Oude Delft 171

Woonhuis voor zeeheld, kunstverzamelaar, zeepzieder en kolenhandelaar

   
Oude Delft 171, het huis noordelijk van het Gemeentearchief, is ongeveer honderd jaar geleden gebouwd als brandstoffenhandel met dubbel bovenhuis. Daarvoor stond daar een groot pand, met een chique uitstraling, zoals een gewassen pentekening van P.C. la Fargue uit de achttiende eeuw laat zien. Er hebben in vroegere eeuwen diverse voorname Delftenaren gewoond, zoals de regentenfamilie Van der Dussen en de grote kunstverzamelaar Valerius Röver. De zeeheld Piet Hein heeft het huis een blauwe maandag gehuurd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een 18e eeuwse pentekening door P.C.la Fargue.
Het grote huis in het midden met de hoge ramen moet Oude Delft 171 zijn. (Collectie Kunsthalle Hamburg)

Zeeheld Piet Hein woonde er ook even.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Hein werd in de Oude Kerk begraven. Zijn graftombe gefotografeerd rond 1900.
(Collectie Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Ook op een schilderij van Jan van der Heijden
(17e eeuw) komt dit pand (tweede van links) voor.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 171 in zijn omgeving.
Gefotografeerd vanaf de Oude Kerk.
(Collectie Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een van de schilderijen in bezit van verzamelaar Röver: Nicolaas Bruyningh door Rembrandt. (Collectie Staatliches Museum Kassel).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een beroemde Jan Steen, het Driekoningenfeest. Ook ooit eigendom van Röver.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Nr. 171 rechts. Zo kan het met mooie gevels aflopen (Collectie Erfgoed Delft Gemeentearchief).

 
Rekenmeester
De oudste ons bekende bewoner was in 1543 Meester Vincent van Mierop, heer van Ketel en Spaland. De man had kijk op geld. Hij was rekenmeester van Holland en later thesaurier-generaal van de Nederlanden. Zelf moet hij ook het nodige bezeten hebben, want na de grote stadsbrand in 1536 sprong hij het nabijgelegen Sint Hieronymusklooster bij dat door de ramp in financiële nood verkeerde. In ruil daarvoor zou hij van het klooster een stuk bouwgrond krijgen. Of het daarbij om het perceel ging waarop hij dit huis heeft gezet, is niet duidelijk. Vincent overleed in 1550 waarna zijn vrouw het huis erfde. Het is overigens de vraag of zij er toen nog wel woonde. Haar man werkte sinds 1545 in Brussel.
In 1561 blijkt dat het huis in ieder geval wordt bewoond door Mr.Cornelis Duyst.
Na de Reformatie wordt Joncker Willem van Dorp de eigenaar en bewoner van het pand. Hij was schout van Delft en baljuw van Delfland. In 1600 verhuurde zijn weduwe een deel aan Margrieta van Hoogendorp, ongetwijfeld ook van deftige afkomst. Het huis telde toen zes haardsteden. Aan de noordzijde lag een poort, die het scheidde van de gebouwen die voor de Reformatie tot het Sint Agathaklooster behoorden. Ze waren onteigend en in handen gekomen van de stad.
 
Erfpacht voor de poort
Toen Adriaen Duijck in 1607 het huis verwierf, wist hij van de stad ook de erfpacht voor die poort te verkrijgen. In feite was het huis van zijn vrouw, jonkvrouwe Barbara van Dorp, de dochter van Joncker Willem van Dorp. Zij erfde het van haar ouders. Adriaen werd in 1613 Heer van Oudkarspel en Koedijk. Tevens was hij secretaris van de Staten van Holland en Westfriesland. Als zodanig raakte hij in 1619 betrokken bij de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt. In zijn Resolutieboek schreef hij als in memoriam: “Een man van groote bedrijve, besoigne, memorie en directie, ja singulier in alles. Die staet sie toe dat hij niet valle, ende sij God sijne siele genadigh. Amen”.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Een detail uit de Kaart Figuratief uit 1675. Links van Delfland drie huizen, het middelste OD 171. Twee kaarten uit het Historische Gis Delft: 1832 en 2004.
 
Piet Heijn
De poort is later achter een nieuwe gevel in het huis opgenomen. Of Duijck daarvoor verantwoordelijk is geweest, of een van de volgende eigenaren is onduidelijk. Tot die volgende eigenaren behoorde schout Jan Vockestaart. Hij verhuurde het huis aan de bekende zeeheld Piet Heijn die de Zilvervloot had binnengehaald. Heijn was geboren in Delfshaven, maar zocht in zijn laatste dagen kortstondig in Delft een fraaier onderdak. Toen hij kort daarop in 1629 in een strijd tegen de Duinkerker kapers het leven verloor, keerde zijn vrouw terug naar Rotterdam waar zij een eigen huis hadden. Piet Hein ligt overigens wel begraven in de Oude Kerk, zo dicht bij de plek waar hij dus kort verbleef.
 
Familie van der Dussen
Sinds 1631 is het huis meer dan honderd jaar in bezit geweest van de patriciërsfamilie Van der Dussen. Zij behoorden tot de rijkste Delftse regentengeslachten en zaten geregeld op het burgemeesterskussen of bekleedden andere bestuursfuncties. In het buurhuis, dat voordien bij het Agathaklooster hoorde, het huidige Oude Delft 173, woonden in de 17e eeuw de verdreven Prinsessen van Portugal. Vanuit hun huis keken zij op de tuin van de Van der Dussens. De familie voelde zich daardoor kennelijk nogal begluurd, want na de dood van de laatste Prinses sloten ze een overeenkomst met de verhuurder, de stad Delft, om die ramen te laten dichtmetselen. Aangezien de familie een flinke stem had in het stadsbestuur was dat niet zo moeilijk te regelen.
In 1708 was mr. Arent Bruinszoon van der Dussen de bewoner en eigenaar van het huis. Behalve burgemeester en schepen, was hij ook bewindvoerder van de VOC en curator van de Leidse Universiteit.
 
Kunstverzamelaar
In 1739 werd het huis eigendom van een zwager van Arent: Valerius Röver (1686-1739). Hij was één van de grootste schilderijen- en kunstverzamelaars van Delft. Hij kwam uit een rijke Amsterdamse koopmansfamilie en trouwde in 1709 met Cornelia van der Dussen (1689-1762).
Aanvankelijk woonde hij op de Voorstraat, maar dit huis werd te klein voor de voortdurend uitdijende collectie schilderijen, beelden en rariteiten. Bovendien had hij meer dan 400 boeken. Röver had zijn verzameling zorgvuldig opgebouwd, zoals uit de verschillende bewaard gebleven zelf gemaakte catalogi is af te leiden. Hij had een grote voorliefde voor de oude Hollandse Meesters van de Gouden Eeuw. Zijn topstukken waren van o.a. Frans Mieris de Jonge, Rembrandt van Rijn (8 stuks) en Jan Steen. Tot de kroonjuwelen in zijn collectie behoorden een landschap met vee van Paulus Potter en een biddende kluizenaar van Gerrit Dou. Beide schilderijen (die hem destijds elk 2000 gulden hadden gekost) hangen nu in het Hermitage in Sint Petersburg.
Ook had hij een vrijwel complete verzameling etsen van Rembrandt. De minder belangrijke stukken hingen in zijn buitenplaats Vlietlust, terwijl de meeste topstukken aan de Oude Delft hingen in zijn kunstkabinet en het ‘salet’ (de zaal) voor ontvangsten.
Röver was zo bekend dat de Delfts/Schipluidense dichter Hubert Kornelisz Poot (bij ons vooral bekend van “Hier ligt Poot, hij is dood”) een lovend vers aan hem wijdde:
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Poot dichtte Röver een collectie toe in kwaliteit vergelijkbaar met Apelles, de hofschilder van Alexander de Grote. Hier Apelles ‘geboorte van Aphrodite’.
 
Op de Kunstschatten des heeren Valerius Rover.   
Toen d' overmoedt der yzere eeu,
Met huilent krygsgeschreeu,
De Fenixkunst den oorlogh zwoer
En grimmigh tegenvoer
Verschool ze zich in ROVERS zael,
Alwaer ze, ryk van prael,
Haer' glans en majesteit ontvout
Op eenen troon van gout.
In zyne kunsttrezooren blinkt
Apelles verf, Homerus inkt.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Röver verzamelende vele albums met prachtige tekeningen van planten en dieren, zoals deze van Alida Withoos en Maria Sybilla Merian.
 
Bloemen
Bijzonder in collecties zoals die van Röver zijn ook albums met tekeningen van bloemen, groenten, vruchten, vlinders of insecten. Daarvan had hij er 42, onder meer twee albums die waren gemaakt voor Agnes Blok, een rijke dame met een buitenplaats aan de Vecht. Zij liet kunstenaars/tekenaars speciaal voor haar albums tekenen. Röver legde papiertjes met aantekeningen in de boeken, waardoor ook nu nog bekend is voor wie ze in oorsprong werden gemaakt. Deze verzamelaar was zo geïnteresseerd in tekenen, dat hij zelf zes jaar les nam bij de Amsterdamse kunstenaar Cornelis Visser.
Helaas heeft hij slechts kort kunnen genieten van zijn nieuwe grotere huis aangezien hij enkele maanden na de verhuizing al overleed. Zijn vrouw Cornelia hield de collectie nog enige tijd in haar bezit. In 1750 woonde zij hier met twee zoons, vijf personeelsleden en een koets met vijf paarden, met een stalling achter in de tuin aan de stadsvest.
Kennelijk was er op een gegeven moment toch geld nodig, want in 1750 werd het leeuwendeel van de verzameling schilderijen (64 stuks) verkocht aan de landgraaf van Hessen-Kassel voor 40.000 gulden. De tekeningen (42 albums) en prenten (7 albums) gingen tien jaar later voor respectievelijk 20.500 en 1500 gulden de deur uit. Beelden en overige rariteiten bleven bezit van zijn zoon Mathijs.
Toen Cornelia in 1762 stierf bleef het huis in de familie en werd het bewoond door Mathijs, die zijn leven wijdde aan de wetenschap. Hij had in Leiden gestudeerd en liet behalve een aantal letterkundige studies in 1803 ook een omvangrijke bibliotheek na, die drie jaar later werd geveild.
 

Zeepziederij
De Franse bezetting betekende het einde van de regententijd. Handelaren en kooplieden vormden de nieuwe klasse. In 1806 werd Oude Delft 171 verkocht aan de zeepzieder Thomas Francis Richard. Kort na deze aankoop kreeg het Delftse stadsbestuur het verzoek om een passend onderkomen te regelen voor het “Commissariaat der Fransche Troupes”. Men probeerde het huis van Richard voor dit doel te huren, maar goed zakenman als hij was, wilde hij het huis wel verkopen voor 5500 gulden. De stad wilde niet verder gaan dan 4500 gulden. Daardoor ging de koop niet door.
Richard ging in 1812 failliet, maakte een doorstart en ging daarbij in zaken met Mathijs Antonie Snoek. Samen hadden zij ook een pand aan de Voorstraat dat voor de helft was ingericht als zeepziederij en voor de helft als kuiperij.
In 1830 werd het gehele pand aan de Oude Delft weer volledig eigendom van Richard. Het moet zwaar verwaarloosd zijn geraakt, want bij de opmeting van het kadaster in 1832 wordt het beschreven als ‘een pakhuis, een tuin en een stal daarachter’. Als zijn zoon Willem, die de zaak overnam, in 1894 overlijdt, verschijnt er voor het eerst een advertentie in de Delftsche Courant voor de zeep van Richard.

 
Onder de hamer
Een jaar later, in 1895, ging het bezit in twee delen onder de hamer: het huis aan de Oude Delft en de stallen en pakhuizen op de Phoenixstraat (nr. 40) daarachter. Beide delen werden gekocht door de stukadoor Johan Heinrich Kneteman.Het gedeelte aan de Oude Delft, werd pakhuis De Ruit genoemd, “waarin vanouds een zeepziederij en zeepmakerij is uitgeoefend met bovenwoning, vrije poort en grote tuin daarachter. Bevattende beneden pakhuis en werkplaats met kantoor, en boven portaal en gang, 2 voorkamers, tussenkamer, twee achterkamers en keuken, daarboven zolder. Achter het woonhuis een grote tuin beplant met fijne vruchtbomen, strekkende tot het perceel dat in het verlengde lag en dat uitkomt op de Phoenixstraat.”

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Delfsche Courant 11-11-1896

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Delftsche Courant 16/17-4-1905 en 14-10-1915

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Delftsche Courant 14-1-1911 en 11-11-1911

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Delftsche Courant 28-8-1919 en 4-3-1921

 
Kolenhandel
Het pand werd door Kneteman verhuurd aan de brandstoffenhandelaar Johannes van der Donk, die er zelf boven ging wonen. In 1905 deed hij zijn zaak over aan Thijs Berend Rijkmans. Toen de eigenaar drie jaar later naar Haarlem verhuisde, werden de beide panden afzonderlijk verkocht. Huurder Rijkmans kocht toen het pand aan de Phoenixtraat. Het pand aan de Oude Delft kwam na korte tijd in het bezit van een andere brandstoffenhandelaar, Jan Huisman. Huisman woonde aan de Koornmarkt, waar hij enige jaren daarvoor het nieuwe pand Koornmarkt 47 had laten bouwen. Ook aan de Oude Delft liet hij aannemer Anthonie Rodenburg een nieuw kolenpakhuis bouwen met twee bovenwoningen. Een van de bovenwoningen werd bewoond door Jac. Huisman, die de zaak van zijn vader had overgenomen. Van 1929 tot 1933 was in de andere bovenwoning enige tijd een conservatorium voor muziek gevestigd.
Jac. Huisman maakte veel reclame. Hij deed onder meer mee aan een wedstrijd van de Bruinkolen Brikettenhandel te Amsterdam om de kwaliteit van de briketten in dichtvorm te presenteren.
Uit zijn advertenties blijkt de brandstoffenimport tijdens de Eerste Wereldoorlog erg problematisch werd. Kolen gingen op de bon. Vandaar dat Nederland in die jaren ook met haar eigen mijnen in Limburg begon. In 1919 werd vanwege de schaarste nog baggerturf aangeboden. Enige jaren later was er overigens al weer volop hoogwaardige antraciet te krijgen. De kolenhandel kreeg het nummer 171a, en de beide bovenwoningen respectievelijk 171 en 171b.
Bedrijfspand 171a  werd achtereenvolgens verhuurd aan de glashandel Zantman en aan het loodgietersbedrijf Van Amerongen. Ook de bovenwoningen werden enige tijd verhuurd, maar worden nu bewoond door familieleden van de eigenaren, de familie Huisman. 
 

Henk Verbruggen

Bovenstaande gegevens zijn grotendeels ontleend aan het onderzoek van J.H. Geertzenwijk.
 
nadere informatie over Oude Delft 171