Oude Delft 161

Pieter de Hooch schilderde in de achtertuin

   

Het pand Oude Delft 161 behoort nu tot een deel van het gebouwencomplex van het Hoogheemraadschap Delfland. Tot 1985 was hier de Openbare Bibliotheek gehuisvest. De etalageruiten zijn nog afkomstig van een eerdere bestemming, toen er omstreeks 1900 een winkel in behang en woningtextiel gevestigd was.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het cartouche boven de deur komt ook
voor op schilderijen van Pieter de Hooch

 

Oudste geschiedenis
Volgens het tijnsboekje van 1363 was de bebouwing van de huidige percelen Oude Delft 157 tot 165 in één hand. Zo kwam het pand op de plek van het huidige Oude Delft 161 in 1459 aan de “broederen des cloosters van Sint Jeronimusdale binnen Delf”.
De bebouwing van het klooster ging met de stadsbrand van 1536 grotendeels in vlammen op. Na de brand is het huidige Oude Delft 161 weer opgebouwd als een huis met een diepte van 18 meter, waarschijnlijk aanvankelijk in de vorm van een voor- en achterhuis, gescheiden door een binnenplaats. Het achterhuis bevat een oude kelder die in 1989 is gerestaureerd, toen het pand onderdeel werd van het Hoogheemraadschap.

 

Bewaarder Fraterhuis
In 1560 was het pand niet meer in bezit van het klooster. Joris Jacobszoon verkocht het toen voor 1325 gulden aan Cornelis van Naerden. Van Naerden had waarschijnlijk wel connecties met het klooster. Na de opheffing van deze instelling werd hij in 1574 benoemd tot bewaarder van het Fraterhuis. Dit Fraterhuis kan worden gezien als de opvolger van het klooster. Het ging zich bezighouden met de opleiding en opvoeding van de leerlingen aan de Latijnse School. (Zie ook Schoolstraat 12.) Het ondersteunde ook hun verdere studie als aanstaand predikant.
Van Naerden kreeg in 1560 vergunning om een deur te maken in de zijmuur van zijn huis, uitkomend op de gang en de poort tussen Oude Delft 159 en 161. Ook toen al bevond zich boven de poort een kamer, zo blijkt uit een onderhandse akte van 1565.
Achter het huis lag een tweede huis dat destijds bewoond werd door de korenkoper Arent Louriszoon. In 1579 verkocht Van Naerden zijn huis aan de straat aan deze Arent Louriszoon, zodat deze nu eigenaar van het hele perceel werd dat zich uitstrekte van de Oude Delft tot aan de veste, de westelijke stadswal die de stad beschermde. Rond 1600 was Arent overleden, maar woonde zijn weduwe Grietge Dirckxdochter van Bleijswijck er nog wel.

   

Drie woningen in de poort
Uit de inning van het haardstedengeld in 1600 blijkt dat er in de poort van het Sint Jeronymusdal, dus achter het huis aan de straat, nog drie woningen lagen. Een daarvan werd bewoond door Cornelis Willemsz de Vrije, die als ‘conventuaal’ van het voormalige klooster was vrijgesteld van de belasting.

Het achterste huisje was van Pieter Janszoon Ossenhooft, die het in 1593 had gekocht van de erfgenamen van Arent Lourisz. Het grote erf was toen weer opgesplitst. Kort daarop zou dit achterste huis aangekocht worden door de eigenaar van Oude Delft 157, die daarmee een achteruitgang naar de vest kreeg.

Grietge kocht in 1604 voor haar huis aan de straat de “Gravenhuyr” en de heffing op het “hoendergelt” af bij de Staten van Holland voor 12 pond (van 40 groten ’t pond). Twee jaar later overleed zij en kocht Niclaes Lotszoon Gael het huis voor 2200 gulden.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Op de Kaart Figuratief zit Oude Delft 161
links van poort nr. 16

 

   

Burenruzie
Halverwege de zeventiende eeuw is mr. Willem van der Burch de eigenaar van het huis. Hij kocht het in 1639. In die koopakte komt voor het eerst de huisnaam ‘Berg Thabor’ te voorschijn. Het huis kostte hem destijds 10.100 gulden, een fors kapitaal, dat een veelvoud was van de koopprijs uit 1606. Er moet in de tussentijd dus vermoedelijk heel wat met het huis gebeurd zijn. Zo zijn er uit 1614 en 1633 afspraken bekend met de buren erachter en die van Oude Delft 163 over ‘afleuvingen’, dat wil zeggen de ligging van de goten om het hemelwater af te voeren.
Maar Willem was daarmee kennelijk nog niet tevreden, want ook hij sloeg direct aan het verbouwen en kwam daarmee in conflict met zijn buurman Dirck Jacobszoon van der Dussen. De zaak liep zodanig uit de hand, dat de schepenen van Delft zich over de ruzie moesten buigen. Onder hun toeziend oog werd het compromis zorgvuldig op papier gezet: Willem mocht “in ’t westersche vack van zijn middelcamer, recht boven ’t licht van zijn koecken een bolkosijn mit drei yseren tralien in ofte voor elck gat een looden plaete daarvoor, hooch een halve voet uytte bovenkant van den onderdorpel, etc, etc.” aanbrengen.
Ook aan de andere kant was hij actief , want in het zelfde jaar sloot hij een onderhandse akte af met zijn buurman Olivierszoon Hennebert van Oude Delft 159, dat hij binten mocht leggen in diens noordmuur voor de (nieuwe?) overkapping van de poort.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Rond 1960 zat rechts nog een deur

   
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Binnenplaats Pieter de Hooch,
met cartouche (National
Gallery Londen)
Pieter de Hooch, Westvest op
de achtergrond? (National
Gallery Washington)
Pieter de Hooch, familie in
de tuin, weer bij de trap
(Museum Wenen)
De zwager van Pieter de Hooch,
Hendrick van der Burch,
schilderde deze binnenplaats
(Prinsenhof)
   

Werk van Pieter de Hooch
Willem was een belangrijke magistraat. Hij was verschillende keren burgemeester, thesaurier en gecommitteerde Raden van de Ed. Groot Mog. Heeren van Holland en Friesland.  Of Van der Burch een relatie had met de schilder Pieter de Hooch is niet bekend, maar een plaquette met de tekst “Pieter de Hooch knecht en schilder” in de gevel van Oude Delft 161 vestigt de aandacht op de schilder. De Hooch heeft hier omstreeks 1657/’58 een hele serie schilderijen gemaakt van binnenplaatsen en achtertuinen, waarin het poortje van het St Hieronymusdal duidelijk is te herkennen.
Gesuggereerd is dat hij hier zou hebben gewoond. Pieter was namelijk in 1654 in Delft getrouwd met ene Anna van der Burch. Bovendien was er nog een andere relatie: de Delftse schilder Hendrick van der Burch was zijn zwager. Hij schilderde in de stijl van Pieter. Het kan ook zijn dat de magistraat Van der Burch een belangrijke opdrachtgever van De Hooch is geweest. Na zorgvuldig onderzoek in het familiearchief Van der Burch is de relatie van Pieter met deze adellijke tak van de familie niet komen vast te staan.
Het pand blijft meer dan honderd jaar in het bezit van de familie Van der Burch. Na Willem, die in 1655 werd begraven, bewoonde zijn dochter Agatha het huis. Zij was ooit getrouwd met Joachim van Weerinckhoven en beschikte bij de taxatie voor het familiegeld van 1674 over een vermogen van ongeveer 8.000 gulden. Dat was in die tijd een mooi bedrag, maar geen exorbitante rijkdom. Na haar overlijden in 1679 waren nog een Pieter en mr. Jan van der Burch eigenaar van het huis. De laatste woonde er in elk geval niet meer zelf, want hij verhuurde het huis in 1750 aan ene Johannes Arnoldus Reyn, die notaris was en klerk bij het Gemene Land.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Situatie rond 1800.
OD 161 rechts van de poort

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Stucwerk van Antoni Soldatie uit de 18e eeuw

 

Kostschool
In 1753 werd het huis verkocht aan Govert van Hoorn, die in het pand een kostschool begon. Hij liet daarvoor een nieuw achterhuis bouwen. Zelf woonde hij met zijn familie in het voorste gedeelte van het huis. Het plafond in de voorkamer liet hij in 1759 voorzien van prachtig stucwerk door de bekende Italiaanse stucwerkkunstenaar Antoni Soldati die in meer huizen in Delft werk heeft achtergelaten. Govert trouwde drie maal, de laatste keer in 1775 met Judith Hageman.
In 1802 deed Van Hoorn zijn kostschool over aan Simon Moock. Hij bedong echter in het koopcontract dat hij met zijn vrouw mocht blijven wonen in het voorhuis. Toen Van Hoorn twee jaar later overleed, verkocht zijn vrouw echter het totale pand aan Moock.
Na het overlijden van Govert van Hoorn werd een uitvoerige boedelbeschrijving opgemaakt van zijn bezittingen en de inrichting van het pand. Er blijkt dan een ‘zuikerkamer’ in het huis te zijn en een zoutkamer, beddekamer, vleeskamer, kleerzolder en mangelzolder.

   

Afrikaanse prinsen
Het leven in de kostschool wordt uitvoerig beschreven in ‘de Zwarte met het witte hart’, de roman van Arthur Japin over de Afrikaanse prinsen Kwasi en Kwame. Zij werden in het begin van de negentiende eeuw door de Nederlandse overheid uit de Goudkust naar Nederland gehaald als onderpand voor de illegale slavenhandel met dat land.
Het tweetal kreeg op kosten van de Nederlandse Staat een nette opvoeding in dit instituut. In het internaat woonden 18 jongens in leeftijd variërend van 9 tot 16 jaar. Voor de opvoeding van de Afrikaanse prinsjes rekende Moock duizend gulden per jaar. Een aanzienlijk bedrag in die tijd. Het was dan ook niet zo maar een kostschool, maar een deftig instituut van naam. In 1849 werd de school overgenomen door Hubertus van Nerum. In 1866 werd Johannes Schouten er ‘instituteur’.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Kwasi op jonge leeftijd (GAD)

 

Winkel in behang en woningtextiel
Het einde van het deftige schooltje kwam in 1877. Kamerbehanger en stoffeerder Arie van Hattem kocht toen het pand voor 7000 gulden. Hij liet het huis grondig verbouwen door de firma G. de Ronde. Het werd ingericht als winkelhuis met een bovenwoning met eigen opgang. Het pand kreeg toen de karakteristieke winkelpui die nog steeds aanwezig is. Het huis werd sindsdien in tweeën en soms in drieën bewoond, met de nummering Oude Delft 161, 161a en 161 boven.
In 1911 wilde de bewoner van het huis met de vazen, Oude Delft 157, de lijmfabrikant mr. R.W. Stolk meer tuin achter zijn woning. Hij kocht toen zowel de panden Oude Delft 159 en 161 uit en voegde een deel van de tuin bij zijn eigen tuin, met onder ander het zogenoemde ‘Pauwenhuis’, waar de latere bewoner van 157, mevrouw Elias, haar pauwen zou gaan houden.

   

Openbare Leeszaal
Uiteindelijk was het Stolk alleen om de tuin te doen. Dus in 1916 verkocht hij het huis Oude Delft, zonder tuin, aan het bestuur van de Vereniging Openbare Leeszaal te Delft, dat een geschikt pand zocht voor een nieuwe bibliotheek. Als zodanig zou het pand 70 jaar dienst doen, achter de winkelruiten. Het had een tweede toegangsdeur en werd op de bovenverdieping bewoond door een huurder.
Na een uitvoerige verbouwing en restauratie in 1985 is het nu onderdeel van het gebouwencomplex van het Hoogheemraadschap.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Deze kelder werd onder het achterhuis gevonden

 
Henk Verbruggen
   
nadere informatie over Oude Delft 161