Oude Delft 137 - 139

In de gulden meebael , huis van VOC -investeerder Van Beresteyn en van de bankier Van der Mandele

 
   

Dit pand, dat nu het achterdecor is van het stadskantoor van Delft, is in 1892 gebouwd in opdracht van de advocaat en bankier mr. Willem Freek van der Mandele. Zijn twaalfjarig neefje Karel van der Mandele mocht de eerste steen leggen. Later zou deze neef als mr. dr. Karel Paul van der Mandele (1880-1975) in Rotterdam furore maken als directeur van de Rotterdamsche Bank. Hij richtte de economische universiteit op en was de grote financiële organisator van de wederopbouw van de gebombardeerde havenstad. Het leverde hem onder meer het erevoorzitterschap op van de Rotterdamse Kamer van Koophandel en Fabrieken.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Karel Paul van der Mandele, die als twaalfjarige
de eerste steen legde. Brons: Charlotte van
Pallandt. Foto Tom Haartsen

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 137-139 in de jaren ’60.
Foto Tiemen van der Reijken

 
Ontwerper van het huis was architect G. van der Kaaden, die het gebouw rijk geornamenteerd heeft in neorenaissance stijl. Om dat huis destijds te kunnen bouwen, werden twee oudere huizen, een grotere nummer139 en een kleinere 137, afgebroken. Waarschijnlijk hadden de bouwer en zijn architect daar toch enige wroeging over, want voor de aankleding van de gevel hebben ze veel ontleend aan de ornamentboeken van de 16de eeuwse Antwerpse architect en kunstenaar Hans Vredeman de Vries. Diens stijlboeken zijn tot aan het eind 19de eeuw gebruikt.
 

Faillissement
Lang heeft Van der Mandele niet van zijn nieuwe huis genoten. Op dinsdag 15 september 1901 klapte de bank (de firma Van der Mandele en Zoonen) , die hij samen met zijn halfbroer Willem Karel Samuel (ook wethouder en dijkgraaf) dreef, in elkaar. Het was een dramatisch faillissement. Het was het gevolg van de veel te ruime kredieten die de bank aan de ambitieuze distilleerderij en gistfabriek Van Meerten had verstrekt. Die eigenaar van die fabriek, Lambert van Meerten, had zelf ook net een soortgelijk nieuw paleis op de Oude Delft laten zetten (no. 199, nu museum). Na dit faillissement moest W. F. van der Mandele kleiner gaan wonen op het Noordeinde en sleet hij zijn verdere leven als ambtenaar van de burgerlijke stand. Eerste steenlegger neef Karel Paul stelde alle schuldeisers schadeloos.

 

Weeshuis
Van 1926 tot 1968 was dit gebouw het laatste onderkomen van het oude Weeshuis van Delft. Tevens had de Fundatie van Renswoude (zie Oude Delft 49 en 95) hier een fraaie regentenkamer. Na de Tweede Wereldoorlog liep het aantal wezen sterk terug. De overblijvende wezen werden doorgaans ondergebracht in pleeggezinnen of woonden buitenshuis op kamers. Het weeshuis had haar functie verloren. Daarom werd er in 1951 een 'Tehuis van werkende jongens' van gemaakt, voor jongeren met opvoedingsproblemen thuis.
Het gebouw werd daarvoor vrij grondig verbouwd. Daarbij werd ook de wat ouderwets aandoende regentenkamer verplaatst naar de eerste verdieping, en gemoderniseerd.
Uiteindelijk kwamen de regenten in de jaren’60 van de vorige eeuw tot de conclusie dat het gebouw toch niet geweldig geschikt was voor dit doel en besloten ze een geheel nieuw gebouw aan de Bieslandsekade neer te zetten. Het pand aan de Oude Delft werd verhuurd aan de gemeente Delft, die er kantoorruimte van maakte.

   

Gevelsteen
Van de twee huizen die voor 1892 op deze plek hebben gestaan, hebben we nog wel een beeld, dankzij een oude foto en een tekening die daarnaar is gemaakt. Omstreeks 1875 werd het grootste daarvan bewoond door de advocaat mr. Samuel Hartogh Heijs (Delft 1808 - Delft 1878), hoogheemraad van Delfland.
Het huis droeg de naam ‘de Gulden Meebael’, zoals op een steen in de gevel viel te lezen. De gevelsteen is bij de bouw van het nieuwe pand achteloos op het achtererf gegooid en later bij de opgravingen voorafgaand aan de bouw van het nieuwe stadskantoor in de achtertuin tevoorschijn gekomen. Hij siert nu het poortje naar het ambtenarenbolwerk. Dat poortje in de gevel is overigens een creatie die is ontstaan met de bouw van het stadskantoor in 1985. Daarvoor werd een deel van de benedenverdieping van het pand gesloopt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Pentekening van B.V. v. d. Berch van de voormalige
huizen Oude Delft 137 en 139 eind 19e eeuw, naar
een foto uit 1879 uit de topografische atlas van
het Gemeentearchief Delft.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Bovenaanzicht op Oude Delft 137 vanuit het
Meisjeshuis aan de overzijde.
Foto T. Kerklaan, Gemeentearchief Delft. 1986

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Achteraanzicht van Oude Delft 137 tijdens de bouw
van het stadskantoor. Foto Ton Kerklaan,
Gemeentearchief Delft, 1986.

 

Paulus van Beresteyn
Naamgever van ‘de Gulden Meebael’ was Paulus van Beresteyn.
Hij kocht het in 1593 voor f 6900, van de boekdrukker Albrecht Hendriksz, die er toen nog een uithangbord aan had hangen met de naam ‘Dansick’ erop. Het was ook toen al een voor Delftse begrippen groot huis, dat in 1600 tien stookplaatsen telde.
Van Beresteyn liet, naar de afbeeldingen te zien, in het begin van de 17e eeuw de gevel fors moderniseren en bracht daar ook de nieuwe gevelsteen in aan. Hij bouwde er een nieuwe keuken aan, waarover hij ruzie kreeg met zijn buurman ten noorden, Arent Vrankensz van der Meer en diens echtgenote de bekende weldoenster Clara van Sparwoude. In 1612 kocht hij ook het huis ten zuiden (het oude 137) erbij.

 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Paulus van Beresteyn, in 1612 geschilderd door Michiel Jansz van Mierevelt. Collectie Kasteel Keukenhof, Lisse.
(afbeelding Iconografisch Bureau)

Volkera Knobbert, echtgenote van Paulus van Beresteyn, geschilderd in 1632 door Michiel Jansz van Mierevelt. Musée des Beaux Arts in Vienna (Fr)
(afbeelding Iconografisch Bureau)

Cornelis van Beresteyn, in 1617 geschilderd door Michiel Jansz van Mierevelt, in particulier bezit.
(afbeelding Iconografisch Bureau)

 

Koopman in meekrap en kruidnagel
Paulus van Beresteyn (1548-1625) was in de begindagen van de 80-jarige oorlog als Haarlemmer naar Delft gekomen en succesvol geworden als handelaar in meekrap, een gewilde rode verfstof.  (Vandaar die Meebael = Baal meekrap) Hij trouwde hier een rijke brouwersdochter, Volkje Claesdr Knobbert, en werd tevens de steun en toeverlaat van zijn schoonmoeder Maria Duyst (niet te verwarren met de Maria van Oude Delft 151), die jong verweduwd raakte. Zij dreef de brouwerij De Ham op het Achterom. Bij haar dood was zij een van de meest vermogende vrouwen van Delft, mede door haar beleggingen in landerijen, waaronder boerderij De Ham aan de Rotterdamseweg.  Haar schoonzoon zou De Ham later erven en verbouwen, inclusief het hek dat er nu nog staat.
Paulus van Beresteyn had ook verstand van geld en behoorde tot de eersten die kapitaal belegden in de Oost-Indische Compagnie en die naast de meekrap ook de kruidnagelen en andere specerijen ontdekte. Voor hij in 1593 zijn huis aan de Oude Delft kocht, woonde hij op de Burgwal in het huis “De Roode Meebael”. Ook Van Beresteyn belegde zijn winsten bij voorkeur in land. Zo verwierf hij onder meer het buiten Ypenburg bij Rijswijk en goederen in Middelharnis.

   

Laatste wil
Paulus van Beresteyn was erg gehecht aan zijn huis. In zijn testament liet hij als zijn laatste wil vastleggen dat hij hoopte dat het huis “altoos sal blijven aen een van heurluyden kinderen ofte descendenten om by hen bewoont te werden”. Inderdaad is het huis bijna een eeuw lang door drie generaties Van Beresteyn bewoond gebleven. Eerst door zijn zoon Cornelis (1586-1638) en zijn vrouw Cornelia Hofdijck (overleden in 1667) en vervolgens door zijn kleinzoon Zacharias van Beresteyn van Hofdijck (1623-1679), heer van Middelharnis, en burgemeester van Delft in de jaren 1677-1679.
De handel was bij deze generaties Van Beresteyn minder in zwang. Zij hadden echter wel een bijzondere neus voor rijke huwelijkspartners. En verder deden zij wat aan het stadsbestuur.
Zacharias huwde pas op 51-jarige leeftijd, maar koos toen wel de rijke weduwe Agneta Deutz. Deze vrouw uit een rijke Amsterdamse koopmansfamilie woonde enkele huizen verder op de gracht en was eerder getrouwd geweest met de VOC- bewindhebber Gerrit Meerman. Waarschijnlijk trok Zacharias na het huwelijk bij haar in, want in 1674 ging hij De Gulden Meebael verhuren.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De begane grond deels weggebroken voor een
doorgang naar het nieuwe Stadskantoor.

   

Zetbaas van de Prins
Huurder werd jarenlang burgemeester Gerardus Putmans, voor aanvankelijk voor f 630 per jaar, later f 900 per jaar. Putmans was een nieuwkomer in de Delftse regentenkringen. Hij was na het einde van het Stadhouderloze Tijdperk en de moord op de gebroeders De Witt door de Prins als vertrouweling in het Delftse stadsbestuur geparachuteerd om daar zijn belangen te behartigen. Dat heeft hem geen windeieren gelegd. Vrijwel alle ambten wist hij te vergaren en hij werd in korte tijd een rijk man. Om dat te tonen schafte hij zich al vrij snel het imponerende buiten Sion bij Den Hoorn aan.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Burgemeester Putman, huurder van OD 137, kocht
de buitenplaats Sion.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Van Sion is de toegang nog herkenbaar.

 

Lompe zoon
Even terug naar de feitelijk eigenaar: zowel Zacharias als zijn vrouw hadden nogal wat te stellen met een onbehouwen zoon uit haar eerdere huwelijk, Johan Meerman. Hij was inmiddels student, maar kon zijn stiefvader niet luchten of zien en maakte ook zijn moeder het leven zuur. Hij schold in het openbaar zijn moeder en stiefvader uit voor rotte vis en zou volgens getuigenverklaringen wel ‘duysend guldens willen geven aan ymand die een middel wist te vinden om de Heere burgemeester Beresteyn van Hofdijck, sijne vrouwe moeder en hun kind (zijn jongere halfbroertje, dat jong zou overlijden) om hals te brengen’. Ook zou hij graag komen kijken als zijn ‘vervloekte mama’ publiekelijk op het schavot ‘wierd gegeselt’.

   

Keizersgracht
Na de dood van Zacharias in 1679 liepen de ruzies zo hoog op dat Agneta haar handen geheel van hem aftrok en een procedure begon tot aan de Hoge Raad om hem te onterven. Agneta Deutz was ondertussen één van de rijkste weduwen van Holland. Ze hield Delft voor gezien en betrok in Amsterdam haar ouderlijk huis ‘De Ster’ op de Keizersgracht en beraamde daar plannen om met haar geld na haar dood het zogenoemde ‘Deutzenhofje’ aan de Prinsengracht te stichten voor bejaarde dienstbodes.
In 1690 werden de twee huizen op de Oude Delft door de familie Van Beresteyn van de hand gedaan. De Gulden Meebael voor f 20.000 en het kleinere huis daarnaast, dat verhuurd werd aan postmeester Van Twent, voor f 3500. Een reden voor Agneta Deutz om de huizen te verkopen, in strijd met de wens van de oude Paulus van Beresteyn, waren de kosten van de inmiddels noodzakelijke reparaties.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Agneta Deutz, vermoedelijk geschilderd door
Luttichuys, met entourage door M. d’Hondecouter.
Schoorsteenstuk in de regentenkamer van
het Deutzenhofje.

 
Kees van der Wiel
   
nadere informatie over Oude Delft 137