Oude Delft 38
Het Dubbele Anker, huis van de brouwer en regentenpaleis  
   
Het pand Oude Delft 38 draagt vanouds de naam ‘Het Dubbele Anker’, ook wel ‘Den Dubbelden Ancker’. Het dateert van 1614 zoals op de gevel te lezen staat. Eigenlijk droeg alleen het noordelijkste deel van het pand die naam, want het huis bestond achter de gevel lang uit twee aparte huizen, zoals aan de achtergevel nog steeds is te zien. Het zuidelijke deel (de vier vensters op de hoek van de Nickersteeg) is in 1614 gebouwd als nieuwe patriciërswoning met twee trapgevels. Ten tijde van de Kaart Figuratief van circa 1675 was dat ook al zo.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft, 38, een zeer breed pand.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Aan de achterkant is er een smalle gevel.

 
Het pand ernaast, dat omstreeks 1675 nog een heel ander uiterlijk droeg, was aanvankelijk een bedrijfspand van de brouwerij naast het woonhuis, en vermoedelijk van oudere origine. Aan het einde van de 18e eeuw werden beide panden verenigd achter de huidige lijstgevel met de kleine zolderraampjes onder de kap. Daarbij is voortgeborduurd op de oorspronkelijke renaissancestijl waarin het hoekpand was gebouwd. Ook na de samenvoeging heeft het noordelijke deel overigens nog geruime tijd een apart leven gehad als wijnpakhuis. De plattegrond van de eerste kadasteropmeting uit 1832 laat dat ook zien. Wie goed kijkt naar het metselwerk van de voorgevel ziet ook dat op de plaats van het derde venster vanaf de noordkant ooit een tweede deurpartij heeft gezeten (in mooie symmetrie met de bestaande entree).
 
Regentenpaleis
Bouwer van het hoekhuis was brouwer Jan Abrahamsz Graswinckel, destijds tevens schepen van Delft. Het is een typerend voorbeeld van de manier waarop diverse rijke brouwerfamilies, die aanvankelijk aan de Koornmarkt hun woning hadden, zich een nieuw regentenpaleis aanmaten op hun achtererf aan de Oude Delft. De ingang van de brouwerij van Jan Graswinckel stond aanvankelijk onder de naam ‘De Tromp’ of  ‘Muyl Tromp’ op de plek van  het huidige pand Koornmarkt 55. In dat pand was hij in 1603 als brouwer begonnen, als zoon van de brouwer uit de ‘De Ruyt’ (het huidige Koornmarkt 73). De bedrijfsgebouwen stonden achter het woonhuis en liepen tot aan de Oude Delft, naast zijn nieuwe woning. Hij kocht dat bedrijf voor ƒ 3000 ‘gereed geld’ en daarnaast met een lijfrente van ƒ 309 per jaar, een merkwaardige speculatieve koopsom.  Na aankoop doopte Graswinckel de brouwerij om in ‘Het Dubbele Anker’ en liet dat handelsmerk ook aanbrengen op het natuurstenen poortje in de Nickersteeg dat toegang gaf tot zijn bedrijfsterrein.
   
Omgeschoolde brouwer
In 1638 werd de brouwerij geliquideerd en ‘Het Dubbele Anker’ als woonhuis verkocht aan de rijke weduwe Margretha van Beeresteijn voor ƒ 5300 en ‘honderd gulden voor de armen’. Zij had haar eetzaal aan de achterzijde van het huis waar zij uitkeek op een lege plaats van Graswinckels pand aan de Koornmarkt. Eerder stond daar zijn mouterij die hij in 1627 had laten afbreken. Als de weduwe zich stoorde aan de inkijk had zij het recht om voor die plaats een houten kast op te richten, zo stond in de koopakte. Maar lang heeft ze in haar zaal niet kunnen eten, want een jaar later was zij al overleden.Jan Graswinckel zelf had zich inmiddels al omgeschoold van brouwer tot medicus en woonde enige tijd in Den Haag. In 1618 had hij als regent uit Delft de wijk moeten nemen. Hij sympathiseerde met de Remonstranten en werd daarom door Prins Maurits van het kussen gewipt. Dat gebeurde bij de politieke zuiveringen ten tijde van de onthoofding van Van Oldebarneveldt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In de jaren ’60 was de gevel wit gepleisterd.
(foto Erfgoed Delft Gemeentearchief)

   
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Dirk Graswinckel geportretteerd door Michiel van
Mierevelt in 1623 toen hij pas was afgestudeerd.
Mogelijk heeft hij kort in het huis gewoond. Hij
was een bekend rechtsgeleerde, vriend van Hugo
de Groot, en later advocaat-fiscaal van Holland.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Zilveren plaquette uit 1636 met Dirk Graswinkel
en profil. Op de achterkant de spreuk:
“Niemand is door luiheid onsterfelijk geworden”.
(Coll. Erfgoed Delft Prinsenhof)

Het pand met twee trapgeveltjes op de Kaart Figuratief van ca 1675. Het pand met het trapgeveltje ernaast was waarschijnlijk een gebouw van de oude brouwerij, evenals de pakhuizen erachter aan de Nickersteeg. Kaart van de situatie in 1832. Het pand bestond toen achter de gevel nog uit twee delen, die omstreeks 1860 definitief zijn samengevoegd. De situatie in 2004. Van de vroegere achterhuizen is inmiddels veel verdwenen.
 
Schuttershoofdman
Het nieuwe regentenpaleisje op de hoek van de Nickersteeg (de zuidelijk helft van het huidige pand) is sindsdien nog lang in de familie Graswinckel gebleven, al werd het vermoedelijk wel af en toe aan anderen verhuurd. Een van de huisbazen was Dirk Graswinckel, in zijn tijd een beroemdheid. Hij was een getalenteerd rechtsgeleerde en goed bevriend met Hugo de Groot. Hij bereisde heel Europa en werd tenslotte ‘advocaat-fiscaal’, een van ’s lands hoogste topambtenaren uit de 17e eeuw. Mogelijk heeft hij kort na zijn studie in Leiden nog even in dit huis gewoond.Van 1666 tot 1677 was het eigendom van zijn neef Maarten Graswinckel die aanvankelijk zeepzieder was op de Voorstraat. In de jaren dat hij op de Oude Delft woonde maakte hij bovendien carrière als burgemeester. Ook was hij hoofdman van de schutterij, in welke hoedanigheid hij zich trots liet schilderen. Net als zijn oom viel hij in het rampjaar (1672) bij de nieuwe stadhouder in ongenade en moest hij zijn regentenbanen opgeven. Met zijn vrouw Maria van Ruiven bleef hij echter aan de Oude Delft zijn laatste levensdagen wonen.
 
Ontslagen zeeheld
Tussen 1677 en 1716 werd het huis betreden door marinekapitein Cornelis Jacobsz. van der Houve. Deze had in 1667 furore had gemaakt als één van de medegezagvoerders van Michiel de Ruyter bij diens spectaculaire aanval op de Engelse vloot bij Chatham. Als eerste had hij het admiraalschip Loyal London in de fik weten te steken. Later in zijn carrière moest hij echter voor de krijgsraad verschijnen omdat hij in de negenjarige oorlog (1688-1697) werkeloos was blijven toekijken bij een gevecht van zijn commandant met de zeerover Jean Bart. Dat werd het einde van zijn maritieme loopbaan. Hij werd veroordeeld tot een boete van duizend zilveren ducaten. Hij moest toen voor de vorm zijn huis verkopen aan zijn schoonzoon Harmen Schuyl. Niettemin bleef hij zijn nadagen slijten in dit geliefd stadspaleisje, dat Schuyl zeven jaar later terugverkocht aan Van der Houve’s geestelijk gehandicapte zoon Adriaan. In 1716 werd de geslagen zeeheld met koetsen en 16 dragers begeleid naar zijn graf in de Nieuwe Kerk.
   
Onvoltooide verbouwing
Omstreeks 1780 erfde advocaat mr. Reijer van den Bosch (1748-1823) het chique huis. Hij kende het goed, want hij was daar als domineeszoon al van jongs opgegroeid. Zelfs zijn grootvader Anthonij van den Bosch woonde er al sinds 1716. Van den Bosch speelde een vooraanstaande rol in de plaatselijke patriottenbeweging. Dat had tot gevolg dat hij na de Orangistische contrarevolutie van 1787 uit de stad en uit Holland verbannen werd. Hij vluchtte naar Brussel. Ook hij kreeg het dus met de Oranjes aan de stok. Na 1795 keerde hij met de Fransen terug en hervatte hij zijn politieke ambities, maar wel buiten Delft.
In 1780 kocht hij het pand ernaast, ‘De Dubbele Anker’, erbij. In de jaren 1780-1787 heeft hij de ‘de twee aparte woonhuysen .... aan elkander verheeld en tot eene huisinge gemaakt’ en ingrijpend gemoderniseerd. Zijn gedwongen vertrek in 1787 heeft de verbouwingsplannen kennelijk onderbroken, want de modernisering is binnen duidelijk halverwege blijven steken.
In het huis op de hoek van de Nickersteeg had zijn grootvader waarschijnlijk al het een en ander vertimmerd. Voor de twee dure geweven behangsels van Van der Houve die hij in 1716 voor een extra prijsje kon overnemen had hij destijds geen belangstelling. De verkopers mochten ze meenemen. Waarschijnlijk heeft hij onder andere het nog steeds aanwezige fraaie trappenhuis in Lodewijk IV-stijl laten aanleggen en ook het huidige stoepbordes.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Jacob Willemsz Delff schilderde het Witte Vendel van de Delftse schutterij. Links in beeld Maarten Graswinckel, eigenaar van Het Dubbele Anker in de 17e eeuw.
(Collectie Erfgoed Delft Prinsenhof)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Prof. G.J. van Swaay woonde hier toen hij van
1907-1918 hoogleraar elektrotechniek aan de TH was.
In 1922 werd hij minister van Waterstaat.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Prof. J.A.G. van der Steur, hoogleraar bouwkunde aan
de TH en architect van het Vredespaleis in Den Haag.
Hij woonde hier van 1918-1928.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het Vredespaleis in Den Haag, kroonstuk uit het werk
van bouwkunde-hoogleraar J.A.G van der Steur.

 
Stijlkamer met slabbetje
Het andere huis, ‘De Dubbele Anker’ was in 1732 verhuurd met twee behangen kamers. Toen Reijer van den Bosch het in 1780 aankocht betaalde hij wel 200 gulden extra voor ‘de respectieve behangsels in de benedenkamer, spiegels en schilderijen voor de schoorsteen, het houtwerk van een ledikant op de kleine voorkamer’ en verder voor wat kasten, planken, horren en bedsteden. Op dit moment is nog steeds aan de voorzijde een stijlkamer in Lodewijk XV-stijl te bewonderen waarvan de oudere balklagen van moer- en kinderbinten grotendeels (maar niet geheel) aan het zicht onttrokken worden door een 18e eeuws stucplafond. Waarschijnlijk zat dat er al toen Van den Bosch in 1780 het huis overnam. In verkoopbeschrijvingen van 1793 en 1802 ging dit ‘eerste salet aan de noordzijde’ beide keren van de hand inclusief  ‘een paar vergulde horden, een penant spiegel en een slabbetje voor den schoorsteen’. Overigens werd dit deel van het huis vervolgens in de jaren 1822-1848 gebruikt als wijnpakhuis, zo blijkt uit de registratie van het kadaster.
 
Goudleerkamertje
In het zuidelijke deel van het huis lag volgens dezelfde beschrijvingen van 1793 en 1802 het ‘beste salet’. Het was een waarschijnlijk recent verbouwde kamer met een penantspiegel (een lange smalle spiegel tussen de vensters) en een spiegel boven de schoorsteen. Er waren hier ook zes houten branches (lambriseringen), waarvan er in 1802 al één kapot was. In dit deel van het huis was ook een ‘Blauwe Kamer’ met een geschilderd schoorsteenstuk. Ook hier was in 1802 inmiddels één van de branches ‘defect’. Aan de achterzijde van dit deel van het huis lag een ‘goudleerkamertje’ met een schoorsteenspiegel en twee schilderijen boven den deuren. Tenslotte was ook in een slaapkamer nog een schoorsteenstuk.Ondanks de penibele omstandigheden waaronder Reijer van den Bosch zijn woning had moeten verlaten, kreeg hij in 1788 ƒ12.000 voor het huis, een fors bedrag voor die tijd. Bij de volgende verkopen in 1793 en 1802 was die koopprijs vanwege de tijdsomstandigheden al aanzienlijk gedaald.
 
Zindelijk gestucadoorde gang
In 1822 kocht wijnhandelaar Daniel van Koetsveld het dubbele pand, waarvan hij het  noordelijke deel dus als pakhuis ging bestemmen. Bij de verkoop in 1822 werd het op de veiling aangeprezen als een huis met veertien kamers ‘meest allen in een mooie smaak getimmert, geplafonieerd, behangen en van schoorstenen met spiegels voorzien’. Het had verder ‘eene zeer zindelijk gestucadoorde gang en een fraaye getimmerde trap, ruime droogzolders, domestieke kamers’ (dienstbodenkamers), en ‘twee groote drooge kelders’. Ook de tuin daarachter was geheel ‘in een nieuwen smaak aangelegd’ en voorzien van twee volières. Van Koetsveld heeft het huis bijna een halve eeuw bewoond. Behalve in wijn had hij ook veel bestuurlijke interesses. Hij was bijna 20 jaar wethouder van Delft en daarna gedeputeerde van de provincie. Zijn collega-wethouder, M.A. Wijnaendts, woonde aan de andere kant van de Nickersteeg aan de Oude Delft 36. Dat was makkelijk. In 1848 beëindigde hij zijn wijnhandel om zich geheel aan de politiek te gaan wijden. Aan de heer E.P.J. van der Mandele, aan wie hij zijn zaak had overgedragen, beloofde hij in een verklaring dat hij of zijn erfgenamen het huis tot 1870 niet zouden verhuren of verkopen aan een wijnhandel. In hetzelfde jaar dat hij zijn zaak beëindigde liet hij zijn gevel verbouwen en kreeg hij van zijn buurman toestemming om zijn daklijst aan diens huis te bevestigen. Waarschijnlijk liet hij bij die gelegenheid ook de voordeur van zijn voormalige pakhuis in de voorgevel dichtmetselen. Tien jaar later liet hij een deel van de pakhuizen aan de achterzijde wegbreken.
   
Hooglerarenpaleis
Aan het einde van de 19e eeuw was het pand een deftig notariskantoor van mr. Pieter Post Uiterweer.
In het begin van de 20e eeuw woonden hier de hoogleraren  Van Swaay en Van der Steur.
Prof. G.J. van Swaay was hoogleraar elektrotechniek en werd na zijn vertrek uit Delft in 1922 minister van Waterstaat. In 1912 liet hij aan de achterzijde in de Nickersteeg nog een aantal aanbouwsels afbreken. Prof. J.A.G. van der Steur was bouwkundige en de architect van onder meer het Vredespaleis in Den Haag.Vanaf de jaren ’30 van de vorige eeuw diende het pand als bankkantoor. Uit die tijd dateert nog de grote kluis in de kelder. Op dit moment huisvest het pand een communicatiebedrijf en, op de grote zolders, woonappartementen.
 
   

Kees van der Wiel

 
   
nadere informatie over Oude Delft 38  
laatste wijziging 01-11-2009