Oude Delft 136
De Stockbeurs, residentie van een alleenstaande jonkvrouw  
   
Tot de tweede helft van de 18de eeuw bestond het huidige perceel Oude Delft 136 uit twee huizen, van respectievelijk twee en drie vensters breed. Aan de huidige gevel is dat nog altijd goed te zien. Het linker huis was kleiner dan het rechterhuis, maar de vloer van de eerste verdieping ligt bij het smallere huis aanmerkelijk hoger dan bij het andere pand. De raampartijen op de bovenste verdieping zijn gelijk getrokken. Ze bevinden zich ongeveer op kniehoogte omdat er voorheen waarschijnlijk trapgevels hebben gezeten. Het huis heeft sinds een paar honderd jaar een lijstgevel en een dwars schilddak. Het droeg eeuwenlang de naam De Stockbeurs. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 136, twee samengevoegde panden.

   
Het huis in de huidige vorm is in grote lijnen een creatie van jonkvrouwe Anna Sagius halverwege de 18e eeuw. Zij had eerst in 1739 het zuidelijke huis gekocht en acht jaar later ook het noordelijke. In 1749 woonde zij zelf nog samen met haar moeder Anna Maria Cock en een meid in het eerst gekochte huis. Zij was toen 60. Haar vader Hubertus Sagius was al sinds 1714 dood. Het noordelijke huis was toen nog verhuurd aan kleermaker en doodgraver Coenraad Smits en zijn vrouw. Niet lang daarna heeft mevrouw Sagius waarschijnlijk de beide huizen laten verbouwen tot één geheel. Ze woonde er, volgens het aantekenboekje van de dominee, met twee meiden tot aan haar dood in 1776. Ze werd 88 jaar.  
 
Noordelijke helft
Het noordelijke deel van het huis was aan het einde van de 16de eeuw eigendom van goudsmid Corstijan Andrieszoon, die in 1580 meester was geworden. In 1600 was het huis eigendom van schoenmaker Galey Pieterszoon, die het toen verhuurde aan zijn collega-schoenmaker Jacob Janszoon. Het huis telde destijds twee haardsteden. Achtereenvolgens waren Wouter Corneliszoon, de linnewaetverkoopster Aeltje Fransendochter, de zeemverkoper Antonis Pieterszoon en vervolgens Cornelis Testart de eigenaren. Cornelis was lakenverkoper en woonde zelf in de Choorstraat. Het huis wisselde dus in korte tijd vele keren van eigenaar.
Tegen het midden van de 17de eeuw werd herbergier Rochus Rochuszoon van der Vin de eigenaar. De herberg van Van der Vin stond aan de Choorstraat, waar hij in 1641 onder meer een kamer verhuurde aan de schilder Emanuel de Witte in ruil voor schilderlessen aan zijn zoon Pieter van der Vin.
In 1667 betaalde hier Reinier Pijan kadegeld voor het huis. In 1727 verkocht de weduwe van Pijan, Isabella ter Smette het voor slechts 100 gulden en een schuldbrief van 850 gulden aan ene Johannes Polijn. Polijn heeft hier gewoond. Van alle andere eigenaren is dat niet zeker.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een van de eigenaren was goudsmid. Dit genre werkstukken werd door zo’n ‘meester’ gemaakt.
(coll. museum Prinsenhof).

   
Gulden Stockbeurs
In 1600 woonde in het zuidelijke huis kleermaker Tobias Galeijnszoon, die erin 1612 overleed. Hij was de eigenaar en verhuurde een deel aan Lieven de Graeff. Het huis had drie stookplaatsen en werd genoemd “de (Gulden) Stockbeurs (Stockborse)”. Een stockbeurs is vermoedelijk een geldbuidel of portemonnee. Karel van Mander, de zuidnederlandse schilder, schreef in 1604 in een boek met adviezen voor schilders ook over de stockbeurs. Zo´n buidel was een symbool voor rijkdom: “…machmen maken rijckdom, met een stockbeurs uytghebeeldt. Wt den buydel, oft op dese stockbeurs, machmen stellen dry Pauw-pluymen, voor den hooghmoet….”
 
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In de hoek van de Heilige Geest Kerkhof was een doorgang naar de achterzijde van Oude Delft 136.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een oude ansicht, met OD 136 tussen de bomen.
(coll. Prooper)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Jan van der Heyden schilderde deze plek in 1670. Rechts zou Oude Delft 136 moeten staan.
(Collectie Detroit Institute of Art) Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Vanuit de lucht, het middelste grote pand, met een dak evenwijdig aan de Oude Delft.

Toen de Kaart Figuratief werd gemaakt bestond Oude Delft 136 nog uit twee huizen. In 1832 had dit pand nog een uitgang naar het Heilige Geest Kerkhof. Tegenwoordig is het perceel kleiner.
 
De volgende eigenaar en bewoner van het huis De Stockbeurs was Josue Olivierszoon Hennebaert. Hij kocht het in 1620 voor ƒ 2400. Ook hij was kleermaker, maar in sommige stukken wordt hij ook als wijnverkoper aangeduid. In 1636 verkocht hij het huis aanAdriana Claesdr en verhuisde zelf naar Oude Delft 159 aan de overzijde. Na haar werden Annetge Verhooch (of misschien Van der Hooch) en Jan van der Hoogh de eigenaar. In 1686 werd het huis door Margaretha van der Hoogh, de dochter van Jan, verkocht. Margaretha was in 1663 getrouwd met de advocaat Mr Piet van Wezip en hij zal geen interesse in het huis gehad hebben.
 
Bloemenbad
De nieuwe eigenaar werd in januari 1686 Johan van Duiren, ook wel gespeld Duuren, Dueren, Duyren of Duijren. Hij schonk het huis op dezelfde dag per decreet aan zijn kinderen, onder wie Johan Jr. Er is hier iets eigenaardigs aan de hand. Woonde hij reeds op dit adres? Op 16 december 1685 verschijnt er namelijk in de Amsterdamsche Courant een advertentie van Johan senior of junior met de volgende tekst: “Met kennisse van den Ed. Hove van Hollant, laet weten de Heer Johan van Duyren, geboortig uyt het huys Ruytesteyn en Roodenburg, out Practisyn in de Medicijnen, dat hy heeft opgeregt binnen de Stadt Delft, een heerlijck Bad der Medicynen, diergelyke in dese Landen nooyt is geweest, van Bloemen, Kruyden en gedistileerde Wateren, ten dienst van alle miserabele en ellendige menschen,’t sij wat accidenten of gebreeken het ook souden mogen syn, alle pyn en lammigheyt in de leden, opkrimpinge der zenuwen, watersugt en bracke waterachtige vogtigheden, weg te nemen”.
“Het verdryft mede haerworm, douworm, melaetsheyt of laserye, jigt, breekende steen en graveel, sonder pyn en smert, allerhande koortsen, en alle ongesontheyt die ’t menschelyck lighaem overkomen, als oock de gescheurtheyt, roodeof graeuwe loop, in den tydt van weynege dagen te genesen. Desgelycks voor veelderley soorten van blintheyt, doofheyt, pyn in de lenden en in ’t hooft, ende doet de memorie verstercken, voor alle teeringagtige en vallende-siekte, voor den quade maeg daer veele siekten uyt ontstaen, uytgenomen de spaensche pocken, waer van wy niet willen gesprooken of gemoeyt syn; hoewel dat hier te lande veele menschen van de spaensche pocken genesen worden, maar weynige die se hebben”.
“Wie by syne Ed. komen medicineren, sullen binnen de tydt van 8 a 10 dagen merckelycke beterschap gevoelen; boven dien soo laet syne Ed. verscheyde Vertrecken monteren om hooge en lage Staets-personen, te logeren, die uyt andere Landen of Steden by hem gelieven te komen medicineren: Syne Ed. practiseert en is woonagtig binnen de Stadt Delft, vyf huysen van de Oude Kerck, recht over het gemeen Lants-huys, daer de vergulde Drogist Winckel in het voorhuys staet, in ’t gekroonde Gesigt”.
 
Reclame
Waarschijnlijk maakt Johan reclame voor zijn werk enige weken voor hij het huis koopt. Ook in juni 1697 verschijnt een soortgelijk advertentie, waarbij inmiddels de vertrekken “gemonteerd” zijn. Het huis wordt door zijn zoon in 1699 verkocht aan Madlou van der Meulen, weduwe van één van de van Bleiswijk’s.
Was Johan of zijn zoon een kwakzalver of was hij van oorsprong een medicus? Het is ook vreemd dat het huis in zijn advertentie een andere naam heeft. Deze naam wordt niet in de koopactes vermeld. Het is wel bekend dat Van Duiren later met zijn inventaris en uithangbord naar Rotterdam (bij de Goudse poort) is vertrokken”.
 
Een Hugenoot
In 1723 kocht Leendert Verbroek het huidige Oude Delft 136 voor ƒ 1800 van Madlou’s zoon Jan van Bleiswijk. Leendert heeft niet lang van zijn huis kunnen genieten, want hij stierf al een jaar later. De executeurs verkochten het huis vervolgens aan bakker Pieter Bottereau, vermoedelijk van oorsprong een de vele Hugenoten hier die in de buurt woonden. Ook deze Bottereau heeft er niet lang gewoond, want hij was drie jaar na de aankoop al dood. Zijn weduwe Elisabeth Rousseau verkocht het huis meteen daarna aan Willem van Dalen.
Willem was plateelbakker in ruste, die in 1726 zijn plateelbakkerij de Vergulde Boot aan de Oude Delft ten noorden van de Oude Kerk aan zijn broer Pieter had overgedaan. Hij sleet zijn laatste dagen als kwartiermeester. Hij heeft maar elf jaar kunnen genieten van het huis. In 1737 en 1738 overlijden hij en zijn vrouw Cornelia Balij kort na elkaar en het jaar daarna kocht de eerder genoemde jonkvrouwe Anna Sagius het huis voor het niet onaanzienlijke bedrag van ƒ 4320. Er moet door Van Dalen flink wat zijn opgeknapt aan het huis, want het was sinds 1723 meer dan tweemaal zo duur geworden.
Mevrouw Sagius heeft nogal wat eisen gesteld aan haar buurman Arnoldus Franken. Zo eiste ze in 1745 dat een raam van OD 134 dat uitzag op haar tuin werd dichtgemaakt en dat een uitbouw die over haar “bottelarije” uitstak zou worden afgebroken. Zij was dus degene, die van twee huizen een groot pand maakte. Ze heeft 37 jaar op dit adres gewoond, tot ze zoals gezegd op 88-jarige leeftijd overleed.
   
Familie Landmeter
De executeur testamentair van jonkvrouw Sagius verkocht de tot één huis samengevoegde panden aan Margaretha van der Hage, ook wel Margaretha Verhagen. Zij betaalde voor het dubbele huis minder dan de helft (ƒ 2200) dan Anna voor de twee huizen had betaald (ƒ 5545). Niet uit te sluiten is echter dat Margaretha familie was en dat Sagius en Van der Hage twee varianten van dezelfde achternaam zijn.
Ook Margaretha was 50 jaar toen ze het huis kocht. Ze overleed in 1802 op 76-jarige leeftijd.  Jacob Landmeter werd de nieuwe eigenaar. Landmeter was klerk bij het Hoogheemraadschap Delfland. Er is een mooi ingekleurde gravure, een zogenaamd gedenkstuk bij het huwelijk van Landmeter met Ida van der Kaaij in 1802, waarop zijn kinderen later zijn ingeschreven. Jacob was dus net getrouwd toen hij het huis kocht. In 1862 zou hij op 96-jarige leeftijd overlijden. Hij heeft dus zeer lang van het huis kunnen profiteren, waar hij, voor zover bekend, sinds zijn huwelijk heeft gewoond. Het lag pal tegenover het Huyterhuis, het kantoor van het Hoogheemraadschap, waar Landmeter werkte.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Bij hun huwelijk lieten Jacob Landmeter en Ida van der Kaaij een fraaie gedenkprent maken door J. Bemme. Hun kinderen werden er later bijgeschreven.
(Coll. Erfgoed Delft Gemeentearchief)

 
Twee binnenplaatsen
Uiteindelijk erfde zijn zoon Gerardus Hendrik Landmeter het pand. Hij was eerst burgemeester van de kleine gemeente Zouteveen (nu deel van Schipluiden) en later secretaris-rentmeester van Hoogheemraadschap Delfland. In 1878 verkocht hij het pand. In de advertentie in de Delftsche Courant werd het huis als volgt beschreven:
Een gemakkelijk ingericht dubbel huis en erf, met 2 binnenplaatsen en een tuin daarachter, hebbende een vrije uitgang op het Heilige Geest Kerkhof, bevattende:
Beneden: 2 voorkamers, 2 achterkamers en een tuinkamer, benevens keuken en kelder
Boven: 2 voorkamers, 2 achterkamers, 2 zolders waarvan een met dienstbodekamer.
De kamers zijn alle behangen, de meeste van stookplaatsen voorzien, terwijl het huis overigens vele kasten en andere gemakken bevat.
   
Weer gesplitst
Koper werd de firma Paerels, timmerlieden en aannemers. Zij splitsten het perceel weer in twee delen, maar nu met een voorhuis met een huis erf en tuin aan de Oude Delft en een pothuis daarachter aan het Heilige Geest Kerkhof. Het huis aan de Oude Delft was in die tijd enige tijd verhuurd aan N. Collignon, bode van het begrafenisfonds en bode van de Genees- en Heelkundige Sociëteit “Tot Nut van ’t Algemeen”.
Na de splitsing werd Christiaan Johannes Willem Paerels, behanger en stoffeerder, eigenaar van het huis aan de Oude Delft en ging er zelf wonen. In 1896 vertrok hij naar Den Haag en verkocht het huis aan de koffiehuishouder Franciscus Lubrechts en zijn vrouw Anna Maria Bierhuizen. Deze verhuurden het aan de arts D.P. Batenburg. Batenburg had een  artsenpraktijk en was onder meer gemeenteraadslid en lid van het bestuur van de Werkinrichting, aan de overzijde in het huidige gemeentearchief.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In de jaren 60 had Oude Delft 136 glas in lood vensters. Nu is er een 18e eeuwse roedeverdeling gemaakt.

 
Dubbel herenhuis
In 1905 stond het opnieuw met een advertentie in de Delfsche Courant te koop:
Dubbel Herenhuis, bevattende beneden: 3 kamers, alkoof, grote kelder, keuken met waterleiding, privaat, 2 binnenplaatsjes, bergplaats en tuintje. Boven: groot portaal waarop waterleiding, 2 grote voorkamers, kabinet met privaat en achterkamer en op zolder 3 kamers. De meeste kamers hebben marmeren schoorsteenmantels. Het huis is verhuurd voor 500 gulden per jaar aan de weduwe M. Moerman.
Het huis werd verkocht aan de administrateur Martinus Willem Moeskops, die al een aantal huizen in Delft bezat. Mevrouw Moerman mocht als huurder in het pand blijven.
In 1919 kwam het in bezit van Wilhelmina van Vliet, die het in 1944 verkocht aan de onderwijzeres Geertruida Huisman. Het werd bewoond door Wa. Ja. A. van Vliet
Via haar werd het na enige tientallen jaren eigendom van de firma Huisman en vervolgens van Hendrika Huisman, de weduwe van Simon Jacob Vroom. Ook nu werd het huis weer verhuurd en wel aan mevrouw M.W. Penning-Beers, zoals blijkt uit het adresboek uit 1949.
 

Henk Verbruggen

 
   
nadere informatie over Oude Delft 136  
laatste wijziging 24-01-2010