Oude Delft 159

Vanouds Rochel, eigendom van een wielmaker, een wijnkoper en vele anderen.

 
   

Het huis Oude Delft 159 is een degelijke patricierswoning die, gezien de voorgevel, in de tweede helft van de achttiende of het begin van de negentiende eeuw fors gemoderniseerd is met een daklijst, grote ramen en deurpartij.
Het pand achter de gevel is, net als de meeste huizen op het rijtje, vermoedelijk een stuk ouder en dateert waarschijnlijk in de basis van kort na de stadsbrand van 1536. Het huis behoorde toen tot de bezittingen van het Sint Hieronymusklooster. Het grenst nog steeds aan een van de toegangspoorten van het klooster. Na de onteigening van het klooster met de Reformatie van 1572 kwam het in bezit van de stad. Korte tijd later zal het zijn verkocht, net als het buurpand 157.
In 1587 zijn beide panden in elk geval in particuliere handen en maakt lakenkoper Dirck Claesz, die dan de eigenaar is, officiële afspraken met zijn buurman over de gemeenschappelijke goot, die kennelijk door de stad voordien niet al te best onderhouden was. Het kan ook zijn dat regeling nodig was, omdat een van beiden op dat moment zijn huis een verdieping ophoogde.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Stukje Oude Delft vanaf de Oude Jan.
(Collectie Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De Oude Delft ter plaatse, ongeveer honderd
jaar geleden. (Ansicht collectie Lagendijk)

 
Wijnkopers
Na de lakenkoper treffen wij in het oude stadshuizenprotocol de wielmaker Wouter Adriaensz als eigenaar aan. Lang zal die er niet hebben gezeten, want in 1594 is het huis van de wijnkoper Wouter Ottensz van de Brugghe, die aan het verbouwen sloeg. Hij heeft het huis, vermoedelijk aan de achterzijde, van een ‘nieuwe camer’ voorzien. De buurman van nu 157, de houthandelaar Pieter van Ruiven, wilde wel even van te voren vastleggen dat hij geen inkijk wilde hebben van vensters, lichten of gaten in de muur aan zijn kant van het huis.
Van de Brugge heeft ook niet lang zelf in het huis gewoond, want in 1600 komen we hem tegen als brouwer in Het Conduyt aan het Oosteinde (zie aldaar nr 137-139). Het huis aan de Oude Delft had hij toen verhuurd aan stadssecretaris Jacob Andriesz.
Het huis zag in de loop van de zeventiende eeuw wel een stuk of tien eigenaren voorbij komen, waarvan niet altijd duidelijk is wat zij deden voor de kost, en of zij het huis ook wel zelf bewoonden. De eerste die ons wat dat betreft weer wat meer houvast geeft, is opnieuw een wijnkoper: Abraham Troost, die het huis in 1632 bezit, als de huizenbelasting (verponding) nieuw wordt vastgesteld. Als hij in 1635 komt te overlijden, hertrouwt zijn vrouw met Josua Hennebaert, die ook de handel in wijnen voortzet. In 1640 geeft Josua de eigenaar van Oude Delft 161, aan de overzijde van de poort, toestemming om balken in zijn muur te leggen om de poort te overkluizen. De poort draagt daarbij de naam Sint Hieronymus of Calcoenspoort.
 

Eenzame weduwe
Hennebaert komt in 1660 te overlijden. Het huis komt daarna kortstondig in handen van een schoolmeester, Matheus de Roo, die echter nauwelijks tijd moet hebben gehad om er een (kost-)school te beginnen. Binnen een paar jaar verkoopt hij het weer  door aan ene Jacob van der Sleijde, van wie we weinig weten, behalve dat hij waarschijnlijk de stamvader is van een aantal generaties notarissen en stadsbestuurders. Zijn vrouw en hij betrokken in 1669 als pasgetrouwd stel het huis, maar vijf jaar later was zij al weduwe. Pas 25 jaar later verkoopt zij het aan de buurman van het huidige pand Oude Delft 157, Samuel van der Heul. Na hem erft zijn dochter Debora het, en daarna zijn kleindochter. Het blijft daarmee ruim 60 jaar in die familie.

 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
De poort tussen Oude Delft
159 en 161 gaf ooit toegang
tot het Hieronymusklooster.
Pieter de Hooch schilderde in deze omgeving. Dit zou de Hieronymuspoort kunnen zijn, gezien op een achtererf. Buurhuis 159 ontbreekt. (Collectie National Gallery Londen). Nog een keer Pieter de Hooch met poort,
maar nu rechts een fijn terrasje.
(National Gallery of Scotland).
 

Deftige huurders
Wat de familie precies met het huis voor ogen heeft gehad, is niet geheel duidelijk. Wel blijkt dat ze er zelf niet hebben gewoond, maar het huis hebben verhuurd. Omstreeks 1715 is hier stadssecretaris Andries van der Goes van Naters (1680-1730) de bewoner, samen met zijn vrouw Elisabeth Pauw. Van het paar hangen in het Prinsenhof nog een stel geschilderde portretten, bruiklenen uit het familiearchief van deze familie.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Korte tijd woonden Andries van der Goes en Elisabeth
Pauw op dit adres. Portretten door Philip van Dijk.
(Collectie Museum Prinsenhof, bruikleen
familie Van der Goes van Naters)

 

Notariskantoor
Omstreeks 1750 treffen we de notaris Johan Arnoldus Prijn, tevens klerk bij ’t Gemeene land (d.w.z. de landelijke overheid). Hij vestigde zich in 1747 als notaris en komt hier in 1749 als bewoner in een belastingregister voor. Eigenaar is dan burgemeester Abraham van Bleyswijck (getrouwd met kleindochter van Van der Heul), tevens de buurman op Oude Delft 157. Als hij in 1761 overlijdt, koopt Prijn het huis van de erven voor 2100 gulden. Volgens de koopakte heette het huis toen ‘vanouds Rochel’.
Prijn beëindigt zijn notarispraktijk in 1775 en overlijdt in 1797, maar zijn erven blijven nog  geruime tijd eigenaar van het pand. Een erg voordelige tijd was het ook niet om onroerend goed te moeten verkopen. Omstreeks 1800 verhuren ze het aan de heer en mevrouw Wijnandt.

 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Hieronymusklooster op plattegrond van Braun en Hoogenberg, 16e eeuw.

Detail Kaart Figuratief. Bij 16 is de Hieronymuspoort. Rechts daarvan Oude Delft 159, met ook toen het dak evenwijdig aan de straat. Kadaster 1832: Oude Delft 159 beetje groter. Kadasterkaart: Oude Delft 159 nu.
 

Raadslid en leerhandelaar
In de nadagen van de Franse tijd verkopen de erven Prijn het huis aan de leerlooier Gerardus Kranendonk. Kranendonk behoorde tot de opkomende katholieke elite in de stad, en had met de revolutie van 1795 toegang gekregen tot het stadsbestuur. Zijn familie zou sindsdien een eeuw lang op het kussen blijven zitten in de gemeenteraad.
Leerlooier was in die tijd een kapitaalkrachtig beroep. In de voorraden huiden ging nogal wat geld zitten. Het was ook een handel die het in militaire tijden goed deed. De kuipen met huiden stonden overigens niet bij zijn huis op de Oude Delft, maar op een terrein aan de Gasthuislaan vlakbij de Oostpoort. In 1822 had hij daar vijf werklieden in dienst. Verder had Kranendonk ook een tuin aan de singel tegenover de Oostpoort, en diverse andere huizen in de stad.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Te koop in 1890, met marmeren gang

 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
In 1922 is er een baan voor een dienstbode.
Dagblad Centrum.
NRC in 1916. Er is kubussuiker te koop
op de Oude Delft.
 

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Dezelfde gevelsteen komt voor op een schilderij
van Pieter de Hooch.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

`Wij moeten eerst dalen willen wij worden verheven'

Huisbazen
Na Kranendonk komt het huis in handen van de Rotterdammer Joost van Duim, die waarschijnlijk altijd heeft verhuurd. Volgens het adresboek van 1857 woonde er toen een makelaar in effecten, J.G. van Hoytema.
In 1891 wordt het verkocht aan de apotheker J.A. Straman, die sinds 1852 zijn apotheek had in De Spaanse Vloot, op de hoek van de Wijnhaven en de Nieuwstraat. Het blijft via via enige tijd in de familie van deze apotheker. Van 1903-1905 hield hier de industrieel Andreas Otto domicilie, en van 1905-1908 de muziekonderwijzer Johannes Petrus Jodocus Wierts. Vervolgens wordt het pand gekocht door de buurman van 157, Rudolf van Stolk, die het in de jaren 1917-1921 verhuurt aan de overheid. Het werd Brandstoffenbureau tijdens de schaarste van de Eerste Wereldoorlog en in de jaren daarna.
 

Architect
In 1964 koopt A.J.H. Haak, architect en hoogleraar bouwkunde, het huis, waarvan hij inmiddels het bovenhuis bewoont. De begane grond behoort sinds enige tijd tot de kantoren van het Hoogheemraadschap.

 

Henk Verbruggen,
met dank aan Willem Annema, bouwhistoricus.