Oude Delft 134
Verdwenen regentenpaleis  
   
Het huis dat hier nu staat is gebouwd in 1885 naar ontwerp van de bouwkundige J.P. Henneveld, die het ten eigen bate exploiteerde. Het pand is opgetrokken in een eclectisch – classicistische bouwstijl. Het heeft een souterrain, twee bouwlagen en een zolder onder een gebroken zogenoemd ‘mansarde’ dak, dat typerend is voor die periode. De deur en vensters hebben een fraaie gestukadoorde omlijsting. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Gevel uit 1885.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Achter de derde boom rechts OD 134.
(Coll. Prooper)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Fragmentje uit een brief (1573) van Willem van
Oranje aan Cornelis Franchois van Bodeghum.
(© Koninklijk Huisarchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Heilige Geestkerkhof 1970. OD 134 had daar vanaf 1632 een pandje in eigendom. In de 19e eeuw werd het stal.
(Coll. Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In 1672 komt stadhouder Willem III aan de macht.
Gerard Putmans is zijn vertrouweling.
(Schilderij Willem Wissing, Instituut Collectie Nederland).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Gerard Putmans is een van de 250 rijksten van de Gouden Eeuw. Kees Zandvliet van het Rijksmuseum schreef er een boek over.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Waar het klooster Sion stond (Rijswijk) liet
Putmans een buitenplaats bouwen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Van het buiten Sion is een hek overgebleven.

 
Naar het uiterlijk van het huis dat voor 1885 op deze plek heeft gestaan, kunnen we slechts gissen aan de hand van de Kaart Figuratief van circa 1675. Het lijkt te gaan om een patriciërswoning met een stoep, die gezien de koopprijzen die er in de 17e en 18e eeuw voor betaald zijn, behoorlijk imposant moet zijn geweest.
Bij het huis hoorde lange tijd een kleiner pandje op het achtererf dat uitkwam op het Heilige Geest Kerkhof. Ook was er sprake van een gedeelde poort of gang naast dit pandje. Deze poort werd gedeeld met het achter het pand Oude Delft gelegen perceel aan de Hippolytusbuurt. Op den duur is het oude huis aan de Oude Delft vervallen tot een achterstalling van het huis aan de Hippolytusbuurt. Op de (kadastrale) kaart uit 1832 is dat goed te zien. Daar staat aan de Oude Delft een ondiep optrekje ingetekend.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Het patriciërshuis met stoep staat wellicht op de plek van het huidige OD 134. In 1832 is het hele perceel tussen Oude Delft en Hippolytusbuurt van één eigenaar, H.W.van Marle. Het huidige perceel is niet erg diep.
 
Familiesores tijdens de Opstand
Bij de inning van de honderdste penning in 1568/1569 woonde hier Cornelis François van Bodeghem, telg uit een familie rijke Spaansgezinde grootgrondbezitters. Zijn broer Johan was raad en rentmeester van de Domeinen in Holland en van de grafelijke bezittingen in Putten, Strijen en Arkel en voordien ook dijkgraaf en baljuw van Delfland. De familie bezat zelf ook nog al wat onroerend goed in Delft. Bij de ‘overgang naar de Prins’ in 1572 was Johan ineens verdwenen en werden zijn bezittingen door het nieuwe bewind geconfisqueerd. Of dat ook voor Cornelis gold, is even de vraag. Hij blijkt in 1573 gerechtigd als ontvanger om het noodgeld binnen de stad Delft te stempelen.
Het kwam in die roerige tijden vaker voor dat belangrijke families aan beide zijden van het oorlogsfront ijzers in het vuur hielden. Uit de correspondentie van Willem van Oranje blijkt dat hij op 2 juli 1573 een brief heeft geschreven aan Cornelis van Bodeghem, die toen ook schout van Hof van Delft, Vrijenban en Oud Harnasch was, met het verzoek toezicht te houden op de wagens en paarden voor het vervoer van legergoederen. In 1575 werd Cornelis ook door de Staten van Holland aangesteld tot ontvanger, administrateur en beheerder over de genaaste kloostergoederen in Delft en omstreken. Het ging hierbij om toezicht op de ontvangsten van de goederen die behoorden aan het klooster. Hij legde in een register verantwoording af van de inkomsten en uitgaven van de betreffende kloosters en met name uitvoerig van het klooster Sancta Maria in Monte Sion tussen Delft en Rijswijk. Hij oefende deze functie zeer nauwgezet uit tot 1578, waarna hij werd opgevolgd door Maerten Heyndricxzoon.
 
In 1600 woonde Cornelis weduwe Maritgen Cornelisdochter er nog, samen met een huurder, die Turmondt heette, en die raadsheer is. Het huis was echter niet zo groot. Het had slechts drie haardsteden. Toch moet het wel enige status hebben gehad. Na de begrafenis van Maritgen in 1613 verkochten de erven het aan kapitein Johan de With, die gouverneur te Steenberge was. Na een korte episode in bezit van een metselaar met de naam Clement te zijn geweest, blijkt het huis omstreeks 1632 eigendom van Frans van Leeuwen. Hij kocht ook het pandje errachter aan het Heilige Geest Kerkhof erbij. De beide panden bleven sindsdien tot het einde van de 19de eeuw in een hand. Het pand aan het Heilige Geest Kerkhof werd op den duur als stal en koetshuis gebruikt.
 
Familie Putmans
In 1639 werd het huis eigendom van Hans Putmans, een telg uit een Amsterdamse regentenfamilie. Hij trouwde met de Delftse magistratendochter Elijsabeth van Santen. Hans was oud-raad, d.w.z. dat hij in Amsterdam deze functie heeft gehad. In de tijd dat hij eigenaar was of daarvoor toen de metselaar Clement eigenaar was, zal het huis aanzienlijk zijn opgeknapt of waarschijnlijk herbouwd zijn. Hans diende ook in verschillende functies bij de VOC.
 
Vertrouweling Willem III
Zijn zoon Gerard, die het huis in 1676 erfde, er waarschijnlijk is opgegroeid en in 1677 trouwde met Adriana Verburgh, was in de Delftse regententijd een geval apart. Hij was de grote vertrouweling van stadhouder Willem III toen die na het rampjaar 1672 een einde maakte aan het Stadhouderloze Tijdperk en de zittende regenten in Delft van de kussens wipte. Onder de nieuwelingen die vervolgens in het stadsbestuur benoemd werden, was Gerard Putmans de meest getrouwe Prinsgezinde handlanger, die weldra benoemd werd tot schout. In de nieuwe raad die geenszins en bloc Prinsgezind was, was hij een controversieel figuur. Telkens als hij het moeilijk kreeg, deed hij een beroep op de stadhouder. De meest verbeten strijd speelde zich af rond Putmans' eis het anoniem stemmen bij benoemingen af te schaffen. Vanuit zijn positie was dat een begrijpelijke tactiek. Met grove interventie van de Prins wist hij de zaak uiteindelijk te winnen. Het is duidelijk dat het iemand met zo'n protectie niet aan lucratieve ambten ontbrak: behalve schout werd hij onder meer vijf maal burgemeester, bewindhebber bij de VOC en baljuw en dijkgraaf van Delfland en lid van de Staten Generaal.
 
Buitenplaats Sion
Op het voormalige kloosterterrein Sion buiten de stad liet hij in 1679 een fraai buiten bouwen. Hij stierf in 1698 als een zeer vermogend man zoals blijkt uit de vermelding dat hij behoorde tot één van de 250 rijksten van de Gouden Eeuw. Kees Zandvliet, hoofdconservator geschiedenis bij het Rijksmuseum,  noemt hem in het boek dat hij in 2006 over dit groepje uitzonderlijke Nederlanders maakte. Gerard woonde als huurder in het pand Oude Delft 137-139 (zie de beschrijving aldaar). In 1685 verkocht hij zijn ouderlijk huis met nog twee kleine huisjes aan het Heilige Geest Kerkhof voor ƒ 10.000 aan Johan François de Raet, regent van het Oude en Nieuwe Gasthuis en crebbemeester in de buurt. Hij hiel toezicht op de vuilnisbelt voor de deur van  “de Stockbeurs”, het buurhuis, nu OD 136.
 
Venduhuis
In 1710 werd het pand voor ƒ 8400 gekocht door Anna van Delft, de weduwe van Gerard van Berckel, in leven drossaert van de stad Heusden. Toen zij in 1723 overleed, waren de broers Willem en Gerard van Berckel de erfgenamen. Willem was lid van de raad en tussen 1732 en 1747 verschillende malen burgemeester, Gerard was eerste commies van financiën. Zij verhuurden het pand en hebben vermoedelijk weinig aan onderhoud gedaan, want toen zij het huis in 1745 verkochten aan Arnoldus Francken bracht het niet meer op dan ƒ 3800, minder dan de helft van wat hun moeder er in 1710 voor betaald had. Al kan het ook zijn dat de Van Berckels nog iets met Francken te regelen hadden.Francken was een gewezen impostmeester en ging in het pand wonen met zijn vrouw en een meid. Bovendien bezat hij een koets (chais) en een paard, die hij aan de achterkant kon stallen. Volgens de aantekeningen van de dominee dreef hij daar een venduhuis. Maar hij verhuisde al vrij snel naar Den Haag, waarna hij het huis enige tijd in de verhuur deed. In 1765 besloot hij het toch maar te verkopen. Het bracht nu weer ƒ 10.500 op, dus mogelijk heeft hij op zijn beurt het nodige laten opknappen. De beschrijving van het pand luidde bij de verkoop: huis met erf en tuin en een tuinkamer. Bovendien is aanwezig een koetshuis en een stalling voor twee paarden.
 
Predikantenwoning
Het vrij forse bedrag werd destijds neergeteld door de Lutherse predikant Johannes Bersling (Barteling), die getrouwd was met Clara Margaretha van der Graaf (Graaff). Zij hadden een dochter Arendina en een flinke hoeveelheid personeel, waarover we dankzij zijn hervormde collega en diens huisbezoekboekje uitvoerig zijn ingelicht. Zij hadden diverse dienstboden, die nog al eens verhuisden, en ook meerdere elkaar opvolgende huisknechten en koetsiers. Geldzorgen heeft deze predikant dus kennelijk niet gehad. De dominee zelf overleed in 1778, zijn weduwe in 1793.
In 1794 werd het huis inclusief koetshuis, tuinkamer en stalling, te koop gezet en voor het magere prijsje van ƒ 5000 overgedaan aan mr. Jacobus Kok, veertigraad van Delft. In 1803 verkocht deze het huis voor ƒ 10.800 aan Suzanna Dier, de weduwe van Christoffel Johan Hecke. Gezien de beroerde huizenmarkt in die tijd, was dat een behoorlijke prijs. De weduwe woonde er met haar zoon Christoffel gedurende de Franse Tijd. Zij overleed in 1813.Het eigendom wisselde vervolgens snel van eigenaar. Achtereenvolgens zien we de huisjesmelker W.J. van der Polder, J. van England, Anthonie de Man, Carel Juni en de emeritus predikant Carel Johannes van der Schoor. Van der Schoor was eigenaar toen in 1832 de kadasteradministratie van start ging. Wie het destijds bewoonde is onduidelijk.
 
Achterhuis van de Hippolytusbuurt
Inmiddels was het perceel één eigendom geworden met het perceel Hippolytusbuurt 39. Er is dan sprake van een zeer ondiep pand aan de Oude Delft 134, zoals te zien is op de kadasterkaart van 1832. Eigenaar van de gezamenlijke panden aan de Oude Delft, Hippolytusbuurt en Heilige Geest Kerkhof werd nu Hendrik Willem van Marle, de directeur van het Postkantoor. Hij sloot in 1851 contracten af met “de Regering van Delft” voor het plaatsen van brievenbussen. Waarschijnlijk heeft hij dat goed kunnen voorbereiden toen hij lid was van de raad van Delft in de periode 1847-1851. Of het pand in die jaren nog afzonderlijk bewoond werd, is zeer de vraag. Mogelijk was het geheel gedegradeerd tot stalling, opslag en koetshuis van de eigenaren aan de Hippolytusbuurt.De percelen zijn vervolgens korte tijd eigendom geweest van de gepensioneerde kolonel Pieter Looke, woonachtig te Brielle. Daarna werd het gekocht door loodgieter Pieter van Hulst en zijn vrouw Gezina Maria Luneman. Zij is weduwe bij de verkoop van de panden in 1873.
 
   
Loodgieter/industrieel Braat
I
n 1873 kwam het gehele perceel in handen van Frederik Willem Braat, van origine ook loodgieter. Hij werd de grondlegger van de Firma Braat. Dat bedrijf zou uitgroeien tot één van de belangrijkste fabrieken van het nieuwe industriële Delft in de 19e eeuw, die later het predikaat Koninklijke Fabriek F.W. Braat kreeg. Hij vestigde zich in 1844 als loodgieter aan de Oude Langedijk. In 1868 bouwde hij een nieuw bedrijfspand aan de Phoenixstraat achter het Prinsenhof. Als één van de eersten paste hij zink toe, onder meer op platte daken. Vanaf 1856 vervaardigde hij ook sierzinkwerk. Toen hij op de Hippolytusbuurt ging wonen, nam hij ook daar de achterbebouwing aan de Oude Delft voor zijn bedrijf in gebruik. In 1878 liet hij een telefoondraad aanleggen van zijn huis naar de dependance aan de Schoolstraat. Begin jaren´80 begon Braat zijn gezichtsvermogen te verliezen en hij deed zijn bedrijf over aan zijn twee zoons en een compagnon. Zij bouwden een nieuwe fabriek aan de Hooikade. Ook de oude Braat besloot in 1884 te verhuizen. Het bedrijf aan de Phoenixstraat verbouwde hij tot twee herenhuizen en zijn woonhuis aan de Hippolytusbuurt tot een winkel, die hij ging verhuren.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Frederik Willem Braat kreeg het pand in handen in 1873.
(Coll. Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De zoons van F.W. Braat bouwden een fabriek
in de Engelsestraat bij de Hooikade.
(Coll. Erfgoed Delft Gemeentearchief).

 
Nieuwbouw
Het achtererf aan de Oude Delft verkocht hij in 1885 aan architect en aannemer J.P. Henneveld, die vergunning kreeg om de boel af te breken en een geheel nieuw pand te bouwen op deze plek. Henneveld was niet alleen bouwer, maar ook een soort projectontwikkelaar, die zijn nieuwe optrekje voor een aardig prijsje ging verhuren. Zijn eerste huurder werd Kleijn van Willigen, telg uit een gegoede Delftse familie en regent van het Meisjeshuis. Daarna woonde hier dr. P.M. Boldermans, leraar in de Latijnse taal aan het Gymnasium en raadslid en prof. J.Grundel, hoogleraar in de Werktuigbouw aan de Polytechnische School. Boldermans kwam uit een familie die al sinds 1795 geregeld in de gemeenteraad zat. Prof. Grundel was afkomstig uit Surabaija. Hij was na 1905 de ontwerper voor de bekende Delftse firma Reineveld. Architect Henneveld bouwde veel arbeiderswoningen in het Westerkwartier. Ook het bouwplan van de wijk was van zijn hand.
 
Dokterswoning
Henneveld’s weduwe verkocht het huis in 1910 aan banketbakker Carel van de Heide, die ook zelf in het huis woonde. De bakker behoorde met zijn buren op Oude Delft 132, 128 en 126 tot de meest vermogende personen in dit deel van de Oude Delft, zoals blijkt uit het kohier 1917. In 1943 vertrok hij naar Rijswijk en verkocht het huis aan de arts Johan Tans, die er woonde en praktijk hield. Hij was één van de vele artsen op dit rijtje van de Oude Delft. In 1968 vestigde zich hier gerechtsdeurwaarder Reinier van Dam met zijn kantoor. In het huis is het interieur gedeeltelijk bewaard gebleven. Achter de voordeur bestaan nog een marmeren vloer en marmeren lambrizeringen. Een ‘gebeeldhouwde’ trappaal heeft als versiering een griffioen. Op de 1e verdieping zijn er originele paneeldeuren en originele stucplafonds in de kamers.
 
Henk Verbruggen en Kees van der Wiel  
   
nadere informatie over Oude Delft 134  
laatste wijziging 24-01-2010