straaten die het huis in 1792 van haar kopen, al eerder hier de huurders waren. Kaatje krijgt in 1776 een vergunning zowel voor de verkoop van koffie en thee als van spek en vlees. Beiden overlijden in 1796 in het huis.

Smidse
Een volgende bewoner is smid Hendrik Verbeek. Hij koopt het pand in 1797 en woont er 24 jaar tot hij in 1821 overlijdt. Het grootste deel van die tijd is hij weduwnaar, want zijn vrouw Clazina Parée sterft al een jaar nadat zij het huis betrekken. Hendrik blijft dan achter met drie dochters. Van die drie overleeft alleen Elsje haar vader. Zij is bij zijn overlijden 44 jaar en nog ongehuwd en heeft jarenlang voor hem en het huishouden gezorgd, blijkt uit de waardering in haar vaders testament. Zij is dan ook zijn voornaamste erfgename. Een deel van de erfenis gaat verder naar de drie minderjarige kinderen van zijn inmiddels overleden dochter Adriana. Verder bedenkt hij nog de weduwe Pieternella van Boheemen. Zij krijgt van hem het huis op het Vrouwjuttenland (nr 45), dat zij bewoont.
Want Hendrik was niet onbemiddeld. Sinds hij met zijn smederij in de Choorstraat is begonnen, heeft hij door de hele stad een koninkrijk van 24 huizen bij elkaar verzameld. Die heeft hij tegen bodemprijzen op de kop kunnen tikken in de sombere Franse tijd waarin verkopers huizen aan de straatstenen niet konden slijten. Onder die huizen onder meer het buurhuis (nr 54) in de Choorstraat en nr 41/43 aan de overkant. Verder is hij eigenaar van herberg het Witte Hart op de Markt (ooit de herberg “Mechelen” waar in de 17e eeuw Vermeer is opgegroeid), de voormalige plateelbakkerij de Dubbele Schenkkan op de Oude Langendijk en een huis op de Oude Delft op de hoek van de Dirklangenstraat. Kennelijk viel met smidswerk in oorlogstijd wel iets te verdienen.

Aambeeld en kamergemak
Volgens de beschrijving van het huis van de overledene stond in het voorhuis een flink aambeeld met voorhamers, bankschroeven, een slijpsteen, boorijzers, pompboren en een vuur met een grote en kleine blaasbalg. Overal lagen bergen oud-ijzer. Boven op zolder lag nog meer oud-ijzer en stonden twee kachelhaarden. Verder had hij in de Pluimpot nog een pakhuis met oud-ijzer, een voorraad kachels en kachelpijpen. Ook daar stond nog een aambeeld, met daarnaast een kruiwagen.
Achter de winkelruimte was een woonvertrek dat zowel uitkeek op de werkplaats als op de binnenplaats achter het huis. Hier was een ‘ijzeren schoorsteen’ met een kolenhaard - vrij modern voor die tijd- en een bedstee (met een tinnen waterpot). Er staan twee Friese klokken. In een la van een kabinet met kleding en linnengoed ligt tussen de kousen een testament en een gezangboek. Bovenop de kast staat een kapot stel aardewerk. Op de binnenplaats is een keukentje aangebouwd, waarin een kookpot aan een ketting hangt, te midden van ander kookgerei en een ‘kamergemak’ (poepdoos). Naast de winkel is een klein kantoortje.
Boven is een achterkamer “die met twee kruiskozijnen uitziet op de binnenplaats”. Hier is een bedstede en hangen wat schilderijtjes aan de muur. Op het portaaltje boven de trap ligt een Bijbel.
De bovenkamer aan de voorkant van het huis wordt bij de beschrijving overgeslagen. Kennelijk was dat het domein van 44-jarige Elsje die de notaris door het huis van haar vader rondleidde en lagen daar alleen haar eigendommen.

Dood klopt op de deur
Verbeeks jongste dochter, Hendrina, is in 1811 getrouwd met een smid en bleef ook daarna bij haar vader in huis wonen. Het paar kreeg twee kinderen, die jong stierven. Maar een opvolger in de zaak weet Hendrina haar vader niet te bezorgen. Zijn schoonzoon neemt dienst als smid in het leger van het nieuwe Koninkrijk. Hij raakt gelegerd in Doornik, waar hij overlijdt. De 33-jarige weduwe volgt hem daarna snel en wordt twee jaar voor haar vader in 1819 begraven.
Elsje stapt na de dood van haar vader alsnog in het huwelijksbootje. Zij trouwt met de winkelier Jacobus van Gaalen, maar sterft ook al in 1824 in het huis dat zij kort daarvoor heeft geërfd. Haar man hertrouwt en wordt tapper in Den Haag.

Winkels komen en gaan
Het pand is verder de hele 19e en 20e eeuw een winkelpand geweest. Veel van die winkels hebben maar een kort bestaan gekend, en de meeste van die winkeliers zijn huurders. Zo heeft in 1839 de Portugees-Joodse Mozes Gomes Carvalho hier een winkel. Een jaar zat zijn zaak nog op de Markt. In 1845 blijkt hij in Den Haag neergestreken, waar hij op 34-jarige leeftijd overlijdt.
Vervolgens zit hier tussen 1844 en 1851 tabaksverkoper Charles Swertz, die daarna naar Gennep in Limburg verkast. In de jaren 1850 is hier acht jaar lang een barbierswinkel. Hierna volgen een spekslager, een horlogemaker en daarna rond 1870 twee uitbaters van een zaak in groenten en aardappelen.
In 1871 opent Cornelis Buitenhuis hier de “Gelderse Winkel”, waar hij worst en vleeswaren verkoopt. De eigenaar is zijn schoonvader van wie hij vier jaar later het huis koopt, maar nog  datzelfde jaar verkoopt hij het met een mooie winst aan J.W. Brinkman. Die doet in schrijfwaren en cadeauartikelen, maar verhuist al na een paar jaar. Hij laat zijn zaak vervolgens waarnemen door ene Gerard van der Schot die haar als ‘firma JW Brinkman’ voortzet. Hij maakt er een ‘Grand Bazar’ van met onder meer koffers en klompen. Met Sinterklaas pakt hij uit met een grote sortering kinderspeelgoed. Een groot succes weet hij er niet van te maken.
Vervolgens waagt J.G. Bruseker een blauwe maandag een gok met de “Nieuwe Amsterdamse Winkel” waar hij tijdens de Kermis snoepgoed en banketbakkersgoed verkoopt. Hij noemt het een ‘tijdelijk filiaal’, want op de Markt (35) heeft hij al een winkel waar hij hoeden en paraplu’s verkoopt en danslessen geeft.
Al die tijd is de bovenverdieping verhuurd aan andere bewoners.


De Choorstraat, geschilderd door Petrus G. Vertin in 1888. Rechts is nog net te zien dat het huis boven toen nog slechts één verdieping had.

Hoeden en petten bij Bik
In 1889 komt het pand in rustiger vaarwater als Dirk Bik er een winkel begint in hoeden, petten, boorden, manchetten en voorhemden. Die zaak houdt het 27 jaar vol.
Daarmee zijn we weer terug bij de hoedenwinkel waarmee we het verhaal begonnen. Als Bik het pand voor 4.000 gulden koopt, heeft het vermoedelijk nog slechts één bovenverdieping. Dat blijkt althans uit de verkoopadvertentie van twee jaar eerder, toen het huis aan het RK-Armbestuur werd verkocht.
Bik lijkt degene te zijn geweest die het huis voor 1900 met een verdieping heeft opgehoogd en voorzien van een ruime zolder onder een schilddak. Waarschijnlijk gebeurde dat in 1891 toen hij vergunning kreeg om het huis in de steigers te zetten. Of zijn kinderen op die zolder geregeld turnoefeningen deden, weten we niet. Hun ouders lieten hen wel in de studio bij de fotograaf in gympakjes uit die tijd op de kiek zetten.


De kinderen Bik in gymnastiekpakjes bij een onbekende fotograaf, vermoedelijk omstreeks 1898.


De Choorstraat op een uitsnede uit een foto genomen vanaf de Nieuwe Kerk voor 1900. Fotograaf onbekend.

Henk van der Stelt en Kees van der Wiel



Choorstraat 56 in 2016. Foto Achterdegevels.


Struikelsteen voor de deur ter herinnering aan de moord op Simon Kooperberg, 21 januari 1945.


Advertentie in de Haagsche Courant van 31 januari 1925.


Advertentie Magazijn Delfia in Delftsche Courant van 25 april 1925.


Document van de overschrijving van het huis van Kooperberg naar de roofinstelling  van Joods onroerend goed de z.g. Niederländische Grundstückverwaltung op 29 okt 1942.


Pasfoto van Else Hornscheidt in 1942.


Reisdocument van Else Hornscheidt waarmee zij tijdens de oorlog twee maal een kort familiebezoek aan Duitsland heeft gebracht.


































































Jupiter en Io (als koe), geschilderd door Jacob Pynas. Collectie Fritz William Museum, Cambridge. Jasper van Elden was kennelijk een groot fan van deze schilder: hij had zes werken van hem in huis.


Scheldende vrouw. Pentekening van Rembrandt.
Privé collectie, Londen.


Een komenijswinkel, geschilderd door Frans Mieris II in 1715. Collectie Rijksmuseum.


Een smid aan het werk op zijn aambeeld. Prent van Gilles van Scheyndel, 17e eeuw. Collectie Rijksmuseum.


Een kamergemak. Collectie Historisch Museum Ommen.


Delftsche Courant, 25 nov.1870.


Delftsche Courant, 20 nov.1872.


Delftsche Courant, 23 aug.1876.


Delftsche Courant, 20 nov.1881.


Verkoopadvertentie Delftsche Courant, 17 april 1887.


Delftsche Courant, 11 mrt 1888.


Familiedrama. Delftsche Courant, 26 jan.1892.


De winkel kort na de restauratie van het buurpand in 1904. De zaak had haar assortiment inmiddels van hoeden en boorden uitgebreid tot herenconfectie. Fotograaf onbekend.

Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Choorstraat 56.

Geplaatst: 4 augustus 2026
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft