Vlamingstraat 44 www.achterdegevelsvandelft.nl

Woonhuis met een kerktorentje

NB: Klik op de afbeeeldingen voor een vergroting.

De rijk versierde voorgevel van het huidige woonhuis Vlamingstraat 44 is jarenlang de entree van een gereformeerde kerk geweest. Deze Oosterkerk werd in 1882 gebouwd naar ontwerp van architect W. C. Coepijn uit Kralingen op het perceel achter het huis. De initiatiefnemers waren van de ‘christelijk afgescheiden gereformeerde gemeente’, die deels opging in de latere gereformeerde kerk.
Oorspronkelijk stond er aan de straatkant een pand uit het begin van de 19e eeuw. Dat werd de doorgang naar de kerk, met een kosterswoning erboven. Tegenwoordig is hier weinig kerkelijks meer te vinden. Waar ooit de kerk stond, verrees een eigentijdse villa met sedumdak en ruime tuin. De oorspronkelijke voorgevel met ingangspartij en het kenmerkende torentje, dat nog steeds bovenop het woonhuis prijkt, bleven wèl in tact. Het torentje is karakteristiek voor het beeld van de Vlamingstraat.

In de jaren ’60 fotografeerde de gemeente de gevelwanden langs de grachten. Dit is een deel van de Vlamingstraat. In het midden nr. 44.

Het oude kerkgebouw op het achterterrein was groot en hoog en torende boven alles uit. Dit immense bouwwerk bleef tot ongeveer 1970 bestaan. Na de sloop kwam er een nieuwe lage kerkruimte, in grijze steen en met plat dak, naar ontwerp van de architect Gerke Kok van het bureau L. P. van der Gaag. De naam van de kerk werd Hart van Delft, maar dat hield de leegloop niet tegen.
In 1988 werd het complex overgenomen door het Leger des Heils. Zij organiseerden er kerkdiensten, koffie-ochtenden en verkochten er tweedehandskleding. Toen de belangstelling voor de activiteiten achteruit ging waren ook zij genoodzaakt het gebouw te verkopen. In 2014 is het perceel gesplitst. Wat er stond werd afgebroken en op dit terrein tussen Vlamingstraat en Rietveld werd een nieuw woonhuis gebouwd. Het is bereikbaar vanaf het Rietveld, maar onzichtbaar voor wie op straat voorbij loopt. In het pand aan de Vlamingstraatkant woont nu, na een flinke verbouwing, weer een gezin.

Vlamingstraat 44 op de Kadasterkaart uit 1832. De kaart Figuratief.
Het vroegere huis zou ter hoogte van de rode pijl moeten hebben gestaan.
De kaart van Braun en Hogenberg dateert van 1580.
De Vlamingstraat ligt bij de brug over het water. Veel land is nog niet bebouwd met huizen.
Ook in 1923 tekende het kadaster een kaart.
Dan staat de grote kerk met ingang aan de Vlamingstraat tussen de huizen. De naam christelijk gereformeerd was toen al aan het verdwijnen. Alleen gereformeerd bleef over.
Vleeshouwers
Het is moeilijk voor te stellen dat in de periode hieraan voorafgaand, tussen 1700 en 1800, er een paardenstal met koetshuis heeft gestaan en in de zestiende en zeventiende eeuw een vleeshouwerswoning met één woonlaag en een zolder.
In die periode woonden en werkten er in de Vlamingstraat veel vleeshouwers. Het vee werd via de toen nog aan het einde van de gracht gelegen Koepoortbrug en Koepoort, de stad binnen geleid en bij de vleeshouwers afgeleverd. Zij slachtten het vee achter hun huis, buiten of in een slachtruimte. Het vlees mocht niet aan huis worden verkocht; dat mocht alleen in de vleeshal aan de Voldersgracht. Ook op het huidige perceel van huisnummer 44 woonden en werkten er in deze periode voornamelijk vleeshouwers.

Vlamingstraat 44, foto Els Kemper


Links midden de grote 19e eeuwse kerk.
Foto NIMH, 1920-1940


De kadastrale percelen 2527, 2526 en 714 werden voor de bouw van de kerk samengevoegd tot nummer 2572. Op deze hulpkaart is de plattegrond van het perceel  goed te zien.


Waar de kerk was staat nu een groot woonhuis met een begroeid dak. Foto via Google Earth.
De oudst gevonden eigenaar en bewoner was de vleeshouwer Pieter Cornelis Speckman. Hij betaalde in 1553 de tiende penning (een huizenbelasting). Er stonden twee huizen, een voor- en een achterhuis, meestal in het bezit van één eigenaar. In 1600 was het achterhuis groter dan het voorhuis. Het achterhuis telde twee stookplaatsen, het voorhuis één. Er woonden twee vleeshouwers. Aan de straat was dat Jan Hendircxz, de zoon van de eigenaar, en achter zat huurder Coen Govertsz.

 In 1616 kocht vleeshouwer IJsbrant van Castille (of Castilië) het achterhuis en later ook het voorhuis. Het zou bijna 80 jaar in het bezit van deze familie blijven. Van Castille en zijn vrouw Crijntgen Jacobs woonden in het achterste deel en verhuurden het voorhuis aan zilversmid Abraham Aelbregtszn. Toen in 1667 het Kadegeld (een belasting voor het onderhoud van de grachten) werd geïnd woonde hun zoon Willem voor. Zijn ouders waren toen al overleden. Zijn vader in 1654, zijn moeder in 1663.


Voor 1700 kwamen er veel koeien naar de Vlamingstraat voor de slacht. Joannes Bemme maakte deze prent omstreeks 1800 naar een schilderij van Jan Asselijn.
(Coll. Rijksmuseum)

Barent Fabritius schilderde in 1656 ‘Varkensslager aan het werk en kind met varkensblaas’. Het vee werd ‘aan huis’ geslacht.

Zes schilderijen in de keuken
Zeven maanden na het overlijden van Crijntgen Jacobs maakte notaris Johannes Ranck de inventaris op. De ‘ingekorte’ boedelbeschrijving begint in de keuken: naast de gebruikelijke huisraad zoals potten en pannen stond er een bed met twee kussens en een rode en witte deken en hingen er zes schilderijen met vergulde lijst aan de wand. In de opkamer boven de kelder werden er vier schilderijen gevonden, rode gordijnen en een schoorsteenkleed. In de kast lag linnengoed maar ook een bijbel. In ’t voorhuis de gebruikelijke huisraad, een toonbank met voetenbank, zes grote schilderijen en een preekstoel. Op de voorzolder lag wat linnengoed en een deel turf . Tenslotte ‘op de plaes’: een strijkijzer, potten en pannen, twee grote tobbes, een braadpan en een ondersteek.
Klik hier voor de volledige inventarislijst.

De overledene bezat vijf huizen; twee op de Vlamingstraat en drie aan de zuidzijde van het Rietveld. De totale waarde werd geschat op 4300 gulden. Maar er waren ook 32 schuldeisers, die kleine en grote geldbedragen wilden hebben. Na het verrekenen van de schulden bleef er van de erfenis niet veel meer over. De jongste zoon Willem IJsbrantszn. van Castille, net als zijn vader vleeshouwer, bleef in het huis wonen. Toen hij in 1695 overleed viel er helemaal niets meer te halen.

Er werkte ook een tijdlang een zilversmid in dit pand. Prentje door Jan Luyken, Rijksmuseum)
Koetshuis en paardenstalling
Voor- en achterhuis werd uit de failliete boedel aan buurman Gillis Grommee verkocht. Die was al eigenaar van het buurhuis (aan de oostkant, de huidige adressen Vlamingstraat 46, 48 en 50) waar hij met zijn gezin woonde. Verder had hij een groot pakhuis op het binnenterrein, twee huisjes achter nummer 52 en een huisje op het Rietveld. En hij had gezag in de stad. Hij was raad en oud-schepen van Delft en bewindhebber bij de West- Indische Compagnie, Kamer Maze (met Delft, Dordrecht en Rotterdam). Deze onderneming verhandelde zout, suiker, tabak en delfstoffen in West-Afrika en Amerika. En bracht slaven naar Amerika. Grommee was overigens niet geïnteresseerd Vlamingstraat 44 als woonhuis, maar zocht een plek om zijn koets en zijn zes paarden te stallen. Daarom liet hij het pand afbreken en bouwde er een koetshuis met stal. In 1742 erfde zijn dochter Theodora Grommee het bezit van haar vader. Zij woonde met haar echtgenoot burgemeester Arent Hendrick van der Dussen en hun zoon Hendrik al in haar ouderlijk huis. Dit hele complex (Vlamingstraat 44 tot en met 50) werd in 1768 eigendoom van dominee Petrus Hermannus Hugenholtz, dus ook koetshuis en de paardenstalling.


Buurman Grommé kocht het pand uit een failliete boedel om er zijn koets en zes paarden te stallen. Op dit plaatje uit het Rijksmuseum is te zien hoe omvangrijk zoiets is. Anonieme tekening uit de 18e eeuw.

Dalende huizenprijzen
In de 18e en begin 19e eeuw maakte de stad Delft een economische achteruitgang mee. Er was niet veel over van de bierbrouwerijen, textielnijverheid, plateelbakkerijen, VOC en WIC. De bevolking was in 100 jaar met meer dan 10.000 inwoners gekrompen (in 1680 telde Delft nog 24.345 inwoners; in 1795 nog maar 14.099). Dit had een overschot aan huizen en een daling van de huizenprijzen tot gevolg. Aannemer Arij Smits profiteerde hiervan. In 1800 kocht hij alle panden van dominee Hugenholtz voor 2000 gulden. Ook kocht hij twee huisjes op het binnenterrein, waarvoor hij 70 gulden per huisje betaalde.

Huis met een grote moestuin
Op het perceel van het huidige nummer 44 bouwde Smits een woonhuis. Voor de huisjes er achter waren geen liefhebbers. Dit perceel verhuurde hij enkele jaren aan de mouters Albert Fauel en Johannes Criellaert; zij begonnen er een mouterij. Mout, dat veel suikers bevat, was onmisbaar bij het bereiden van bier, whisky, jenever en een aantal voedingsmiddelen. Het procedé was eenvoudig: door graan te laten weken in water, ontkiemde het, en na drogen was het eindproduct ‘de mout’ al klaar.
Later verhuurde Smits het perceel aan een tuinder die er een moestuin van maakte.

In 1816, nadat zijn vader was overleden, verkocht Philippus Smits Vlamingstraat 44 en de ‘groote moestuin daar agter’ voor 975 gulden, aan logementhouder en huizenhandelaar Dirk Apon. Regelmatig verwisselde het huis van eigenaar en huurder. Een van de eigenaren was de officier van gezondheid bij de artillerie Matthijs Rodenberg. Delft was in die tijd een belangrijke militaire stad. Er was een garnizoen van zo’n vierhonderd mannen. In 1876 kregen de broers Daniel en Bastiaan Huurman huis en tuin in bezit. Zij waren zonen van Tijmen Huurman, die op Vlamingstraat 54-56 een aannemingsbedrijf had, waarin ook deze zoons actief waren. Daniel Huurman kreeg al snel een bouwvergunning voor nummer 44. Vier jaar later werd het verkocht aan de ‘christelijk gereformeerde’ kerk, samen met de grond erachter. Zo werd de bouw van een kerk mogelijk.

Dit zijn de kerkenraadsleden van de christelijk gereformeerde kerk in 1881. Zij hebben zich ingezet voor de nieuwe kerk aan de Vlamingstraat. (Archief Delft)

Voorgevel in eclectische stijl
Het kerkbestuur zocht een nieuwe ruimte omdat de kerklocatie op de Voldersgracht (achter nummer 11A, nu een platenzaak) te klein was geworden. De christelijk gereformeerden hadden te maken met een groeiende aantal leden. De grond aan de Vlamingstraat bood de mogelijkheid om de ‘Oosterkerk’ te bouwen, naar ontwerp van Coepijn. Hij bedacht een fraaie voorgevel, waarbij elementen uit verschillende stijlperioden naast en door elkaar zijn toegepast. Dat laat ook zien dat de ‘magere’ jaren van de stad voorbij waren, met dank aan de opkomende industrie.
Klik hier voor de beschrijving van het monument Vlamingstraat 44

Historisch orgel
Het orgel uit de kerk aan de Voldersgracht verhuisde mee. Oorspronkelijk kwam het uit de Gasthuiskerk. Het was in 1657 gebouwd door Hans Goltfusz, de orgelkast met luiken en borstwerken door Jacob Jonasz. Alleen het front moest voor de nieuwe kerkzaal breder gemaakt worden. In 1904 volgde nog een grote renovatie; met gebruik making van het oude pijpwerk vernieuwde G. Spit het hele binnenwerk.

Het interieur van de Oosterkerk met op de achtergrond het orgel dat uit de gesloopte Gasthuiskapel kwam en voor deze kerk werd verbreed.

In de loop der jaren is er door veel verschillende organisten op het orgel gespeeld. Soms waren het gediplomeerde organisten, maar ook goede amateurs werden ingezet om tijdens de dienst te spelen. Dat leidde tot een voorstel van de kerkenraad om de organisten geen salaris meer te geven: ‘Niet om te bezuinigen, maar uit beginsel dat iedereen naar vermogen het zijne tot den eeredienst moet bijdragen’. Daar op reageerde de heer W. van Thienen met een ingezonden brief in de Delftsche Courant van 29-4-1924. Hij stelde voor het orgel te verkopen en “mechanische instrumenten daarvoor in de plaats te stellen, waarop de meest gebruikelijke psalmen kunnen worden afgedraaid”. Maar zover is het niet gekomen.
Klik hier voor de ingezonden brief.


Ds. L. van der Valk bleef 23 jaar predikant. De kerk telde toen 340 leden.

Daniel den Hengst was één van de organisten (Foto particuliere collectie).

Leger des Heils
In 1970 werd het grote kerkgebouw gesloopt, maar niet het huis aan de straat met de doorgang naar de kerk. Op het vrijgekomen terrein werd een nieuw, laag kerkzaaltje gebouwd, in de vorm van schuin geplaatste vierkanten met plat dak. Maar het aantal kerkbezoekers bleef terug lopen, en in 1988 besloot men zijn heil elders te zoeken. Er werd gekozen om samen te gaan met de Immanuelkerk in de Wippolder. Het voorgebouw en zaaltjes erachter werden verkocht aan het Leger des Heils, dat diensten en sociale activiteiten ging verzorgen, en een winkeltje in tweedehandskleding begon. Maar ook het Leger des Heils had te lijden onder teruglopende bezoekersaantallen. In 2011 sloten zij hun deuren en werd het complex te koop gezet.

Drie foto’s uit de periode dat het Leger des Heils de kerk in gebruik had. Er kwam een uithang bord, de hall bleef zoals hij was, maar er werd voortaan wel op de grote trom geslagen. (Foto’s Leger des Heils).

Een woning met hoge kamers
Plannen van ontwikkelaar Nieuw Holland Vastgoed om aan de grachtkant de voormalige kerkingang voor bewoning geschikt te maken en drie eengezinswoningen op het binnenterrein te bouwen gingen niet door. De ontwikkelaar vond te weinig kopers. Ten slotte werd het kerkzaaltje afgebroken en het perceel opgedeeld en verkocht. Op het binnenterrein werd één grote woning gebouwd. Aan de straatkant, op nummer 44, werden Marijke Vuik en Jasper van Schie de nieuwe eigenaren. Het portaal van de kerk, met een hoogte van ongeveer 5 meter, werd als woonkamer ingericht en boven kwamen er royale slaapkamers. Het is een bijzondere woning geworden.


De grote kerk werd al omstreeks 1970 gesloopt en in 2014 werd de kleinschalige nieuwbouw uit die jaren ook met de grond gelijk gemaakt. In de jaren daarna veranderde het voorste deel van de kerk in een woonhuis, waar ook op de begane grond wordt gewoond. (foto’s deels particulier bezit)

Eigenaar/bewoner Bastiaan Pieter Huurman verkocht in 1881 zijn huis aan de christelijk gereformeerde kerk en ging met zijn gezin op nummer 62 wonen, laat hij weten in de Delftsche Courant van 13 november 1881.


Op 23 april 1883 werd de aanbesteding van de kerk in de Vlamingstraat aangekondigd. Boven de ingang werd de kosterswoning gerealiseerd.


Tijdens de verbouwing was de doorgang naar de kerk goed te zien. Dat je hier met een hoge koets makkelijk naar binnen kon is wel duidelijk. Foto Els Kemper.


Het bovenste deel van een kolom bij de entree met verschillende decoratieve antieke elementen.
(foto Monumenten Delft)
 

Rondboogvenster met zesruitsramen op de eerste verdieping. Links dubbele zuiltjes met composietkapitelen, aldus Monumenten Delft.


Een oude ansicht van rond 1900. De Oosterkerk was toen pas 20 jaar oud.


Het interieur van de gesloopte Gasthuiskapel met het Goltfusz-orgel tegen de achterwand. Tekening uit 1748. Coll. Stadsarchief Delft.


Buurmans kat kroop in het orgel. Dagblad De Tijd, 1916


Voor fietsers was er een ingang aan het Rietveld. Advertentie uit de Delftsche Courant van 1 maart 1939.


Als de verjaardag van kroonprinses Juliana wordt gevierd, moeten de fietsers via het Rietveld komen. Delftsche Courant 25 april 1935.


Een langsdoorsnede van Vlamingstraat 44, bron Nieuw Holland.


Aan de straatkant is het torentje als monument blijven staan. (Foto Els Kemper)

Corrie den Hengst en Els Kemper  
>> Zie hier voor meer informatie over bronnen, eigenaren en bewoners van Vlamingstraat 44
Geplaatst: 18 januari 2020  
 
www.achterdegevelsvandelft.nl - Facebook: www.facebook.com/AchterdegevelsvanDelft - Twitter: twitter.com/AchterdgvDelft