Oude Delft 157

Huis met de vier vazen

 
   

Het huis met de vier vazen is wel vaker het huis met de drie vazen genoemd, omdat vanaf de straat drie vazen op het fronton zichtbaar zijn. Hoog op de steile sporenkap staat echter nog een vierde vaas, die alleen te zien is vanaf de overkant van de gracht.

Het huis is een van de weinige voorbeelden van de classicistische bouwstijl in Delft, die halverwege de 17e eeuw in de mode was. De stijl is herkenbaar aan de vruchtenguirlandes en de zware zandstenen kroonlijst. Aan dit opvallende uiterlijk moet vermoedelijk een speciale architect te pas zijn gekomen, wat in die tijd lang niet voor elk huis gebruikelijk was. Een van de mogelijke gegadigden voor dit ontwerp is Pieter Post, een bekend classicistisch architect, die in Delft in 1660 het kruithuis aan de Schie heeft gebouwd. In 1640 was hij als beginnend architect betrokken was bij de bouw van het Mauritshuis in Den Haag, ontworpen door zijn leermeester Jacob van Campen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 157 zoals de beeldend
kunstenaar Victor Muller het ziet

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

 

 

 

 

 

 


Het Hieronymusklooster op de kaart van
Braun en Hoogenberg uit het midden van de 16e eeuw.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Boven een deur in Oude Delft 157 is deze kleurige schildering uit 1766 te zien. De drie heren
symboliseren de handel. Deze voorstelling moet aangebracht zijn toen de arts en burgemeester
dr. Willem van der Lely eigenaar was.
(Foto Gemeentearchief)

 

Bouwheer
Of het pand halverwege de 17e eeuw geheel nieuw gebouwd is, of dat er sprake is van een vernieuwing van het uiterlijk van een bestaand huis is ook niet duidelijk.
In 1643 werd het huis, samen met een daarachter gelegen pand, voor het aanzienlijke bedrag van 9200 gulden verkocht door de arts Johan Blanckendael aan de regent Robbrecht Dircksz van Schilperoort. Het huis erachter werd toen gehuurd door dominee Dionysius Sprankhuysen. Vijf jaar eerder waren beide panden nog verkocht aan een andere medicus, Michael Eversdijk. Deze betaalde toen 4650 gulden voor het huis aan de straat, en met het huis erachter samen 5900 gulden. Kort daarop werd het opnieuw verkocht, toen Eversdijk in 1640 naar Amsterdam ging.
De nieuwe eigenaar was sijdelaekencoper Joris d’Acquet, die gehuwd was met de predikantsdochter Emmerantia van der Linden. Helaas is niet erg duidelijk wat hij in 1640 voor beide huizen betaald heeft. Hij gaf 3000 gulden contant en de rest bij onderlinge regeling met de vorige eigenaar. De kans dat hij de opdrachtgever is geweest voor het nieuwe huis, is groot. Helaas heeft hij er nooit plezier van gehad, want hij stierf al in het jaar waarin hij het huis kocht. Zijn weduwe trouwde een jaar later met de bovengenoemde arts Blanckendael.

 

Hieronymusklooster
Het huis staat op het terrein dat oorspronkelijk toebehoorde aan het voormalige klooster Sint Hieronymusdal, dat in 1403 op die hoogte aan de Oude Delft was gesticht. Dat kloosterterrein wordt heden ten dage nog gemarkeerd door de twee poortjes naast de huizen Oude Delft 147 en 159. Ze gaven ooit toegang tot de kapel en andere gebouwen van het klooster, die achter de bebouwing van de Oude Delft lagen. De huizen langs de gracht deden voor een deel dienst als woonhuizen voor de abt en andere kloosterlingen van dit intellectuelenklooster. Het hield zich vooral bezig met onderwijs en boekenproductie.
Bij de stadsbrand van 1536 liep het klooster grote schade op, waar het zich financieel moeilijk van wist te herstellen. Van de kapel en de huizen langs de gracht zijn na de brand wel een deel van de muren overeind blijven staan, zo bleek bij opgravingen voor de nieuwbouw van het Hoogheemraadschap Delfland in 1988. Na de brand is het klooster in bescheidener vorm herbouwd en zijn er al enkele van de woonhuizen aan de gracht wegens geldzorgen verkocht.

Met de Reformatie in 1572 werd het gehele kloosterbezit onteigend, waarna de verschillende panden in de loop der jaren door de overheid zijn verkocht
 

Bourdonklok
Zo kocht de houthandelaar Pieter Joostenszoon van Ruijven in 1586 van de stad het huis dat op de plek stond van het huidige Oude Delft 157, voor 1500 gulden. Daarbij kreeg hij tevens het recht om een gedeelte van de kapel schuin achter zijn huis te gebruiken voor houtopslag. Hij moest de kapel delen met geschutsgieter en klokkengieter Hendrik van Trier, die er ook een werkplaats had. Van Trier goot hier niet alleen kanonnen voor de Tachtigjarige Oorlog, maar ook de beroemde Bourdonklok voor de Oude Kerk.

 

Lijk in huis
Van Ruijven was getrouwd met Catharina Schinkel, de dochter van drukker Herman Schinkel, die werd opgehangen vanwege het drukken van ketterse geschriften. Zij hebben dit huis bewoond tot de dood van Pieter in 1627. Van Ruijven was ook stadsbestuurder maar werd in 1618 door Prins Maurits uit zijn ambt gezet, omdat hij in de godsdiensttwisten een aanhanger was van de vrijzinnige Remonstranten. In 1621 ontstond een pijnlijke situatie toen in zijn huis de Remonstrantse predikant Speenhovius uit Utrecht overleed, die hier kennelijk verboden godsdienstbijeenkomsten hield. Het leverde hem een boete op van 500 gulden. Na zijn dood erfde zijn zoon Harmen van Ruijven het huis. Deze Harmen was een vermogend man, die zelf aan de Voorstraat woonde. Aan wie hij het huis verhuurd heeft, voor hij het in 1638 aan de eerder genoemde dokter Eversdijck verkocht, is niet bekend.

 

Paardenstallen
In 1663 werd het huis eigendom van brouwer mr. Maerten Hogenhouck. Hij betaalde er toen 6000 gulden voor. Hij kocht later ook twee kleinere huisjes op het voormalige kloosterterrein er achter. In 1673 erfde zijn dochter Margaretha, die getrouwd was met Hugo ’s Gravensande, het huis. Zij woonden er overigens niet, want in 1674 blijkt ene Cornelis Bogaert de hoofdbewoner. Hugo was brouwer in de De Dubbele Sleutel aan het Oude Delft (nu nr. 93), waar hij ook woonde. Daarnaast was hij stadsbestuurder, die onder meer schepen en zes keer burgemeester is geweest. Na Bogeart was regent Anthony Weveringh de huurder. Ook hij was enkele malen een jaar burgemeester. In die tijd zijn waarschijnlijk van de kleine huisjes afgebroken en zijn op dit terrein paardenstallen en een koetshuis gebouwd.

In 1697 verkocht Hugo ’s Gravensande het huis aan kruitfabrikant Salomon van der Heul voor 15.000 gulden. Waarschijnlijk was het huis in de voorafgaande jaren verder verbouwd en uitgebreid, onder meer met het koetshuis en de paardenstallen. Salomon had zijn kruitfabriek met vijf kruitmolens aan de Buitenwatersloot op veilige afstand van de stad. Daar woonde hij ook. Het huis aan de Oude Delft was voor zijn dochter Debora. Ze was getrouwd met predikant Petrus Gribius.

   

Snijles
In 1722 erfde Salomons kleindochter Maria Gribius het huis. Zij was de vrouw van arts en regent Abraham van Bleyswijck. Hij is de doctor anatomicus op de snijles die Thomas van der Wilt schilderde in opdracht van het chirurgijnsgilde en dat nu in Museum Het Prinsenhof hangt. Abraham was verder ook schepen, burgemeester en bevelhebber van de VOC. Hij kocht in 1731 het buurhuis Oude Delft 155 erbij. Toen Abraham in 1761 overleed, erfde zijn zoon mr. Pieter van Bleijswijck, de raadspensionaris van Holland  uit de jaren 1772-1787 de beide huizen. Deze had echter weinig interesse in het huizenbezit in Delft en verkocht het twee jaar later voor 11.750 gulden aan de arts dr. Willem van der Lely.

Arts en regent Abraham van
Bleyswijck is op dit schilderij
de doctor anatomicus
van de snijles.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

 

 

 

 

Op deze uitsnede uit de Kaart Figuratief zijn de
twee poortjes te zien, die naar het klooster achter
Oude Delft 157 leidden. Bij het ene staat ‘16’
(net rechts van het Gemeenlandshuis), de andere
poort bevindt zich juist links van de brug naar de
Nieuwstraat. Oude Delft 157 is het tweede huis
rechts van het poortje bij nummer 16, hier nog
met traditionele trapgevel. Erachter staan kleine
huisjes, die ooit bij het klooster hoorden.

 

 

 

 

Wapenliefhebbers
Behalve medicus en stadsbestuurder -- hij werd vier maal burgemeester -- was Willem van der Lely een enthousiast genealoog die de stambomen van veel Delftse magistratenfamilies heeft uitgezocht en te boek gesteld, inclusief alle familiewapens. Na de dood van Willem en zijn vrouw heeft Pieter van Petten kort in het pand gewoond.
In 1776 kwamen Oude Delft 155 en 157 samen voor 16.000 gulden in handen van mr. Adriaen van der Lely. Adriaen was geen rechtstreekse afstammeling van Willem, maar verre familie. Hij was rentmeester van de Fundatie van Renswoude. Zijn naam staat ook vermeld op een wapenschild in de regentenkamer van het voormalige Sint Barbaraklooster, nu bestuurskamer van Sociëteit Alcuin, en destijds het stadsweeshuis. Verder was hij één van de oprichters van de Oranjegezinde sociëteit ‘Standvastigheid’.
In 1802 deed hij de beide huizen over aan zijn zoon, jhr mr. Jacob van der Lely van Oudewater, maar waarschijnlijk bleef Adriaen wonen in het pand Oude Delft 155. Zijn zoon Jacob was onder meer secretaris van de Raad van Adel en Commissaris Vorstelijke Grafkelder en Tombe te Delft. In 1809 verkocht hij het huis 157 voor slechts 4500 gulden aan Bernhard Waltman uit Amsterdam. Deze verhuurde het aan de arts Bartholomeus van den Bogaert.

 

De situatie in 1988, vlak voor de nieuwbouw van het Hoogheemraadschap.

 

Tuinenroof
In 1818 werd chirurgijn Paulus Soek de nieuwe eigenaar. Hij betaalde 4700 gulden voor het pand. Soek woonde zelf op Oude Delft 141 en zijn droom was een imposante tuin. Daarvoor kocht hij successievelijk bijna alle panden tot nummer 161 op om ze na annexatie van de tuin weer in de verkoop te doen. Zoiets was eigenlijk alleen mogelijk dankzij de rampzalig slechte huizenmarkt sinds de Franse Tijd.
In 1821 werd het huis 157, met ingekort erf, voor 5000 gulden doorverkocht aan jhr Ada Gerardus Pompe van Meerdervoort, directeur van het Postkantoor en lid van de Ridderschap van Holland.
De volgende eigenaar werd in 1836 de gemeentesecretaris Petrus Jacobus van der Colff van Hoogeveen. Ook toen kostte het nog 5000 gulden. In 1882 was de prijs al opgelopen tot 16.600 gulden. Koper was toen Cornelis van der Mandele. Het huis was toen inmiddels echter uitgebreid met een achterhuis dat doorliep achter de panden 155 en 159. Van der Mandele was kassier en handelaar in effecten en kwam uit een familie van invloedrijke bankiers en industriëlen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Hij was getrouwd met Adriana Maria van Meerten, ook uit een familie met veel industrieel kapitaal. De bank waarin dat familiekapitaal zat, beleeefde in 1907 een dramatisch faillissement. Ook Adriana verloor daarbij een groot deel van haar bezit. Zelf woonde zij op dat moment in Den Haag, waar zij na de dood van haar man naar toe was verhuisd. Het huis op de Oude Delft had zij verhuurd aan een Leendert Abraham Bybau, ook weer een gemeentesecretaris. In de nasleep van het familiefaillissement moest ook het huis aan de Oude Delft onder de hamer. Het werd toen in 1907 gekocht door mr. Rudolph van Stolk, directeur van de Lijm- en Gelatinefabriek op de Rotterdamseweg, onderdeel van het Van Markenconcern. Deze fabriek is inmiddels in 2004 gesloten. Hij kocht tevens het er naast gelegen huis Oude Delft 159.

De portretten van de vermeende illustere
voorouders van prof. Elias

   

Hospita met hond
In 1924 werd het huis eigendom van de hoogleraar jhr prof. dr. Gerhard Joan Elias. Hij betaalde er 24.000 gulden voor. Elias stamde uit een bekend Amsterdams burgemeestersgeslacht. Hij overleed in 1951. Zijn weduwe, de van oorsprong Berlijnse Viktoria Schloss, exploiteerde er sindsdien bijna 25 jaar een bekende “studentenkast”. Daarin bood ze onderdak aan 13 studenten. Vele studenten uit die tijd kunnen nog bijzondere herinneringen ophalen uit de tijd dat ze bij mevrouw Elias een kamer huurden.
Bij haar overlijden vermaakte zij twee 17e eeuwse portretten aan Museum Het Prinsenhof. Deze twee pendanten hangen nu in de trouwzaal van het stadhuis. Haar man was er altijd vanuit gegaan dat het zijn illustere voorouders waren die thuis aan de muur hingen. Onderzoek heeft echter uitgewezen het de huwelijksportretten zijn van Banning Cocq en zijn vrouw Maria Overlander, dezelfde man die centraal staat op de Nachtwacht van Rembrandt. De vader van Elias, die zich als belastingontvanger wat miskend voelde, had ze in 1875 op een veiling op de kop getikt om er zijn familietrots mee op te vijzelen en had de geportretteerden van de naam van een 17e eeuwse burgemeester Elias en diens vrouw voorzien.
In 1975 is het huis gesplitst verkocht. Het achterhuis werd aanvankelijk architectenbureau en verbonden met het pand Oude Delft 159. Het voorhuis Oude Delft 157 werd een notariskantoor. In 2002 werd Oude Delft 157 opnieuw woonhuis en gekocht door de huidige eigenaar.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Prof. dr. G.J.Elias

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

 

Henk Verbruggen

 
nadere informatie over Oude Delft 157
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterTwee poorten aan de Oude Delft
(bij de huisnummers 147 en 161)
gaven toegang tot het in de dertiende eeuw
gestichte klooster