Oude Delft achter 147 - 161
Verdwenen: het St Hieronymusklooster en vele huizen  
   
De poorten bij Oude Delft 147 en Oude Delft 159-161 gaven ooit toegang tot het terrein met kapel en de overige bebouwing van het St Hieronymusklooster.
Het klooster werd in 1403 gesticht door de Broeders des Gemene Levens. Ze hielden zich vooral bezig met intellectuele werken, zoals het kopiëren van boeken en het lesgeven aan de Latijnse School in de Schoolstraat. Er waren ook banden met het vlakbij gelegen Sint Agatha klooster. Onderlinge problemen over de erkenning van de broeders (fraters) leidden in 1418 tot het aannemen van de regel van Augustinus. Daardoor werden de broeders kloosterlingen. In 1432 kregen zij toestemming van het dorp Rijswijk om op Rijswijks grondgebied een eigen kerk en kerkhof te stichten: de Regulieren van Syon buiten Delft. Het fraterhuis – ook aan de Schoolstraat -- werd door degenen die naar Rijswijk vertrokken min of meer leeggeplunderd. Dat blijkt uit een proces in 1436 over deze kwestie.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Achter deze huizen aan de Oude Delft lag het Hieronymusklooster.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De kloosterkapel ligt op de 16e eeuwse kaart
van Braun en Hoogenberg bovenaan, links
van de Oude Kerk.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een 18e eeuwse anonieme tekening van het Hiëronymusklooster aan de Oude Delft.Zo kan het er uit hebben gezien. (Collectie Archief Delft)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Pieter de Hooch schilderde taferelen op het oude
kloosterterrein. Hier is vermoedelijk predikant
Volckert van Oosterwijk met zijn familie afgebeeld.
Rechts in beeld lijkt bij een theekoepel  een trap
naar de stadsvest te gaan. De toren van de Nieuwe
Kerk op de achtergrond past dan niet in dit plaatje.
(Wenen, Gemäldegalerie der Bildende Künste)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De Bourdon in de toren van de Oude Kerk, gegoten door Hendrik van Trier..

 

Tot aan de stadsvest
Over de grootte van dit klooster aan de Oude Delft is weinig bekend, maar het verwierf mede door schenkingen een aanzienlijk gebied tussen de twee poortjes dat doorliep tot aan de stadsvest, nu Phoenixstraat. Het bezat enige panden aan de Oude Delft, een kapel en een relatief groot gebouw (ruim 20 bij 10 meter), waarvan de resten te voorschijn kwamen bij de opgravingen voorafgaand aan de bouw van de parkeergarage aan de Phoenixstraat. Voorts is sprake van een aantal huisjes achter de bebouwing aan de Oude Delft.
De kapel van dit klooster stond recht achter de huidige woningen Oude Delft 155 en 157, zoals te zien is op de plattegrond, getekend naar de situatie in 1560. Bij de grote stadsbrand in 1536 werd ook het klooster getroffen. Wel is later bij de gedeeltelijke herbouw gebruik gemaakt van de stenen muren die nog overeind stonden. Na de stadsbrand overwoog het stadsbestuur om het klooster weg te saneren omdat de plek aan de gracht voor de rijkere Delftenaren een interessante bouwlocatie was. Het klooster zat krap bij kas.

 
De kloosterlingen kregen echter van de bisschop van Utrecht toestemming om voor een bedrag van 2800 gulden landerijen uit hun bezit te verkopen. Zowel de bisschop als het stadsbestuur en de keizer gingen akkoord met opheffing van het klooster dat veranderde in een college met maximaal 7 kapelaans en een rector. Bovendien zou een particulier, Vincent Cornelisz. van Mierop financieel zijn bijgesprongen als sponsor. In ruil daarvoor mocht hij op een deel van het kloosterterrein bouwen. Deze Van Mierop is waarschijnlijk de zuidelijk van het Agathaklooster wonende Meester Vincent.
 

Rectorswoning
Het gebouwencomplex van het klooster werd sterk vereenvoudigd, de kapel werd hersteld, en er werd een rectorswoning gebouwd (waarschijnlijk op de plek waar oorspronkelijk het grote gebouw en een aantal kleine huisjes voor de aanwezige kapelaans stonden). Bij de Beeldenstorm van 1566 liep ook de kapel behoorlijke schade op. Niettemin werden drie jaar later door de Inquisitie de boeken van het klooster nauwkeurig geïnspecteerd op verdachte lectuur. Het waren de voorbodes van een naderend einde.
Na de Reformatie in 1572 vervielen al de gebouwen aan de stad Delft en werd de kapel beschikbaar gesteld aan geschuts- en klokkengieter Hendrick van Trier, die hem later moest delen met houthandelaar Pieter van Ruyven. Van Ruyven was een buurman van de Oude Delft (zie Oude Delft 157).

 

Tuinmuur restant kapel
Een deel van de tuinmuur tussen de erven van Oude Delft 153 en 155 is nog steeds een restant van de zijmuur van de oude kloosterkapel. Tegen die zijgevel stonden een aantal huisjes waarin ooit waarschijnlijk de broeders van het klooster woonden, evenals in enkele huisjes elders op het terrein. De broeders mochten daar na de Reformatie, ondanks de opheffing van het klooster, blijven wonen. Een van hen, Cornelis Willemssoon de Vrije, bewoonde in 1600 nog steeds “als conventuael van Sint Jeronimus een huijsken van voors. convent pro deo”, zo lezen wij in het haardstedenregister.
Op den duur zijn deze huisjes successievelijk verkocht aan de bewoners van de huizen voor aan de Oude Delft, die ze als schuren of stallen in gebruik namen. Dat is ook de reden dat een deel van die zijgevel van de kapel nooit is afgebroken. De 17e eeuwse schilder Pieter de Hooch heeft vele binnenplaatsjes geschilderd die gebaseerd of geïnspireerd waren op deze overblijfselen van het kloosterterrein. (Zie ook het verhaal over Oude Delft 161, het pand waar hij relaties had).
De panden die in 1572 door het stadsbestuur geconfisqueerd werden hebben alle hun eigen geschiedenis.

 

Achter Oude Delft 137
Het pand dat ooit achter Oude Delft 137 stond, was een wat ruimer huis, dat via het poortje van Oude Delft 147 was te bereiken. Op de Kaart Figuratief van 1675 is het duidelijk zichtbaar. Het bood vanouds huisvesting aan de rector van het convent. Na de Reformatie werd het door de stad ter beschikking gesteld aan de predikanten van de nieuwe religie, protestanten dus. Een reeks voorgangers kwam en ging. Onder anderen woonde er dominee Dominee Dionysius Spranckhuysen die omstreeks 1630 noteerde dat kinderen een liedje zongen "van generaal Pietrs Heyn" en dat "schoon sijnen naem is kleyn, dat nochtans sijne daden waren uytermaten groot gelijck bleeck uyt het veroveren van de Silveren vloot." Nog vele jaren later klonk dit lied tijdens aubades: Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden benne groot. Bij de Kadasteropmeting in 1832 wordt het domineeshuis het ´berghuis´ genoemd. In 1850 staat het op de nominatie om te worden gesloopt.
Lees meer over het domineeshuis

   
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Na de stadsbrand van 1536. Resten van de kloosterkapel staan aan de Oude Delft. (Schilderij collectie museum Prinsenhof) Kaart Figuratief, 1675. Kleine huisjes op het terrein achter de Oude Delft zijn resten van het klooster. helemaal rechts op de kaart achter OD 137 het domineeshuis. Situatie in 1832. Het geelgekleurde perceel ligt  midden tussen de poortjes. Het kloosterrein liep door tot aan de stadsvest. Op het kaartje van de huidige situatie tekent de parkeergarage zich af. Ooit dus kloostergrond.
   

Noordelijk van het domineeshuis
Noordelijk van het domineeshuis lag nog een perceel met een klein huis. Het kwam in 1648 in handen van een van de dominees, Volckerus ab Oosterwijck, en daarna van Frederick van Tooren en in 1694 van Jacob Aelbrechtsz Coot. Hij betaalde er slechts 350 gulden voor plus een onderhandse obligatie van 150 gulden. In 1716 wordt dit huisje eigendom van de familie Van den Burgh. Dat blijft het de hele 18de eeuw. De Van der Burghen hadden hier ook andere huizen aan de Oude Delft. In 1800 voegt Jacobus Johannes le Sueur huis en grond aan zijn eigen perceel aan de Oude Delft toe.

Het kerkje van de Regulieren van Syon.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Resten van het klooster komen vrij voordat de parkeergagarge aan de Phoenixstraat er komt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Dit is een keldervloer met muurtjes en
natuurstenen zuilen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Op deze moderne plattegrond is te zien hoe rond
1560 het klooster achter de huizen van de
Oude Delft lag.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Nu een tuinmuur, maar in werkelijkheid een restant
van de kloosterkapel.

 

De klokkengieter
Achter het huidige Oude Delft 161 lag ook een huis (nr. 23, zie kaartje 1560) met een stuk grond dat zich uitstrekte tot de stadsvest. Hier woonde de klokken-  en geschutsgieter Meester Hendrik van Trier, die voor zijn werk een gedeelte van de kapel van het voormalige klooster mocht gebruiken. Zijn huis had vijf haardsteden. Hij woonde gratis want de stad bepaalde dat dit was “tot gemeenlants welvaren ende na zijn vertrek vercogt en verhuijert bij verscheijde partijen”.
Lees meer over het huis van de klokkengieter

 

Achter Oude Delft 157-159.
De stad Delft had nog meer eigendommen hier: een klein huis, maar toch met drie haardsteden, en met wat grond, te vinden achter twee panden aan de Oude Delft, nummers 157 en 159. Dit perceel speelde een belangrijke rol in het huizenbezit van de eigenaren van Oude Delft 157. Het werd einde 17de eeuw betrokken bij dit perceel. Tot 1607 woonde er een oud-kloosterling, Cornelis de Vrije. Uiteindelijk werd het gesloopt.
Lees meer over het huis van de oud-kloosterling

 

De plaats van de kapel.
De kapel van het oude Hieronymusklooster stond achter de huidige panden Oude Delft 155, 157 en 159. Het is het duidelijkst te zien op de moderne plattegrond, die de situatie in 1560 weergeeft. De percelen zijn ontstaan na de sloop van de kapel en dankzij de ruimte die beschikbaar was naast de kapel. Ook Oude Delft 153 ligt op het vroegere terrein van de kapel.

De stad draagt in 1596 het lege erf over aan de loodgieter Jan Dirksz (van Brugge). In 1607 krijgt deze toestemming een loodfornuis te bouwen op zijn erf waarop hij inmiddels ook een huis heeft gebouwd. Dit fornuis stond waarschijnlijk op de plaats van de kapel. In 1620 worden het huis en erf voor 1000 gulden en 10 realen speldegeld verkocht aan de rivierviskoper Andries Wouterszoon. Achtereenvolgende eigenaren zijn de hoenderkoper Adriaen Damaszoon en de vleeshouwer Joost Hermanszoon Cromhout. De eigendom blijft in deze familie tot 1709 wanneer alles voor slechts 150 gulden via de regenten van de Kamer van Charitate gaat naar de eigenaar van Oude Delft 157, Salomon van der Heul.
 

Achter de kapel
Er stond nog een ander huisje op het kloosterterrein, ongeveer achter Oude Delft 153-155. Het lag achter de kapel, ten zuiden van het onderkomen van voormalig kloosterling Cornelis de Vrije. Het bijbehorende erf strekt zich uit tot aan de stadsvest.
Lees meer over het huisje achter de kapel

 

Alle huisjes achter de bebouwing van de Oude Delft zijn langzamerhand vervallen geraakt. Ze werden verhuurd aan arme mensen zoals blijkt uit het impostregister van 1750. Bewoners waren onder anderen:

  1. Hendrijntje Boumeester, de “de Wasse gaat opdoen”, samen met Johannis Droesbeek en Nicolaas Alblas
  2. Wijnkopersknecht Cornelis van der Bergh
  3. Maria Haering, die door haar vrienden wordt onderhouden, Cornelia Pelkman die jichtig is en garen twijnt en Nicloaas de Volder en zijn dochter die uit naaien gaat
  4. De naaisters Cornelia en Pieternella van Nispen
Pieter Libregt, die kruiden leest en dodendrager is en wiens vrouw koffie en thee verkoopt. Zij wonen samen met Alida van Dorp, de weduwe van Abraham van der Horst
 
Henk Verbruggen
 
nadere informatie over Oude Delft achter 147-161
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
De poortjes die ooit toegang gaven tot het kloosterterrein bestaan nog steeds.