Oude Delft 163

Burgemeestersdochter op vrijersvoeten

 
   

Dit pand heeft een lange geschiedenis. In de 15e eeuw maakte het samen met Oude Delft 161 deel uit van het kloostercomplex van het Hieronymusklooster. Toen het klooster later om financiële redenen moest inkrimpen, werden de beide panden verkocht aan particulieren. Het erf van 163 liep daarbij deels om dat van het noordelijker gelegen Oude Delft 165 heen. Het is in de loop der eeuwen door vele prominente Delftenaren bewoond geweest. In 1950 kreeg het een zakelijke bestemming, eerst als kantoor van de Bank Mees & Zn en later als onderdeel van het kantorencomplex van het Hoogheemraadschap Delfland.

Omstreeks 1460 was het huis dat er toen stond eigendom van Cornelis van Dorp, ridder en heer van Benthuizen, die in 1472 burgemeester van Delft was. Er zouden nog vele burgemeesters als bewoner volgen. In 1578 was het eigendom van Everard Lodensteijn. Hij kreeg toestemming om het hemelwater van een turfschuur van het klooster, dat over de schutting droop, op zijn erf op te vangen in een houten goot en ten eigen bate te gebruiken. In 1600 telde het huis acht stookplaatsen en woonde er Alexander Balbiaen die de aangifte van die haardsteden liet behartigen door zijn dochter Cornelia. Een jaar later deed hij het huis over aan Jacob Adriaenszoon van Groenhout, stadssecretaris, die kennelijk hogerop wilde, want een jaar eerder woonde hij nog op de Koornmarkt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
   
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Het middelste huis is op deze foto nummer 163.
Vermoedelijk gemaakt na 1900. Alle ramen zijn
modern geworden, zonder roedeverdeling.
Een tekening van de drie panden aan de Oude Delft,
uit de studie van prof. Haak en ir. Annema.
De middelste is nummer 163.
Een prent door Van Bleyswijck, van wat nu
het Hoogheemraadschap is. Helemaal
links Oude Delft 163, met een oude trapgevel.
   
Een meisje van 16
Vanaf 1638 werd het huis bewoond door Mr. Dirck Bruijnsz van der Dussen, een telg uit een voornaam Delfts regentengeslacht. Hij werd in zijn carrière vele malen burgemeester en van 1650 tot 1668 ook Bewindvoerder van de Verenigde Oostindische Compagnie, de meest lucratieve van alle regentenfuncties. Vooral met zijn dochter Sara, één van zijn elf kinderen uit zijn eerste huwelijk, had hij veel te stellen. Het meisje werd op 16-jarige leeftijd tot over haar oren verliefd op de jonge klerk Jacob Overheul die haar vader in dienst had. Het meisje legde het aan met de jongeman en probeerde hem ertoe te verleiden haar lijfje te rijgen en haar borstjes te schikken. Toen vader het amoureuze contact ter ore kwam, ontsloeg hij de jongeman op staande voet. Zijn dochter bleef echter contact zoeken met haar vlam en hem herhaaldelijk via dienstbodes of anderszins over te halen om afspraakjes met haar te maken. Zo zond zij hem zijn achtergebleven spullen toe, maar hield de sleutel van de koffer achter. Ook deed zij hem voorstellen haar te ontvoeren en schreef hem een brief met trouwbeloftes, met haar eigen bloed ondertekend.

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Journalistiek uit de 17e eeuw: een Haags kermisverhaal
over de trouwlustige Sara van der Dussen.
(Kon. Bibliotheek)

Sara’s schoonzuster, Elisabeth Pauw, stichtte het Hofje
van Pauw aan de Paardenmarkt. (foto Wikipedia)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In de gevel van het Pauwhofje zijn de wapens van de
families Van der Dussen en Pauw te zien.
(Foto’s www.gevelstenen.net).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Voorbeelden van Dortse gevels.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Detail van de Kaart Figuratief. Het tweede huis links
van het poortje bij nummer 16 is het huidige 163.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klooster Hieronymusdal aan de Oude Delft op een
kaart van Braun en Hoogeweg, 16e eeuw.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Detail uit de kadastrale kaart 1832. Hier is goed te
zien hoe diep het perceel Oude Delft 163 was.

 
Naar Gevangenpoort
Toen die de vader onder ogen kwam, liet hij in 1664 de jongeman veroordelen door het Hof van Holland en in de Gevangenpoort opsluiten. Jacob werd pas vrijgelaten, nadat hij een verklaring had ondertekend, waarin hij beloofde voor altijd af te zien van elk voornemen om met Sara van der Dussen te trouwen. Ook moest hij verklaren geen erfenissen van haar aan te nemen.Gekrenkt door deze behandeling schreef hij de hele affaire van zich af in een zogenoemd ‘Kermispraetge’, een gedrukt pamflet. Het is ook mogelijk dat iemand uit zijn naaste omgeving het voor hem opstelde. Het is een soort gesprek tussen drie klerken over de juridische zuiverheid van de inhechtenisneming van Overheul. Het Hof van Holland was hierdoor zo beledigd dat het honderd daalders uitloofde voor degene die aanwijzingen kon geven over de schrijver en uitgever van het drukwerkje. Het geschrift behoort daarmee tot de betrekkelijk weinige ‘verboden drukwerken’ uit de Republiek van de 17e eeuw.
 
Mevrouw Schimmelpenninck
Tussen Sara en haar geliefde is het niet meer goed gekomen. Vier jaar later trouwde zij netjes met ene mr. Hendrick Schimmelpenninck, advocaat bij het beledigde Hof van Holland en later baljuw van Oudewater. Een partij zoals haar vader het graag zag voor zijn dochters. De klerk ( zijn vader was brandewijnverkoper in Delfshaven) liet zich niet meer in Delft zien. Na zijn ontslag kreeg hij een baan bij procureur Vinck in Den Haag.
Een broer van Sara, Dirk Dirksz van der Dussen, nam de familiezetel op het Delftse pluche over en werd in 1684-1685 ook burgemeester. Hij trouwde met de rijke Delftse burgemeestersdochter Elisabeth Pauw. Zij was eerder gehuwd met hun neef Johan van der Dussen. Elisabeth overleed in 1706. In haar testament bepaalde dat zij een hofje met acht woningen wilde stichten, het latere Hofje van Pauw aan de Paardenmarkt. Het huis aan de Oude Delft kwam uiteindelijk in handen van Pieter Eewoutsz van der Dussen, vermoedelijk een neef. Ook hij was vele malen burgemeester van Delft en Bewindvoerder van de VOC. Ook zat hij voor Delft in de Raad van State van Holland en West-Friesland en de Hollandse Rekenkamer. Pieter bleef ongehuwd.
 
Na zijn overlijden in 1703 viel het huis toe aan de Dordtse tak van de familie. Eerst aan Nicolaes Ewoutsz van der Dussen, Heer van Zouteveen en schepen van Dordrecht. Later aan zijn zoon Pieter Nicolaesz, die ook veertigraad en schepen van Dordrecht was. In al die jaren zal het huis zijn verhuurd. Volgens twee prenten van het Gemeenlandshuis uit ca 1675 en ca 1725 is het huis in die tussenperiode van uiterlijk enigszins veranderd. De verbouwing gaf het huis een Dordtse stijl. Gezien de afkomst van de eigenaren, niet zo onlogisch.
 
Dordtse gevel
Uit twee randprenten van het Gemeenlandshuis bij de Kaarten Figuratief van circa 1675 en 1729 blijkt dat het huis in die periode van uiterlijk ingrijpend is veranderd.
Op de oudste afbeelding is nog een zogenaamde 'Dordtse gevel' te zien. Die term wordt wel gebruikt voor gevels met overkragingen op geprofileerde bogen zoals er met name in Dordrecht vele voorkomen. Om die reden zijn ze ooit als Dordtse gevel bestempeld. Ze kwamen evenwel voor in een brede strook van Zeeland (Goes, Zierikzee) en Zuid-Holland (Den Haag, Delft, Rotterdam, Dordrecht) tot ver naar het oosten (bijvoorbeeld in Zaltbommel, Heusden, Grave, Nijmegen), en dateren alle uit de 16de en 17de eeuw (de oudere met gotische details, de latere met meer renaissance details).
In Dordrecht bleef het type zeer 'hardnekkig' in zwang, mogelijk ten gevolge van regels van het Dordtse metselaarsgilde, en werd daar nog tot in de 18de eeuw toegepast.
De Delftse gevel moet uit de 16de eeuw hebben gedateerd. Delft had vele tientallen 'Dordtse' gevels in die tijd. Met de Dordtse Van der Dussens had dat overigens niets van doen. Hun opvolgers hebben wellicht de oude gevel laten moderniseren en van een lijst laten voorzien.
 
Cappiteijn
Uiteindelijk besloten de Van der Dussens het huis in 1720 voor 9000 gulden te verkopen aan Willem Carel Bogaert: “cappiteijn van de burgerije deser stad”. Carel was getrouwd met Cornelia van Beaumont die in 1730 het pand erfde.
In 1750 werd het bewoond door twee bemiddelde dames, Anna Henrietta Schwijnits en Josina van der Goes van Naters, die er drie ‘booijes’ op na hielden. Zij huurden het huis.Ook de volgende eigenaresse, de weduwe van de voormalige burgemeester Adriaan van Hoogeveen, die in het huis (165) er naast woonde, kocht het in 1766 voor de verhuur. Haar zoon Gerard, ook burgemeester, was eveneens huisbaas van het huis.
 
Koepelkamer
In 1799 kwam er voor het eerst sinds lange tijd weer een eigenaar die het huis ook zelf ging bewonen. IJsbrand van Duijn verkocht zijn huis aan de overkant van de Oude Delft voor 2300 gulden om de koop van dit huis voor 4200 gulden te kunnen bekostigen. Volgens de koopakte had het huis behalve een tuin ook een koetshuis met stalling tegen de vest aangebouwd. Na het overlijden van haar vader werd Maria van Duijn de bewoonster.Een boedelbeschrijving na haar overlijden in 1824 geeft ons een aardig inkijkje in het huis. Op de begane grond was een voorkamer, binnenkamer, gang en een koepelkamer. Hierachter een binnenplaats, mangelkamer, keuken met turfzolder en tuinkamer. Op de eerste verdieping bevatte het huis een voor- en achterkamer met portaal en op de tweede verdieping een meidenkamer, een boekenkamer met 24 schilderijen, een tinkamertje en een achterkamertje.
 
Hooggeplaatste huurders
De volgende eigenaar verhuurde het huis aan notaris Leendert van Staveren. Vier jaar later werd het verkocht aan Paulus Albertus Hartz, burgemeester van de gemeenten Hof van Delft en Groeneveld, toen nog zelfstandige gemeenten. Hartz ging in het huis wonen en woonde dus niet in zijn eigen gemeente. Hij bleef er tot 1840, maar verkocht het huis intussen aan zijn zoon George Christophorus Hartz. In 1852 werd de arts Hermanus van Blommestein de volgende eigenaar en bewoner, tot 1880. De man die het huis in 1880 kocht liet het vrij grondig verbouwen. Hij maakte de gevelhoogte gelijk met die van OD 165 en verhuurde het vervolgens aan Baron Eduard Creutz, kapitein der Artillerie. Al twee jaar later ging het huis echter opnieuw onder de hamer. De volgende eigenaar, Johannes Leeuwenburg, kon er ook niet zelf in, want het was toen nog verhuurd aan een andere hoge militair, Luitenant Kolonel Christiaan Leendert van Pesch. Uiteindelijk ging hij er in 1894 toch zelf wonen. Het was in die tijd kennelijk ook niet zo eenvoudig om je van een huurder te ontdoen.
 
Tandartspraktijk
In 1897 ging voor het pand een nieuw tijdperk in. Het werd gekocht door de mondarts Johannes Planteijdt die er zijn praktijk vestigde. Toen hij in 1925 naar het buitenland vertrok nam zijn zoon, eveneens mondarts het huis en de praktijk over. Inmiddels waren in de voorgaande perioden delen van de tuin verkocht.In 1950 kwam het huis in bezit van de bank Mees en Zn die al eigenaar was van OD 165. Het perceel werd onderdeel van de bank en de bovenverdieping werd verhuurd. Vervolgens kwam in de tachtiger jaren het huis, evenals OD 161 en OD 165 in handen van het Hoogheemraadschap dat na een grondige verbouwing en restauratie de panden toevoegde aan het complex van het Hoogheemraadschap.
 
Henk Verbruggen, met dank aan Wim Weve
 
nadere informatie over Oude Delft 163
laatste wijziging 03-10-2009