Oude Delft 30
Hildebrand reisde per diligence naar Delft om zijn oom te bezoeken. Bij aankomst bij de herberg De Rustende Moor (wellicht bij de Haagpoort), werd hij afgehaald door het diakenhuismannetje Keesje. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Drukte bij de Diligence. Geen wonder dat Keesje meneer “willebram” niet kon vinden.

 
‘Is uwé mijnheer willebram, als ik 't vragen mag?’ vroeg een zwak, pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was aan den commissaris van politie gericht.
‘Benje d...... mal, kerel,’ zei de commissaris van politie.
‘Moet hij uit dezen wagen komen?’ vroeg op hupschen toon de man van het maagdelijk metaal.
‘Dat zal ik wezen;’ zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende van de zorg, waarmee het gezelschapsjuffertje voor haar hoedendoos was aangedaan, en die zich uitte in de gedurige verzuchting: ‘Is dat met me goed leven, kondelteur!’
 
Het mannetje, dat voor mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk in een weeshuis begonnen, en was nu bezig haar in een diaconiehuis te voltooien. Hij was hoog in de schouders, en stijf van knieën; droeg een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.
‘Ik moest een boodschap voor meheer doen,’ zei het mannetje, dat ik voor ongeveer achtenzestig jaar aanzag, ‘en nu zei meheer, dat ik meteen reis naar de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekomen was. Uwé moet niet kwalijk nemen, dat ik uwe niet trekt kon.’
Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om 't iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, tot dat het afgehaald worden zou, in de ‘Rustende Moor,’ en sukkelde met mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van onder weg vriendelijk door hem onderricht te zijn geworden over het doel van een groot gebouw met gothische deuren en vensters, waarop een toren stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide de ‘kerk’ te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk bij verklaarde ‘de gracht’ te zijn.
 
‘En dit is het huis,’ zeide hij; zijne oude beenen op een stoep zettende, en een goeden ruk aan een langen bel gevende, met die uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan het toch niet hooren of hij zacht af hard overgaat.  
   
De Ontvangst
Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk den aardappel, waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot aan den barometer twintig, en van den barometer tot de mat zes stappen vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.
 
 
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was, was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven, om het licht vriendelijk uit te noodigen, wel te willen beschijnen twee bloempotten van mijne tante, onder streng verbod van iets anders in 't vertrek of op te helderen of te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in 't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een hoog licht, in de onmiddelijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.  
   
Bron: DBNL  
   
terug naar het verhaal  
laatste wijziging 06-08-2012