Buitenwatersloot 1
www.achterdegevelsvandelft.nl

Vanouds herberg De Bolk

Kort luisterverhaal op Omroep Delft Radio
door Aad van Tongeren (18-4-2023)

De huidige studentensociëteit De Bolk was eeuwenlang een herberg vlak buiten de grote Waterslootsepoort en een strategische pleisterplaats voor veel boeren, tuinders en vissers die hun waren naar de stad hadden gebracht. Voor de deur meerde drie tot vier keer per dag de trekvaart uit Maasluis af. De herberg werd langdurig gerund door enkele elkaar opvolgende families en was voorzien van ruime stallen voor trekpaarden van schuit- en wagenvoerders. Rijkere Delftenaren konden er een rijtuig of arrenslede huren voor plezierritjes door het Westland.
Het sterk gedateerde logement sloot kort voor de Tweede Wereldoorlog haar deuren. Het gebouw werd toen niet afgebroken, zoals de bedoeling was, maar gebruikt als opvang voor Rotterdammers wiens huis was platgebombardeerd. Daarna deed het nog een tijd dienst als meubelfabriek, voordat de studenten er in 1963 introkken.

Fabel
Volgens hardnekkige overlevering zouden bij de begrafenis van Willem van Oranje in 1584 al gasten in deze herberg hebben gelogeerd. Dat blijkt echter een fabel. In 1573 werd langs de Buitenwatersloot alle bebouwing afgebroken om de Spanjaarden in geval van belegering van de stad elke beschutting te ontnemen. Tot 1590 bevonden zich op deze plek slechts onbebouwde tuinen, blijkt uit recent onderzoek van archivaris Marion Claessens. Ten tijde van de moord op Willem van Oranje was hier dus nog helemaal geen herberg.

Den Ouden Paerdenstal
De oudst bekende geschiedenis van herberg De Bolk begint in 1611 wanneer Cornelis Cornelisz Bollick een erf koopt aan de Buitenwatersloot van Annetgen Claes. Vermoedelijk woonde zij en haar man, Arien Woutersz, in het huis buiten de Waterslootsepoort waar Arien werkte als wielmaker. Cornelis was voerman, ofwel iemand die een wagen bestuurde met behulp van trekdieren, maar in dit geval waarschijnlijk een schip, want de eerste keer dat zijn naam in de archieven opduikt, wordt hij in 1608 in een notariële akte omschreven als “Cornelis Cornelisz Bollick, schuijtevoerder ande vest bij de Haechpoort”.
Drie jaar later kocht Cornelis het huis en de stal bij de Waterslootsepoort samen met zijn vrouw Lijsbeth Jans. Pas na Cornelis’ dood werd het gebouw door Lijsbeth in gebruik genomen als herberg. De herberg stond destijds bekend als ‘den Ouden Paerdenstal’. Zij erfde wel een hoop schulden van Cornelis. Zo had Cornelis vlak voor zijn dood nog een poort en gang naast de herberg erbij gekocht die nog niet was afbetaald.


Stadsgezicht van Delft vanuit het westen, geschilderd door Hendrik Vroom omstreeks 1615. Op de voorgrond de huizen en tuinen, waarin de herberg ontstond. (Collectie Museum Prinsenhof)

Noodlottige val
Lijsbeth Jansz, die zichzelf Lijsbeth Bollix noemde, was 25 jaar lang eigenaresse van de herberg, ondersteund door haar derde echtgenoot, Jan van Santen, met wie ze trouwde in 1617. Ze breidde de herberg nog verder uit met een tuin dat achter het gebouw. Zij overleed in 1640 toen zij van de zolder van de herberg viel en haar nek brak.
Den Ouden Paerdenstal, die inmiddels bestond uit een woonhuis, schuur, erf en tuin, werd na de dood van Lijsbeth verdeeld onder haar derde echtgenoot en een zoon uit haar eerste huwelijk met Cornelis Bollick: Cornelis van der Houff. Een jaar na de dood van Lijsbeth, verkocht Jan van Santen zijn helft aan zijn stiefzoon Cornelis, die nu dus eigenaar was van het hele pand.
Cornelis van der Houff (ca. 1607-1648) was hier acht jaar herbergier. Hij nam ook de achternaam ‘Bolck’ over van zijn ouders. Vermoedelijk heette het gebouw echter nog niet zo. Die naam is in ieder geval niet in akten uit die tijd te vinden. Het is wel voor te stellen dat de herberg als ‘De Bolck’ bekend stond in Delft, naar de eigenaren van het gebouw.

Trekvaart naar Maassluis
De herberg was strategisch gelegen aan een van de uitvalswegen uit de stad en was vooral een geliefd trefpunt voor bewoners uit het Westland die op marktdagen de stad bezochten. Dat kreeg een extra impuls toen in 1644 een nieuwe trekvaart werd geopend naar Maassluis. Daarbij stond overigens niet het vervoer van marktbezoekers voorop, maar vooral de behoefte aan een snelle verbinding voor de aanvoer van verse vis. De nieuwe verbinding met jaagpaden maakte het mogelijk de 13,5 kilometer strekkende tocht in twee uur af te leggen, twee keer zo snel als voorheen.
De veerschuiten vertrokken in Delft vanaf de steiger direct voor De Bolk en voeren minstens drie keer heen en weer per dag, en op donderdagen, de wekelijkse marktdag, voer er vaak nog één schuit extra. Een door de stad aangestelde commissaris van het trekveer zag op de steiger voor De Bolk toe op de regels en inde daar het passagiersgeld.
De officiële veerdienst bleef bestaan tot 1871, waarna nog enkele beurtschippers de verbinding op eigen initiatief nog een tiental jaren volhielden. Vanaf 1912 tot 1967 nam de Westlandse Tramweg Maatschappij die taak over. Daarover later meer.

Twee Swarte Paerden
Cornelis Cornelisz ‘den Bolck’ overleed in 1648. Zijn weduwe, Willemtge Claes van Santen, zette de zaak voort. Zij bleef een kleine dertig jaar eigenaresse van de herberg. Ze had aardig wat pech in de liefde, maar hertrouwde uiteindelijk met Jan van Dalen.
In 1667 nam Cornelis Cornelisz van der Houff (de derde) de herberg (huis, stal, tuin en erf) over. Hij kocht daarbij de andere erfgenamen uit. Die koopakte beschrijft de herberg als “alwaer is uijthangende de twee swarte paerden”. De herberg zal in die tijd dus wel genoemd zijn geweest naar de twee zwarte paarden van dat uithangbord.

Herberg ‘Den Bolck’
Een jaar voordat Cornelis de herberg kocht, trouwde hij met Maria Jans van der Molen. Samen werden zij de nieuwe herbergiers van wat ze herberg ‘den Bolck’ gingen noemen. Waarom deze naam? Misschien om eer te betonen aan de oprichters, tevens zijn vader en opa, van de herberg. Misschien werd de naam al eeuwen onofficieel gebruikt en werd het tijd deze eindelijk officieel te gaan voeren. Het testament van Cornelis en Maria in 1687 is de eerste keer dat de naam ‘den Bolck’ voor de herberg in een archiefstuk is aangetroffen.
Toen Maria, die inmiddels weduwe was geworden, twee jaar later de herberg middels een openbare veiling te koop aanbood, werd ze omschreven als ‘een seer sterck ende wel doortimmerd huijs ende erve, met twee stallingen, ende een thuijn met een thuijn huijsie daerin, zijnde de herberge genaemd den Bolck’.


Verkoopadvertentie voor de ‘vermaerde’ herberg De Bolk ‘met veele kamers’ en stalling ‘voor wel 60 paarden’ in de Opregte Haerlemse Courant van 29 sept. 1689.

Enige ‘Stadsherberg’
Maria verkocht herberg de Bolk in 1689 aan Geertruid van Rijn, een weduwe uit Den Haag. Zij zou hier 28 jaar lang de waardin zijn. Toen zij in 1717 overleed, werd de herberg eigendom van haar dochter, Clasina Schouten. Deze kreeg in 1728 te maken met een probleem: ene Simon van Winden, hospes van herberg ‘de Son’, beraamde een plan om op het plein voor de Buitenwaterslootse Poort een herberg op te richten die óók “Stadsherberg vanden Bolk ofte daer omtrent” zou gaan heten. Clasina schreef direct het stadsbestuur aan om dit koste wat het kost te voorkomen. Ze stelde dat háár herberg al “seer lange jaeren, alsoo is genaemt geweest”. De burgemeesteren bepaalden, aan de hand van deze casus, dat er géén twee stadsherbergen buiten één poort mogen staan, laat staan dezelfde naam mogen voeren. (Zie voor het fenomeen geprivilegieerde stadsherbergen - verbonden aan stadspaardenstallen - ook het verhaal over Zuideinde 2)
Na 22 jaar verkocht Clasina haar Stadsherberg De Bolk in 1739 aan Arnoldus Dons, via tussenman Johannes Heere. Dons was een Hagenees die naar Delft verhuisde om de herberg te runnen. Misschien kwam hij eerder al vaker in Delft en verbleef hij dan in De Bolk. Hij woonde en werkte in de herberg met zijn vrouw, zijn dochter Hermina, en een knecht. Daarnaast had hij ook twee paarden, een open wagen en een chaise: het bedrijf bleef belangrijk in de transport.
Arnoldus Dons overleed in 1750. Zijn weduwe, Alida Demmers, bleef nog enkele jaren de waardin van de herberg, maar verkocht uiteindelijk in 1755 de Bolk aan Fransiscus Rodenrijs.


De Waterslootsepoort en het daarvoor gelegen kunstmatige eilandje op een aquarel van Isaac van Haastert, eind 18e eeuw.
 

Eeuwenlang was De Bolk een geliefde plaats voor openbare verkopingen en boelhuizen. Op 21 augustus 1730 adverteerde stalhouder Jan Kok in de ’s Gravenhaegsche Courant voor de opheffingsverkoop van zijn bedrijf bij de Oostpoort!

Speelwagen en arrenslee

Frans Rodenrijs was een bekende van de familie Dons. Ook hij kwam oorspronkelijk uit Den Haag en kwam in 1753 naar Delft om te trouwen met Hermina Dons om met haar in de herberg in te trekken. Na twee jaar huwelijk kwam Hermina al te overlijden. Frans vertrok echter niet. Hij nam kort het overlijden van zijn vrouw De Bolk over van Alida Demmers, inclusief de paardenstallen en de tuin. De inventaris van De Bolk was inmiddels uitgegroeid tot drie paarden, drie chaises, een phaëton, een open speelwagen, een mistwagen en een paardenslee. Daarnaast nam hij zestig sets lakens, veertig kussenslopen, honderd servetten en twaalf tafellakens bij de aankoop over. Daaruit blijkt dat de herberg inmiddels was uitgegroeid tot een flinke onderneming.
Frans Rodenrijs bleef tot zijn dood in 1800 de eigenaar van De Bolk. In de 45 jaar dat hij herbergier was, heeft hij meer land gekocht (in de buurt van het huidige Agnetapark). Ook stond hij ingeschreven als meestertapper van Delft.
Frans Rodenrijs hertrouwde meerdere keren en liet aardig wat kinderen achter. Zijn vierde vrouw, en uiteindelijk weduwe en eigenaar van De Bolk na Frans’ overlijden, Apolonia van den Ende, kwam oorspronkelijk ook uit Den Haag. In 1807 verklaarde Apolonia dat zij het grootste deel van haar kapitaal, inclusief De Bolk wilde nalaten aan stiefzoon Simon Rodenrijs, een zoon uit een eerder huwelijk van Frans Rodenrijs. Simon woonde in De Bolk en hielp waarschijnlijk veel mee.

Zeer spatieuze kamers
Na de dood van zijn stiefmoeder in 1808 werd Simon officieel de eigenaar. Hij was vrij hecht met zijn familie, ook met zijn jongere broer, Simon Theodorus Rodenrijs. Maar bij nader inzien had hij kennelijk toch andere plannen en zette in 1809 de ‘welgelegen en van ouds vermaarde en zeer florissante herberg en uitspanning genaamd de Bolk’ te koop.
‘De ruime huize’ bevatte toen ‘zeer spatieuze kamers en vertrekken’ (….)‘stallingen en een poort’, en bovendien een ‘vruchtbare tuin met tuinhuis’.
Zijn broer Simon Theodorus Rodenrijs bood tenslotte op de veiling 6.500 gulden, in die dagen van bodemprijzen op de huizenmarkt een enorm bedrag. De biedingen waren begonnen vanaf 2.000 gulden, waaruit blijkt dat de herberg flink in de belangstelling stond.
Simon Theodorus Rodenrijs bleef hier vervolgens logementhouder tot 1833. Waarna hij het pand overdroeg aan zijn schoonzoon Jacobus Rudolphus Vos (J.R. Vos).


Kort nadat de familie Vos het roer in De Bolk overnam, ging de omgeving flink op de schop voor de aanleg van het spoor. Hier de kadasteropmeting uit 1843 voor het nieuwe tracé.

Begin van een eeuw Vossenburcht

Jacob Vos kwam oorspronkelijk uit een familie van timmerlieden in Heusden (Noord-Brabant) en was zelf ook meester timmerman. Onder zijn leiding groeide De Bolk door en was het naast een herberg en een stal ook een timmermanswinkel waar Vos zijn ambacht uitoefende. Negen jaar later overleed hij in 1842 en liet toen negen kinderen achter. Zijn weduwe Maria Apolonia Rodenrijs was vanaf dat moment hier de logementhouder. Zij zou haar man in die rol nog veertig jaar overleven en ondertussen negen jonge kinderen grootbrengen.
Eén van die kinderen was de zevenjarige ‘Johannes Hendrikus Vos’, die in 1835 in De Bolk ter wereld kwam. Hij is degene die uiteindelijk in 1861 de herberg van zijn moeder zou overnemen. Volgens het bevolkingsregister is hij dan ‘hooft’ van het huishouden. Zijn moeder blijft wel in het pand wonen, maar is dan niet langer ‘hooft’.
Voor die tijd had Johannes nog een hele andere baan. Bij zijn inschrijving voor de schutterij stond hij in 1860 nog te boek als banketbakker.
Zijn vrouw, Maria Wubbe, die ongetwijfeld een belangrijke rol bij het runnen n van het logement heeft gehad, moet het in het toenmalige bevolkingsregister als getrouwde vrouw genoegen nemen met de rol van ’huisvrouw zonder beroep’.
Tot de gasten die geregeld van het logement gebruikt maakten behoorde Eduard Douwes Dekker, alias Multatuli, die bij lezingen van studenten aan de opleiding van Indische ambtenaren een graag geziene gast was. En zelfs koning Willem II zou er volgens de familie-annalen nog te gast zijn geweest.

Drukte rondom De Bolk
In de jaren dat Johannes Hendrik Vos er logementhouder was, werd het langs de Buitenwatersloot merkbaar drukker. De waterweg groeide met de opkomst van de tuinbouw in het Westland uit tot een belangrijke verkeersader voor het verkeer van en naar Delft. Meerdere vermeldingen van De Bolk als ligplaats voor pakschuiten en andere vaartuigen benadrukken deze ontwikkeling en wijzen op het belang van deze locatie als populaire aanmeer- en doorvoerplaats.
Daarnaast kwam de gemeente rond die tijd ook met plannen om de Buitenwatersloot vanaf De Bolk te verbreden. De vele rijtuigen die vaak voor de Bolk stopten, belemmerden de passage. Er werd lang en veel over gepraat in de raad, maar tot actie kwam het niet.
Wel werd er al wat kadastrale grond aan de Buitenwatersloot voor De Bolk overgedragen aan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM), officieel in verband met “eene voorgenomen verplaatsing van het spoorwegstation alhier en eene vergrooting van het stations-emplacement”.


Ansichtkaart uit 1901 met daarop het logement en naastgelegen stalhouderij en het rangeerterrein van de spoorwegen voor de deur.

Westlandse Stoomtram

Opschudding veroorzaakte vooral het plan in 1890 om een stoomtramlijn aan te leggen tussen Delft en Maassluis. De plannen voorzagen in een trambaan die vlak langs de stal van De Bolk zou komen te liggen. Logementhouder Vos was daar niet blij mee. Hij uitte daarover zijn ongenoegen in een ingezonden brief in de Delftsche Courant. Daarin waarschuwde hij dat rijtuigen daardoor niet meer veilig gestald konden worden en marktwagens geen manoeuvreerruimte zouden hebben in de straat.
Vos stelde een alternatieve route voor via de Spoorsingel. Dat idee werd niet overgenomen. Als compromis kwam in 1892 het voorstel om de tram ’s nachts en op donderdag (de traditionele marktdag) niet te laten rijden om de hinder te beperken. Toch bleef Vos ontevreden. Hij klaagde opnieuw over de slechte bestrating. De gemeente erkende dat de straat eigenlijk helemaal opnieuw bestraat moest worden, maar de middelen daarvoor (1677 gulden) waren niet beschikbaar.
Op 1 oktober 1912 werd, na een lange voorbereiding, de lijn van de Westlandsche Stoomtramweg-Maatschappij uiteindelijk geopend. Het geluid van paarden en karren rond De Bolk vermengde zich voortaan met het nieuwe geluid van stoomvoertuigen.

Laatste dagen van het logement
Vanaf 1896 kwam ondertussen in de persoon van Jacobus R.A.M. Vos de volgende generatie van de familie Vos in beeld. De 25-jarige zoon van J.H. Vos wordt dat jaar geregistreerd als stalhouder. Als zijn vader in 1908 overlijdt, runt zijn moeder het logement enige tijd, maar vanaf 1910 neemt J.R.A.M. Vos het roer over. Het hotel telde in die tijd zo’n 22 kamers en daarnaast was er nog een hele vracht aan inwonende dienstbodes en buffetjuffrouwen, blijkt uit de woningkaart. Ten tijde van de mobilisatie gedurende de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden er bovendien 60 paarden ingekwartierd. Toch lijkt met al het toenemend verkeer de pleisterplaats aan de rand van de stad steeds meer aan betekenis in te boeten. De komst van de auto maakte het logeren op doorreis steeds minder noodzakelijk. De Bolk werd geleidelijk aan vooral een hotel voor handelsreizigers, die naar Delft kwamen om hier hun waren te slijten aan de lokale middenstand. Zelfs waren een paar kamers als showroom ingericht, waar ze hun waren aan de klanten konden tonen.
Ook arrangementen met de ANWB voor toertochtjes vanuit De Bolk door het Westland konden het tij niet keren. Het gebouw was slecht onderhouden en de voorzieningen van het hotel behoefden hoognodig modernisering, zo was er in de kamers nog geen stromend water. Binnen de familie bleek dan ook geen opvolger te vinden, toen Jacob Vos in 1939 overleed. Aan een gebrek aan kinderen lag het niet. Hij had er acht, drie zoons en vijf dochters, maar zij kozen elk een ander pad, van banketbakker en kantoorbediende tot tuindersleerling en telefoniste. Ze vlogen bovendien uit tot Ootmarsum aan toe, blijkt uit de bevolkingsadministratie. Na de dood van haar man hield de weduwe hield het bedrijf met hulp van haar oudste dochter nog een paar maanden draaiende, maar toen besloot de familie er een punt achter te zetten.

Opvangcentrum voor dakloze Rotterdammers
Na het overlijden van J.R.A.M. Vos werd het pand verkocht. De Rotterdammer J. van Vliet diende eind 1939 bij de gemeente een plan in om het pand te slopen en te vervangen door drie nieuw te bouwen woningen. Die vergunning werd verleend, maar door de gebeurtenissen van de meidagen van 1940 kwam het er niet van. Na het rampzalige bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam, werd het oude logement ijlings in gebruik genomen als opvanglocatie voor gevluchte Rotterdammers die het dak boven hun hoofd kwijt waren geraakt. In het gebouw was plaats voor honderd personen, volgens een bericht in de Volkskrant van juni 1940.

Verzet en verraad
Portier in de opvanglocatie was de jonge Hugo de Man (1922-1941). Hij raakte al snel nauw betrokken bij het verzet in Delft, dat ontstond uit groepen rond de TH-docenten Schoemaker en Mekel. Beide groepen opereerden onder de landelijke Ordedienst (OD) en hadden onder andere als doel om binnenlandse inlichtingen naar Engeland door te sluizen. Ze stonden in nauw contact met elkaar en De Bolk was één van de plekken waar de groepen dikwijls samenkwamen om hun plannen, inlichtingen en mogelijke acties te bespreken. Dat ging er in de begintijd soms nog vrij onvoorzichtig aan toe.
In mei 1941 werd De Man samen met twee andere medewerkers van De Bolk aangehouden wegens diefstal van vet. De Man werd aanvankelijk vrijgelaten maar begin juni 1941 wederom gearresteerd. Dit keer bleek hij een vals persoonsbewijs en een vuurwapen in bezit te hebben. Bovendien werd hij door de bezetter in verband gebracht met de moord op een Delftse NSB’er. Tijdens de daaropvolgende verhoren begon De Man namen van verzetslieden prijs te geven, waardoor meerdere personen werden opgepakt. Waarschijnlijk in ruil voor die informatie kwam hij weer op vrije voeten. Lang heeft hij daarvan niet kunnen genieten. Aan het eind van de zomer van 1941 hebben verzetslieden met wie hij eerder had samengewerkt hem naar een huis in de Wallerstraat gelokt en als vergelding voor het verraad doodgeschoten. (Zie ook Wallerstraat 3)


Clubmeubelfabriek De Bolk in 1953, met nog steeds rails voor de deur. (Foto Openbare Werken)

Meubelfabriek

De bestemming als opvanglocatie voor ontheemde Rotterdammers heeft enkele jaren geduurd. In 1943 neemt J.B. Meisner het pand over en verplaatst zijn meubelfabriek ‘Ometo’ van de Choorstraat 28 hierheen en doopt hem om in C.V. Clubmeubelfabriek De Bolk. Tot 1960 was hier een werkplaats en showroom van het bedrijf gevestigd. De woonruimte erboven werd waarschijnlijk verhuurd.

Studentenvereniging
In 1959 deed Meisner het pand van de hand aan de Stichting Studentenhuisvesting (het latere DUWO), die het ging verbouwen tot studentenhuis, in de hoop daarmee de nijpende kamernood onder studenten te kunnen lenigen.
In 1963 betrokken studenten van de D.S.V. Nieuwe Delft (opgericht 27 oktober 1960) het gebouw officieel. Wat ooit een herberg was voor handelaars en reizigers, werd het onderkomen voor het studentenverenigingsleven. De oude hotelkamers veranderden in studentenkamers.


De Bolk, fris opgeschilderd in 1991. (Foto Ton Kerklaan, Stadsarchief)

Marnix Boon en Louise Lagarde

NB: Klik op de afbeeldingen voor een vergroting.


Studentenvereniging De Bolk in 2012. (Fotograaf onbekend)


Op een plattegrond van Delft uit 1649, gemaakt door Johannes Janssonius (onder meer voor de Stedenatlas van de gebroeders Blaeu), is te zien hoe De Bolk er in het midden van de zeventiende eeuw uitzag. Duidelijk is de tuin achter wat, waarschijnlijk, het hoofdgebouw was op de hoek met daarnaast de paardenstal.






























De herberg De Bolk op de Kaart Figuratief van circa 1675 met voor de deur de aanlegsteiger van het Maassluise Veer. Zie verder de ligplaats voor veerschuiten en beurtschippers en het speciale paardenwed voor de trekpaarden.


De vertrektijden van de trekschuit naar Maassluis op een aanplakbiljet uit 1715.


Na opheffing van de trekschuit in 1871 probeerden particuliere beurtschippers in dit gat te springen.
(Adv. Delftsche Courant, 29 september 1871)


Gravure van de Waterslootsepoort uit circa 1730 naar een tekening van Abraham Rademaker.


De herberg op de oudste kadastrale kaart van circa 1825.


In 1875 gaat de Haagse notaris Kleijn van Willigen op marktdagen kantoor houden in De Bolk, waar geregeld huizenveilingen en openbare aanbestedingen werden gehouden. Ook een veearts hield er praktijk voor boeren die naar de stad kwamen. (Delftsche Courant, 7 nov 1875)


Verstopping in het toilet van het logement. Bericht in de Delftsche Courant van 13 mei 1885.


Na de opheffing van de trekschuit vertrokken er vanaf De Bolk diverse diligences en omnibussen naar plaatsen in het Westland. (Jaarboekje van de Stad Delft 1896)


Advertentie voor hotel en stalhouderij in de Gids voor Delft uit 1907.


Prijslijst van Hotel De Bolk in de Gids voor Delft van 1923.


De laatste jaren moest het logement hengelen naar bezoekers. (Volkskrant, 9 aug. 1938)


In 1920 wordt de stalhouderij opgedoekt. Stoomtram en auto hebben hem overbodig gemaakt. (Delftsche Courant, 17 juli 1920)


De zwanenzang van het logement in de Delftsche Courant van 16 september 1939.


De openbare verkoping van de inventaris. (Delftsche Courant, 14 okt. 1939)


Bij uitvergroting (klikken) is op deze ansichtkaart uit eind jaren ’30 goed te zien dat de voormalige stalhouderij is vervangen door twee moderne woningen met erkers en dat het linkerdeel van het logement inmiddels een verdieping is opgehoogd ten opzichte van de situatie in 1901 (zie hierboven).


Volkskrant, 15 juni 1940.


Trouw, 21 maart 1947.


Het doek valt voor de meubelfabriek. (Algemeen Dagblad, 9 aug. 1959)




Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Buitenwatersloot 1.

Geplaatst: 2008 / Volledig herzien: 4 oktober 2026
 
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft