Achterom 61 (en 61A) www.achterdegevelsvandelft.nl
Nu gyros-online, vroeger ‘De Vergulde Baers’ NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.
Het huidige pand Achterom 61 op de hoek van de doorgang van de Ham naast het speelplaatsje ‘de Achtertuin’ is in 1935 gebouwd als een winkelpand met twee bovenwoningen (Achterom 59 en 63). De laatste dertig jaar is het een horecazaak met steeds wisselende smaken. Voordien stonden hier drie winkelpandjes naast elkaar, waarvan 61 de middelste was. In de 17e eeuw droeg het de naam ‘De Vergulde Baers’ en was het de werkplaats van kuipers, mandenmakers en andere ambachtslieden. In de jaren ’30 van de vorige eeuw zijn de oude pandjes onbewoonbaar verklaard en gesloopt. Op de plek van het huidige speelplaatsje en de doorsteek naar de fietsbrug over het Kanaal lag tot 1962 een pleintje met huisjes rondom tegen de hoge Asvest dat ooit ‘het Vierkant van de Ham’ of het ‘Slop van de Ham’ heette. Het pleintje dankte zijn naam aan de brouwerij, later plateelbakkerij, De Ham die tot 1726 daaraan gelegen was.

Kaart van de eerste kadasteropmeting circa 1825. Het oude Vierkant van de Ham achter het huis was toen vrijwel geheel afgebroken.

Kadasterkaart van circa 1930. Achter het huis was de Ham inmiddels weer volledig bebouwd.

Plattegrond  van de sloop en nieuwbouw in 1935.

Situatie in 2017 van boven gezien.

Groentezaak
Het vroegere huis Achterom 61 was van 1897 tot 1913 eigendom van Ferdinand van Dop koopman en winkelier in kruidenierswaren aan de Voorstraat 8. Het winkelhuis Achterom 61 verhuurde hij sinds 1901 voor fl. 2,75 per week aan de groenten- en fruithandelaar Roelof Blonk. Het echtpaar Blonk kreeg drie kinderen, waarvan de laatste twee werden geboren aan het Achterom. Achter de winkel beschikte het gezin over een tweetal woonvertrekken, geslapen werd er in bedsteden.
De woning daarboven (61a) verhuurde Van Dop aan meerdere gezinnen. In 1905 betaalde Cornelis Bezemer er met zijn gezin fl. 1,75 huur per week. Zij hadden daarvoor drie vertrekken waaronder een keuken.
Blonk boerde goed met zijn groentewinkel. In 1913 had hij voldoende middelen om het pand van Van Dop te kopen. In 1926 verkocht hij de winkel aan Arnoldus Stokdijk, een fruithandelaar uit Rotterdam die oorspronkelijk uit het Westland kwam. Het gezin Blonk verhuisde toen naar Achterom 95. In overleg met de nieuwe eigenaar gunde Blonk schipperszoon Pieter van der Kruk de voortzetting van de groentezaak.


Winkelierster in groenten en fruit Bets van der Kruk met dochtertje Beppie zittend op kist en oudste zoon Nico met transportfiets, 1922.

Bijklussen
De ongehuwde Stokdijk bleef niet lang eigenaar van het pand. Na twee jaar verkocht hij het in 1928 aan de papierhandelaar Joris Lock (die op Voorstraat 35 woonde). Ook van hem mocht Van der Kruk de groentewinkel blijven huren. In 1926 trok hij erin met zijn vrouw Elisabeth (Bets) Breedveld en zes kinderen. Tot 1934 zouden ze er acht jaar wonen. In die tussentijd zouden er nog vier jonge kinderen bij komen en een dochtertje van zeven jaar overlijden.
Ook het echtpaar Van der Kruk-Breedveld zag kans de winkel succesvol te exploiteren. Maar in de crisistijd van de jaren ’30 bleken de inkomsten toch niet voldoende om alle monden te voeden. Daarom besloot Piet zich als ‘poortwerker’ aan te melden. Dat hield in dat hij via een koppelbaas als loswerkman oproepbaar was voor het lossen van schepen met zand, stenen of cement, meestal aan de Schie bij bedrijven zoals Koolschijn en De Boo aan de Rotterdamseweg. Als beëdigd weger moest hij daar vooral de geloste vrachten wegen. Soms moest hij opdraven bij Reineveld, waar schepen met vormzand werden gelost. Daar was hij nooit zo blij mee. De zakken met vormzand waren namelijk aanzienlijk zwaarder dan baaltjes cement.


Het echtpaar Van der Kruk-Breedveld, 1933.

Huidige Grill-restaurant The Balkan, 2018 naast de speelplaats.


De gevels van Achterom 63, 61 en 59 voor de sloop circa 1930.


Vrouw Blonk kwam weer uit het ziekenhuis.


Verkoopadvertentie voor het winkelhuis met aparte bovenwoning. Delftsche Courant,7 juli 1928.


Overlijden van de 7-jarige Beppe van der Kruk, 1932.


Nieuwjaarswens van Piet van der Kruk in de Delftsche Courant.

Sloop en nieuwbouw
Op 12 juli 1934 verklaarde de Gemeenteraad het pand Achterom 61/61a onbewoonbaar. Een maand later kreeg de eigenaar van het gemeentebestuur de aanzegging het pand te ontruimen en te slopen. Lock voelde hier weinig voor en verkocht het perceel nog hetzelfde jaar op een veiling voor fl. 810 aan de broodbakkersweduwe Hillegonda van Horssen-Prins. Zij was uitbaatster van een brood- en banketbakkerszaak aan het Noordeinde 46 sinds haar man in 1929 was overleden. Het pand aan het Achterom was ondertussen gesloopt en het gezin Van der Kruk vertrokken. Zij konden echter hun zaak voortzetten in het pand Achterom 67 aan de ander kant van de Ham.
De nieuwe eigenaresse slaagde er niet in om op de plek van de gesloopte woning een bouwplan te realiseren. Daarom verkocht zij de grond al na een paar maanden aan een andere weduwe, Alida de Boo-van der Kooij, weduwe van schipper/expediteur Abraham de Boo. Huisjes melken was destijds onder middenstanders een populaire belegging van hun spaarcenten voor de oude dag. Vandaar de vele weduwen met huizenbezit in Delft. Weduwe De Boo liet aannemer Jan Rijsterborgh, gevestigd op Achterom 95, een plan voor een nieuw huizenblokje van drie woningen ontwikkelen waarvoor zij in 1935 een bouwvergunning kreeg. In het nieuwe plan kwam er op de begane grond nog maar één winkel met enkele woonvertrekken terug en daarboven twee afzonderlijke bovenwoningen.

Nieuwe kruidenierszaak
De eerste bewoners van het nieuwe winkelhuis Achterom 61, waren in 1936 het kruideniersechtpaar Jan van Tongeren en Maria van den Bosch. Het betrok het nieuwe onderkomen met vijf kinderen. In 1937 werd in de kamer achter de winkel een zesde kind geboren. Jan van Tongeren was een geboren kruidenier en verkocht naast verpakte producten, ook veel losse levensmiddelen zoals suiker, zout, bruine bonen, spliterwten, enz. uit bakken. Voordien hadden zij al acht jaar lang een kruidenierszaak gehad aan de Buitenwatersloot (nr 35).
Verder was hij een enthousiast zanger in het kerkkoor van de Sint Jozefkerk aan de Burgwal. Hij had daarmee ook een breed netwerk aan klanten uit de kerk opgebouwd. Bestellingen bezorgde hij op zijn transportfiets door de hele stad. Hij bleef bijna een halve eeuw zijn kruidenierswaren uitventen, tot 1984.


Bericht van de onbewoonbaar verklaring
van de woning in 1934


Kruidenier Jan van Tongeren achter de toonbank in zijn winkel, 1965.

Wereldkeuken met vele gangen
In 1984 kocht Cengiz Vuran, een ondernemer van Turkse herkomst, het pand en verbouwde de voormalige kruidenierswinkel tot het restaurant ‘Balkan’ en verkocht daar shoarma en patat. Bestellingen werden al per bromfiets thuis bezorgd. Vuran brak de muur tussen de voormalige winkel en de naast gelegen woonkamer door zodat er een ruim restaurant ontstond. In 1990 stopte hij met de zaak, maar bleef nog wel tien jaar eigenaar van het pand.
Het restaurant verhuurde hij aan Ali Korkmaz, geboren in het Turkse Sorgun. Het restaurant ‘Balkan’ doopte hij om in restaurant ‘De Vishoek’. In 2000 kocht hij het pand voor € 83.949 en zette de zaak voort tot 2012. Toen liep ‘De Vishoek’ niet meer zo geweldig. In dat jaar deed hij nog een poging nieuwe klandizie te trekken door het om te bouwen tot Grill Restaurant. Dat bleek geen succes.
In 2013 droeg hij de zaak over aan Karim El Hachioui. Die verhuurde het aan de Iranees Waheed Zendehel, die het grillrestaurant de naam ‘Alladin’ gaf en zich lieerde aan Spare Ribs Company. Al na een half jaar zag Zendehel dat hij het niet ging redden en gooide hij het bijltje er bij neer.
Vervolgens probeerden in 2014 een tweetal Iraniërs het restaurant nieuw leven in te blazen: Majid Zahiri en Ghasemi Lagharaki. Zij vormden een Vennootschap Onder Firma (VOF) met de naam ‘Alladin Grillexpress’ en hielden het elf maanden vol.
In 2015 ging de in Paramaribo geboren Hans Kassels vol goede moed van start met een Surinaams eethuis ‘VitAmin’. Net als zijn voorgangers stortte hij zich op de markt van de afhaal- en bezorgmaaltijden. Hij hield het iets langer vol, maar moest ook na anderhalf jaar de deur definitief sluiten.
In augustus 2016 namen twee horeca-ondernemers uit Irak het stokje over: Mher Miza en Sazgar Toffiq. Het restaurant kreeg de naam ‘The Bazar’ en is sindsdien uitgerust met een drietal scooters om maaltijden warm bij de mensen thuis te bezorgen.

Restaurant Balkan, ca. 1985.

Restaurant de Vishoek, ca 2000.

Restaurant Alladin, 2014

Surinaams restaurant VitAmin, 2016


Plan voor de verbouwing van het restaurant, 1985.

 

 

 

 

 

 

 

 


Grill-restaurant The Bazar, 2017.

Kuiperij ‘De Vergulde Baars’
De eerste bewoners die we van het oorspronkelijke huis hebben kunnen vinden, zijn het echtpaar Jacob Jacobsz en zijn vrouw Jannetje Jansdr. Zij woonden er in 1578. Na het overlijden van haar echtgenoot hertrouwde Jannetje in 1584 met de kuiper Pieter Willemsz, een weduwnaar met zes kinderen. Met zijn kinderen verhuisde Pieter van de Molslaan naar het Achterom waar hij introk bij Jannetje. Zijn woning aan de Molslaan heette ‘De Vergulde Baars’. Deze huis- en bedrijfsnaam nam hij mee toen hij bij Jannetje ging wonen. Bij de telling van de Haardsteden in 1600 verklaarde Jannetje dat zij en haar man Pieter Willemsz het huis als eigenaars bewoonden en dat het twee stookplaatsen telde. In 1584, nog in zijn huwelijksjaar, kreeg Willemsz van het stadsbestuur vergunning voor het timmeren van een loods in het Slop van den Ham achter zijn huis. Een uitbreiding waarmee hij zijn bedrijf ook aan het Achterom de nodige armslag kon geven.
Waarschijnlijk zaten er na hem in de 17e eeuw nog diverse kuipers op dit adres, onder wie Isack Canon. Hij kocht het pand in 1639 van de buurman smid Arien van ’t Hoff in het Vergulde Aambeeld (nr 61, zie daar). Vijf jaar later verkocht hij het weer aan dezelfde buurman.

Stoofmaker
Vanaf 1670 is het huis eigendom van Pieter van der Bergh, die in 1686 ook het huis op de hoek met de Ham koopt (nr 63), maar zelf landbouwer blijkt aan de Scheepmakerij bij Koningsveld. Achter het huis was toen een ‘plaets daar wel eer een slijpmolen op gestaan heeft’(…)‘mitsgaders de opstal van twee lootsgens of huijskens op stads gront’ aan de westzijde van het slop. Door een van die loodsjes liep een gang die oostwaarts uitkwam in de Ham.
Na de koop verhuurde de nieuwe eigenaar het huis voor 62 gulden per jaar aan Pieter Jansz Braesem en zijn vrouw Maritge Hoogenhusen. In het huurcontract staat expliciet dat hij ook gebruik mocht maken van de uitgang aan de achterzijde, omdat hij als ‘stoofmaker’ zijn ambacht in het achterhuis moest uitoefenen, ‘en niet in het voorhuis of de keuken’, zoals bij de meeste beroepen het geval was. Vermoedelijk moeten met stoven niet alleen de kleine voetenwarmertjes beschouwd worden, maar ook grotere huiskachels en fornuizen.


Kuiper. Prent van Gillis van Scheyndel
(Rijksmuseum)
Mandenmakerij Van der Lee
In 1700 trouwt Van der Bergh’s dochter Jannetje met mandenmaker Pieter van der Lee en mag het jonge paar hun bedrijf beginnen in dit huis van hun schoonouders. Achter het huis waren twee kleine achterhuisjes, waarvan er in 1731 één verhuurd werd aan ene Harmen Tijsen. Het andere werd in de koopakten in de 18e eeuw steeds omschreven als een bijbehorend pak- en werkhuis aan de zuidzijde (dus de overzijde) van het Slop van de Ham.
De mandenmakerij hield het meer dan een halve eeuw vol. In 1726 beleefde de buurt een economische klap toen de plateelbakkerij De Ham moest sluiten. De belangstelling voor het Delftse porselein begon terug te lopen en de markt werd overvoerd met Delfts blauwe bordjes. Daarom besloot een groep plateelbakkers en winkelhouders een bedrag van fl. 6.000 bijeen te brengen om een van hun concurrenten uit te kopen en zo de prijzen weer op een aanvaard niveau te krijgen. Uitverkorene werd de plateelbakkerij van Jan Franz Schoonjan in den Ham, die van alle Delftse plateelbakkerijen het minst rendeerde. Mogelijk dat de mandenmakerij ook verpakkingsmateriaal leverde voor het vervoer van aardewerk.
Pieter van der Lee werd vrij oud, maar droeg het bedrijf op een gegeven moment over aan zijn zoon Dirk van der Lee die in 1727 trouwde met Marija van Ravesteijn. Zes jaar later was hij alweer weduwnaar en ondertussen had hij ook vijf kinderen ten grave gedragen. Hij hertrouwde met Jannetje Bladergroen die later op haar beurt als weduwe de mandenmakerswinkel in ‘De Vergulde Baars’ voortzette. Het pand was toen inmiddels door de oude Pieter van der Lee verkocht aan de aardewerkhandelaar Aernout Crispijn, die het aan Jannetje verhuurde.

Kruidlezer
Sinds 1778 werd het pand eigendom van Johannes Heerpoldt, die het ook zelf ging bewonen met zijn vrouw Maria van Hattem. Hij was kruidlezer bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. In die functie moest hij de ingevoerde specerijen van vuil en stof moest ontdoen en tegelijkertijd sorteren op kwaliteit. De in 1602 door twaalf kooplieden opgerichte Delftse Kamer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd in 1803 opgedoekt. In de loop der jaren waren honderden Delvenaren werkzaam voor de VOC. Heerpolt overleed in 1804, kort na het ter ziele gaan van de VOC.

Winkeldrama’s
Begin 1800 toen het overal armoede troef was en de omvang van de bevolking op een dieptepunt probeerde diverse kooplieden wanhopig een handeltje op te zetten in het pand. In 1810 dreef de van oorsprong Brabantse Mattyske Juijn, weduwe van boterhandelaar Abraham van Zuydwijk, een winkeltje dat al na een jaar moest sluiten. Daarop probeerde Luiscius Hoek het met de verkoop van linnengarens, chitsen en katoenen. Maar ook hij gaf het snel op. Hetzelfde lot overkwam Cornelia Bastiaansen, echtgenote van de militair Antonie van den Dries. Zij begon in 1811 een kruidenierswinkel waarin ze ook zeep en zout verkocht. Haar man was 1e Bombardier van de 1e Compagnie van het 2e Bataljon Bataafsche Artillerie. Na opheffing van zijn compagnie nam hij zijn vak van timmerman weer op.

Kroegbaas
Van 1814 tot 1851 was Johannes Gielen met zijn gezin bewoner en eigenaar van het huis en omliggende terreinen daarachter. Hij was eerst opzichter aan het Rijksmagazijn, later wagenmaker, en van geboorte Limburger. Geleidelijk aan begon hij aan huis een tapperij, die hij tot zijn dood bleef exploiteren. Boven had Johannes Gielen voor 1843 diverse ongehuwde mannen in de kost zoals de timmermansknecht Stephanus van Bergen en de schoenmakersknechten Willem Smink en Jacob de Wit.
Van 1843 tot 1850 verhuurde hij de bovenwoning aan Anthonius Rust. Die was eerst sergeant bij de compagnie werklieden, daarna onderopzichter van het militaire Stapel en Constructiemagazijn. Hij woonde er met zijn in Breda geboren vrouw Johanna de Wit en hun negen kinderen.


Fragment van een luchtfoto uit 1955 met aan de voet van de Gashouder de bebouwing van de Ham nog in in vol ornaat achter het pand Achterom 59, 61 en 63. Daarnaast de plattegrond van het bouwproject van tapper Machiel Berkel in de Ham uit 1861.

Mandenmaker aan het werk (tegel)


Achttiende eeuwse prent van het Oostindisch Huis
aan de Oude Delft.


 

 

Projectontwikkelaar in de Ham
In de malaise periode 1795-1815 toen de stadsbevolking op zijn dieptepunt was, zijn vrijwel alle huisjes in de Slop van de Ham achter het huis in elkaar gezakt en verdwenen. Bovengenoemde Heerpoldt blijkt zich van een groot deel van dat terrein meester te hebben gemaakt. In de hoek van de Ham stond als enige bebouwing nog slechts het eerder genoemde pak- en werkhuis dat bij dit huis hoorde.
In 1850 werd het huis met het grote lege achterterrein gekocht door tapper Machiel Berkel, die zelf in de Kethelstraat woonde. Inmiddels ging het langzaam ging weer wat beter met de Delftse economie en kwam er voor het eerst weer vraag naar nieuwe woonruimte. Berkel speelde daar in 1861 op in door op het achtterrein in de Ham een nieuw rijtje van tien huisjes neer te zetten (die honderd jaar later weer zijn gesloopt).
Het bouwterrein werd daartoe van de woning afgesplitst. In 1874 splitste hij vervolgens ook de twee oude achterhuizen met een uitgang in de Ham af van het voorhuis aan het Achterom en verkocht hij dat laatste als afzonderlijk pand.

Bakkersweduwe met zorgen
In 1875 ziet de bakkersknecht Gijsbert van der Hout, die inwoonde in het huis Achterom 63 ernaast, kans het pand voor fl 2.600 te kopen van mr zadelmaker Dirk van der Struif en er een eigen zaak te beginnen. Van der Struif had het een jaar eerder juist voor fl 2.000 gekocht en met de handel dus een mooie winst gemaakt. Van der Hout had als bakkersknecht eerder in Hazerswoude en Leiden gewerkt. In 1871 overleed in Delft zijn broer Pieter, die de kost had verdiend als scheepsbouwer. De ongehuwde Gijsbert ontfermde zich over zijn schoonzus Johanna Rust en haar twee jonge kinderen. Hij trouwde met haar en kwam naar Delft, waar hij eerder ook al een tijd had gewerkt, en betrok met haar het buurhuis Achterom 63. Samen kregen ze nog twee kinderen en beginnen in 1875 in Achterom 61 een eigen winkel. In 1879 werd Johanna opnieuw weduwe. Ze probeerde echter de zaak draaiende houden tot 1884, toen zij de resterende hypotheek van fl. 1.400 niet langer kon betalen.


Kadasteropmeting in 1874 toen aan de Hamzijde twee achterhuisjes werden afgesplitst.


Verkoopadvertentie voor het winkelhuis met plaatsje. Delftsche Courant,11 jan 1885.

Zes kinderen in bovenwoning
Huisjesmelker Arie van Dorp, de vader van de eerder genoemde Ferdinand, destijds kruidenier in de Kruisstraat, kocht daarop de winkel op een veiling voor fl. 1.775 . Volgens de verkoopadvertentie was op de begane grond achter de winkel een kamer met stookplaats en drie bedsteden. De eerste verdieping bestond uit een voorkamer met stookplaats en bedstede en een achterkamer. Verder telde het pand nog een achtervertrek en een zolder met afgeschoten kamertje en vliering.
In 1885 verhuurde Van Dop de bovenwoning aan de in Medemblik geboren zadelmaker Jacob Man met vrouw en zes kinderen. Het jaar daarop woonde er korenmolenaarsknecht Abraham Morien, die kort daarop een carrièreswitch maakte tot agent van politie. Rond 1900 waren een tweetal smeden de bewoners. Veel van die smeden en zadelmakers werkten in de militaire werkplaatsen, die in de 19e eeuw de grootste werkgever in Delft waren.

Wooncomfort in 1907
In 1907 onderzocht de Gezondheidscommissie de woning in het kader van een meerjarig onderzoek naar de woningtoestanden in de gemeente. Uit de ingevulde vragenlijst blijkt dat het perceel twee woningen bevatte. Een benedenwoning met twee vertrekken, een winkel en een erf (nr 61) en een bovenwoning (61A) bestaande uit drie vertrekken met een zolder en een bergplaats voor ‘rommel’ van 3 x 2x 1,70 m. Beide woningen hadden waterleiding en een eigen privaat. Het privaat van de benedenwoning stond buiten op een plaatsje op 2,5 m afstand. In de bovenwoning stond de wc (tonnetje) in de keuken. Beide woningen hadden een afvoer voor huishoudwater. De huur van de benedenwoning inclusief winkel bedroeg fl. 2,75 per week. Die van de bovenwoning fl. 1,75 per week.
Zie hier voor de vragenformulieren van het woningonderzoek.


Advertentie van kruidenier Arij van Dop in de Delftsche Courant van 17 dec 1879.


Het pand Achterom 59, 61 en 63 in 2014,
voor de jongste ophoging.

Piet van der Kruk  
nadere informatie over Achterom 61  
Geplaatst: 11 februari 2018  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft