Oude Delft 6

Verbeterhuis Keulen, aardewerkfabriek en tandartsenpraktijk

 
   

Omstreeks 1580 stond hier het achterhuis van het koopmanspand het Wapen van Keulen aan de Koornmarkt van Cornelis Cornelisz de Bije. Aanvankelijk waren het waarschijnlijk pakhuizen die in de zeventiende eeuw verbouwd zijn tot woonhuis. Nog steeds is een zestiende eeuwse kern in dit huis aanwezig. In de periode 1620-1670 was het huis eigendom van de familie Van der Graeff die woonde op de Koornmarkt. In 1638 telde het pand al vier stookplaatsen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

 

 

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 6 is op de Kaart Figuratief niet
goed te herkennen. Het linker poortje leidt
vermoedelijk naar het verbeterhuis op
het binnenterrein.

 

Verbeterhuis
Omstreeks 1670 werd het eigendom afgesplitst van het voorhuis aan de Koornmarkt en verkocht aan Maria van Sprongh, de weduwe van Pieter van der Aert. Achttien jaar later dreef Maria de Loos, de dochter van de bovengenoemde Maria van Sprongh, hier een zogenoemd ‘verbeterhuis’. Dat blijkt uit haar akte van huwelijkse voorwaarden met haar nieuwe echtgenoot Joachim Brughman.
Een verbeterhuis was een instelling waar personen die ‘ontoerekeningsvatbaar’ waren, zoals dat tegenwoordig netjes heet, op kosten van de familie konden worden verpleegd, dan wel opgesloten. In de praktijk was het ook nog wel eens een tehuis waar onhandelbare familieleden werden opgesloten, al was dat niet mogelijk zonder medewerking van de schepenen van Delft.
Eén en ander was sinds 1662 in Delft geregeld in een keur “over het houden van dolle en crancksinnige luyden”. Sindsdien zijn er veel van dergelijke particuliere tehuizen geweest. Tussen 1685 en 1713 werden door de stedelijke overheid twaalf vergunningen afgegeven voor het houden van verbeterhuizen. Ze stonden overigens onder toezicht van de regenten van het Dol- en Tuchthuis, het Sint Joris Gasthuis.  

In 1696 deden de exploitanten het verbeterhuis ‘Keulen’ (zoals het inmiddels was gaan heten) voor 3000 gulden over aan Abraham van Barth en zijn vrouw. ‘Keulen’ was in die tijd samengesteld uit twee huizen, een aan het Oude Delft met links - ten noorden daarvan - een poort die toegang gaf tot het tweede huis, dat meer naar achteren stond. Het nam zowel mannen als vrouwen op. De vrouwen werden vermoedelijk opgesloten in het huis aan het Oude Delft en de mannen in het tweede huis dat bereikbaar was via de poort. Via het erf kon je van het ene huis in het andere komen.
   

Tien commensalen
Dertig jaar later, na het overlijden van Van Barth nam in 1725 Hugo Brouwer de nering over. Hij was eerder al kastelein van het verbeterhuis ‘Duinkerken’ aan de Burgwal. Het achterhuis, waarin tot dan toe de verpleegde mannen zaten, kocht hij niet. Dat werd aan een andere Delftenaar overgedaan, die er een andere bestemming aan gaf. Vanaf 1725 nam het beterhuis Keulen alleen nog vrouwen op, maar twee jaar later kocht Brouwer het achterliggende huis alsnog. In 1750 bestierde Brouwers weduwe, Willemina Veenendaal, samen met haar zoon het beterhuis. Ze hadden toen 10 ‘commissalen’ en ‘een meyd’ onder hun hoede.

In de tweede helft van de achttiende eeuw werd Keulen nog meerdere keren als verbeterhuis verkocht. In 1755 bracht het daarbij haar de hoogste prijs op: f 7.500. In 1788 kregen Gijsbert Verhaast en zijn vrouw Jacomina Lucas toestemming het verbeterhuis voor vrouwen voort te zetten, maar ook om een ‘juweliersfornuys’ in de bovenkamer te plaatsen. Verhaast, was net als de vorige eigenaar Fente, van oorsprong juwelier.
 
   

‘Roomcouleurd’ aardewerk
Het einde van het verbeterhuis kwam in 1799 toen de nieuwe eigenaar Johannes Knipschaar er een plateelbakkerij begon. Hij richtte er een oven in. In transportakten uit die tijd wordt gesproken over het 'vanouts bekende verbeterhuis Keulen, tans geapproprieerd tot een roomcouleurde aardewerkfabriek'. De fabriek maakte zogenaamd Engels aardewerk en vermoedelijk ook pijpen.
Twee jaar later ging Knipschaar een compagnonschap aan met Johannes Henricus Sanderson, maar het boterde niet geweldig tussen de heren. In 1802 nam Sanderson de hele zaak in handen. In de jaren 1805-1811 breidde hij het bedrijf uit met meerdere panden in de omgeving. Zo kocht hij in 1805 de timmermanswinkel op de Koornmarkt (het huidige nummer 13) en in 1807 pakhuis De Pauw, twee panden verder op de Oude Delft en in 1811 het pand waar nu Koornmarkt 11 staat. Sanderson was ook aandeelhouder in de plateelbakkerij De Porceleine Clauw die op de hoek Koornmarkt/Gasthuissteeg stond. Zelf bewoonde hij de panden Oude Delft 45 en 47 schuin ertegenover.

In 1819 werd de aardewerkfabriek ontmanteld en kocht de regent Maximiliaan Anne 's Gravesande Guicherit, die op de hoek van de Breedsteeg woonde, het pand voor f 3000. Hij bezat meer onroerend goed in deze hoek van de Oude Delft en Koornmarkt en heeft daarvan het nodige afgebroken en verbouwd. In de jaren 1832-1839 werd dit pand als pakhuis verhuurd en niet bewoond.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Aan het eind van de 18e eeuw kwam crèmekleurig
aardewerk uit Engeland om in Delft te worden
beschilderd. (Collectie Rust, Delft).

   

Facelift met schuiframen
Halverwege de negentiende eeuw werd een deel van het pand bewoond door P. Vermeulen. Later in de negentiende eeuw is het pand waarschijnlijk grondig verbouwd en weer echt voor bewoning geschikt gemaakt. Daarbij kreeg het ook de huidige kroonlijst en schuiframen.
De bouwkundige geschiedenis van het pand in de eeuwen daarvoor is vooralsnog wat onduidelijk. Inwendig lijkt het pand duidelijk een samenstel van meerdere aan elkaar gebouwde delen. Op de Kaart Figuratief van circa 1675 is het huis ook niet zo makkelijk terug te vinden. Toch had het ten tijde van de inning van het kadegeld van 1666 al een forse breedte van 30 voet (bijna 10 meter).

Omstreeks 1900 woonde hier gemeentearchivaris dr. Gerardus Morre (1861-1941), die zich verdienstelijk heeft gemaakt met een uitvoerige beschrijving van de oude stadsarchieven van Delft.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In de jaren zestig zat hier een (tand)artsenpraktijk.
Links van het huis de garage, waaronder een kelder
werd ontdekt.

   

Tandartsenpraktijk
In de oorlog zijn naast het huis op de plek van het pas gebouwde pand Oude Delft 8-10 een paar kleinere oude huisjes afgebrand. Kort na de oorlog hebben de toenmalige bewoners, het artsenechtpaar Van der Belt, de resten van die huisjes laten afbreken en een garage aan hun huis gebouwd. Onder die garage kwam later ineens een diepe kelder te voorschijn.
In de jaren ’60 van de vorige eeuw werd het huis betrokken door tandarts C. van der Berg van Saparoea, die vanwege de verbreding van de Zuidwal zijn oude huis en praktijkruimte aldaar moest opgeven.

 
   

Kees van der Wiel

 
   
nadere informatie over Oude Delft 6