Oude Delft 138
Klein huis van neringdoenden  
   

Het pand Oude Delft 138 is een relatief klein pand vergeleken met de andere panden op dit rijtje aan de Oude Delft. De gevel is twee ramen breed en heeft op de begane grond slechts een raam naast de voordeur. Het heeft een schilddak en een eenvoudige lijstgevel uit eind achttiende of begin negentiende eeuw. In de zeventiende eeuw had het huis een winkel- of neringbestemming. Zo ziet het er tenminste uit op de Kaart Figuratief van circa 1670, toen het pand klaarblijkelijk nog een trapgevel had.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Ingeklemd tussen brede huizen.
(Het Delftse grachtenboek, H. Ett, jaren ’60)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Vanuit de lucht gezien. (Foto Monumentenzorg Delft)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Halverwege de achttiende eeuw woonde en werkte
hier een schoenmaker. Schoenen heb je om
te kunnen lopen, zegt het gedicht.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 138 is op dit schilderij van Jan van der
Heyden (17e eeuw) verstopt achter bomen rechts.
Er zitten twee mensjes op een bankje.
(Particuliere collectie)

 

Kleermaker en schoolmeester
Omstreeks 1600 werd het huis op deze plek bewoond door de kleermaker Claes Willemszoon. Het heeft dan drie haardsteden. Na hem treffen we Adriaen Ravesteijn, die schoolmeester was bij de Latijnse School in de Schoolstraat. Bij zijn huwelijk in 1629 met Grietgen Claes van Berckel woonden beiden reeds op de Oude Delft. In 1638 volgt de weduwe van Cornelis van der Hart.

 

Kruidenier, kwartier- en krebbemeester
In de tweede helft van de 17e eeuw werd het pand gebruikt door kruidenier Gerrit Willemszoon Versteegh, die ook eigenaar was. Gerrit was bovendien kwartiermeester van het 14de kwartier en tevens crebbemeester van de grebbens vóór ‘de Stockbeurs’, het naastgelegen pand. Een ‘grebbe’ was een openbare vuilstortplaats aan de rand van de gracht. De crebbemeester moest zorgen dat het geen rotzooi werd. De kwartiermeester moest de bewoners van zijn wijk administreren en de blusmiddelen inspecteren die iedereen verplicht was in huis te hebben. Gerrit was sinds1648 getrouwd met Gerrige Evers. In 1667 is Versteegh van beroep veranderd of had er nog een nering bij. Hij werd nu vermeld als ‘vendumeester’ en woonde nog steeds in dit pand. Na hem werd het huis eigendom van kunsthandelaar Nicolaes van Breda, die wellicht eerder met de vendumeester relaties had onderhouden.

 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Op de Kaart Figuratief (1675) heeft het huis vermoedelijk een trapgevel. Tussen 1832 en 2004 is er aan de grootte van het perceel weinig veranderd.

 

Schoenmaker
De oudst bewaard gebleven koopakte van dit huis dateert van 1727. Het huis werd toen door de erfgenamen van Nicolaes van Breda voor 1850 gulden verkocht aan opkoper Schalkius van der Hoogh, die in 1724 ook al het buurpand ten noorden had opgekocht. In 1726 kocht hij ook het hoekpand Oude Delft/Nieuwstraat om het een jaar later met aanzienlijke winst door te verkopen. Zo had hij weer penningen paraat voor de aanschaf van dit huis. Schalkius was houthandelaar. Zijn bedrijf lag buiten de Ketelpoort. Waarschijnlijk was het pand aan de Oude Delft door huurders bewoond, want Cornelia van Breda, die het huis verkocht, woonde zelf in Nederhorst den Berg waar haar man Pieter Coenraad predikant was.
Ook Schalkius verhuurde het. In 1750 werd het huis bewoond door de meester- schoenmaker Johannes van Rossen (Rossum) en zijn vrouw Maria de Haas, met wie hij sinds 1746 was getrouwd. Zij hadden een dochtertje, Cornelia Hendrina. Bovendien woonde bij hen in Geertruy Berchem, “die sobertjes van haer goet leeft en onvermogend is”, aldus het register van de impost (een noodbelasting, die de belasting op levensmiddelen moest vervangen). Na het overlijden van de weduwe van de huisbaas in 1752 kon huurder Johannes van Rossum het huis kopen voor slechts 950 gulden. Hij schonk het later aan zijn dochter Cornelia. Toen zij in 1772 trouwde met Cornelis van der Lely, verkocht zij het weer voor 1010 gulden.

Nieuwe eigenaar werd Jacobus Swaal, van wie wij verder weinig weten. Hij hield het pand acht jaar in bezit tot hij het in 1780 voor 1750 gulden, dus met een aardige winst, verkocht aan Jan Hendrik Koelmeijer. Wat die met het huis deed is evenmin duidelijk.

 

Langdurig familiebezit
Omstreeks 1800 kwam het in handen van Ernst Koelmeijer, die getrouwd was met Anna Snijders. Kennelijk had zij in de familie iemand die het kon gebruiken, want ze verkopen het aan Catharina Snijders, de weduwe van Joost Kasling (Kaseling). Zij overleed in 1816, 81 jaar oud. Ze woonde toen in de Jacob Gerritsstraat. Het huis bleef in de familie. Het werd eigendom van de gepensioneerde officier Salomon Brennwald, een schoonzoon van Zwitserse komaf. Hij was getrouwd met Johanna Kasling en woonde op de Markt. Mede-eigenaar werd Johan Laurens Happel, weduwnaar van Gerarda Kasling. Later kwam het huis volledig op naam van Salomon Brennwald te staan, zoals blijkt uit het kadaster van 1832. Toen Salomon Brennwald en zijn vrouw in 1841 en 1842 kort na elkaar overleden, kwam het huis op naam van de gepensioneerde luitenant Salomon Johannes Brennwald. Waarschijnlijk is het sinds 1816 steeds verhuurd geweest. Als de weduwe van de laatste Brennwald, Maria Carolina Putto, sterft, komt het in 1900 voor het eerst weer in andere handen.

 

Stoffeerder
Bij de verkoop in 1900 werd het in de Delftsche Courant als volgt beschreven:
‘Woonhuis bevattende: doorlopende gang, voorkamer met stookplaats en kasten, achterkamer met bedstede en stookplaats, open plaats met stenen schuurtje, keuken met kamer en zolder daarboven en kelder, op de eerste verdieping: voorkamer met stookplaats, achterkamer met dito, op de tweede verdieping: voorkamer met stookplaats, achtervertrek en vliering, voorts waterleiding. Het huis is verhuurd voor 5 gulden per week’.
Hendrica de Bruijn, de weduwe van Jan Waller, werd de nieuwe eigenaar. Zij betaalde er 3000 gulden voor en deed het opnieuw in de verhuur. Huurster was mej. H. Baer. Ook stoffeerder en behanger Adrianus Streng, koper in 1907, verhuurde het weer, nu aan de kamerverhuurder H.C. Koolschijn. Streng vertrok in 1917 naar Scheveningen en verkocht het pand aan de buren, de firma J.Richter die haar zaak ernaast had, aan Oude Delft 140. Richter verkocht het in 1922. Huurders waren intussen J.A. de Ruiter en A.J.M. Lutz, die bode was op Rotterdam. Korte tijd was het huis eigendom van de weduwe Johanna Harkink, die het in 1923 snel doorverkocht aan koffiehuishouder Antonius Hendrikus Konincks. Het huis ging binnen die familie ook weer van hand tot hand. Huurder Lutz mocht het nog steeds huren, zoals blijkt uit het adresboek van 1931. Het pand werd eigendom van boterhandelaar Adrianus Konincks, en in 1953 van Cornelia Konincks. De bewoners bleven huurders. In 1949 de Meterhersteller 1ste klas GEB H.M. de Koning, later de goudsmid J.J. Lander en de radiomonteur L.A. Gubbi. Het huis is nog steeds een woonhuis.

 

Henk Verbruggen

 
   
nadere informatie over Oude Delft 138