Oude Delft 130
Marktschippers op ’s Hertogenbosch  
   
Dit relatief kleine huis van twee vensters breed heeft tegenwoordig boven de parterre twee verdiepingen en een dwars schilddak. De gevel in de huidige vorm, met de grote schuiframen en de gepleisterde onderpui dateert vermoedelijk van omstreeks 1900. De houten daklijst is versierd met verdiepte velden in de stijl van Lodewijk XV uit de periode 1750-1770. Wellicht heeft het huis ook in die tijd een grote modernisering ondergaan, waarbij de oorspronkelijke trapgevel en zolderkap dwars op de straat (zoals het kaartbeeld van de Kaart Figuratief van 1675 aangeeft) zijn gesneuveld. Ernaast is een poortje van natuursteen met een gotisch uitziende spitsboog, dat bij OD 132 hoort. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Nummer 130, een smal huis.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Links de poort met gotische boog.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Zilversmid Daniel de Berch was korte tijd eigenaar.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Waar lag het schip van Dirck Storij? Misschien wel hier.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De kroonlijst met verdiepte velden in Louis XV-stijl
(foto www.delft.nl/monumenten)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude ansicht van de Oude Delft. Tussen de
eerste en de tweede boom rechts OD 130.

 
Schipperswoning
Het huis heette in de 17e en 18e eeuw lange tijd “Marktschip op ’s Hertogenbosch”. Die naam dankte het aan de schippersfamilie Storij die het bijna een eeuw heeft bewoond, en die generaties lang beurtvaartdiensten op Den Bosch onderhield. De eerste in die rij was Dirck Willemszoon Storij die in 1653 trouwde met Pietergen Gerritsdochter van der Merwe. Na zijn overlijden in 1678 kwam het huis tijdelijk in handen van Pieter Willemszoon van Schie. Niet duidelijk is of hij ook het schippersberoep uitoefende. In 1696 werd het huis weer eigendom van de volgende generatie Storij, namelijk  Willem Dirckszoon Storij, die ook op Den Bosch voer. Na hem bewoonden zijn zoons Dirk en Cornelis, samen met hun zus Pieternella het pand. Ook Dirk en Cornelis waren schippers op Den Bosch. In 1750 woonden de broers er samen met hun zuster en een meid. Het vak zat duidelijk in de familie, want hun oom Gerrit Dirckzoon Storij was marktschipper op Dordrecht.Uiteindelijk werd het huis in de jaren 1760 verkocht aan een andere schipper, Benjamin Budding. Hij was veerschipper op Rotterdam. Nadat Budding en zijn vrouw waren overleden woonden zijn dochter Maria en haar man Jan van Dijk hier.
 
Schoenmaker en emmermaker
Voor het schipperswoning werd, is het pand eind 16e en begin 17e eeuw een halve eeuw lang bewoond geweest door schoenmaker Abraham Claeszoon. In 1578 betaalde hij hier al de 100e penning. In 1593 trouwde of hertrouwde hij met Erntge Josephdochter uit Amsterdam. Waarschijnlijk was hij allround leerbewerker, want bij de registratie van het haardstedengeld in 1600 staat hij als ‘emmermaker’ te boek, en elders ook als kleermaker, waarschijnlijk van leren broeken en schorten. Bij de verponding (huizenbelasting) van 1620 was hij nog steeds eigenaar. Het lijkt erop dat er toen twee huisjes stonden op dit perceel, die beiden eigendom waren van Abraham Claesz. Mogelijk waren het er twee achter elkaar langs het poortje, later tot één dieper huis samengevoegd.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Ook op de Kaart Figuratief een poortje. Vermoedelijk niet het poortje van nu. Ook in 1832 was de poort goed te zien. Nu nog steeds een poort. De bebouwing op het perceel is veranderd.
 
Caffawerker en een speculerende zilversmid
Jochum Jochumszoon van der Hulst nam beide huisjes over. Hij was caffawerker, een wever van een kunstig versierd fluwelen weefsel van zijde en damast, een beroep dat ook de vader van Jan Vermeer uitoefende toen hij naar Delft kwam. Van der Hulst trouwde in 1629 met Maria Aelbrechtsdochter van der Graaf. Na hem was de zilversmid Daniel Jacobsz. de Berch (1609-1679) nog heel even eigenaar van het pand. Hij was keurmeester en deken van het Gilde van Goud- en Zilversmeden en later ook stadsregent. Het ziet er naar uit dat hij het huis alleen om speculatieve redenen kocht en kort daarna verkocht. Van hem hangt nog een portret in het Prinsenhof en zijn nog enkele zilverwerken met zijn keurmerk bewaard. Zijn werkplaats en winkel had hij aan de zuidzijde van de Markt.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Van De Berch zijn nog werkstukken in het Museum Prinsenhof te vinden,
zoals deze lepel met een griffioen op de steel.(Coll.Prinsenhof)
 
Weduwe Boekhorst
De opvolger van de diverse schippers en hun erfgenamen was Bernhard Boekhorst. Hij kocht in het huis 1806. Hij was getrouwd met Wilhelmina Donselaar. Toen zij in 1813 overleed, hertrouwde hij op 66-jarige leeftijd met de 50-jarige Margarita van Rijt. Deze dame zou nog heel lang plezier hebben van het huis, want zij overleed pas 30 jaar later, in 1843.
Haar erfgenamen verkochten het uiteindelijk aan de buurman van 128, de medicus Johannes Marcus van Stipriaan (zie ook Oude Delft 128), die het in 1861 doorverkocht aan zijn collega Michel Adriaan Rodenburg. Aan wie zij het huis in die jaren verhuurden is onbekend.
In 1867 kocht loodgieter en fabrikant Willem Braat, de grondlegger van de bekende Delftse firma Braat het huis. Zes jaar later zou hij ook het pand Oude Delft 134 kopen en daar zijn bedrijf vestigen. (zie Oude Delft 134) Het is niet bekend wat er in die tijd met het huis gebeurde. Waarschijnlijk is het verhuurd geweest. Via huizenhandelaar Albertus Schaap komt het in 1883 in handen van de godsdienstonderwijzer Johannes Cornelis Sijpesteijn, die er zelf gaat wonen. Hij was onder meer bestuurder van de Christelijke Leesbibliotheek en lid van de kerkelijke kiesvereniging “De waarheid betrachtende in liefde”.
 
Speeltje voor de achterburen
Aan het einde van de 19de eeuw werd in 1892 Cornelia Petronella den Boer, de weduwe van Fopbertus Mijnlieff de eigenaresse. Zij verhuurde het pand rond de eeuwwisseling aan C.J. Zieck, lid van bijstand van de Remonstrants Gereformeerde Kerk. In 1900 was de kleermaker G.J. Cnoops huurder. In 1910 was het huis verhuurd aan de weduwe Guillonard. Cornelia bezat vele huizen aan de Oude Delft, waaronder het naastliggende Oude Delft 132. Na haar overlijden werd het huis in 1912 voor 5500 gulden verkocht aan Catherina Franken, de weduwe van Johannes Remmers. Zij bezat al het huis Hippolytusbuurt 25 vlak achter het pand Oude Delft 130.
De beschrijving van het huis Oude Delft 130 luidt bij deze verkoop:
Woonhuis met tuin, naast poort. Beneden: gang met kasten, voorkamer met slaapkamer en privaat, keuken, kelder, achterkamer met serre, trap met privaat en kasten, tuin.
Eerste verdieping: portaal met kasten, voorkamer met alkoof met privaat, daarachter slaapkamer en voorts nog achterkamer met alkoof.
Tweede verdieping: voorkamer met 3 andere kamers
Het pand was toen verhuurd voor 396 gulden per jaar. Zij kocht het huis kennelijk om uitbreiding van haar pand aan de Hippolytusbuurt mogelijk te maken, want een deel van het erf van Oude Delft 130 wordt samengevoegd met het perceel aan de Hippolytusbuurt. Ze worden daarom in 1914 vernummerd. Het huis werd aanvankelijk weer verhuurd o.a. in 1917 aan J.B.J. Vlek en in 1920 aan F.A.J. Gussenhoven. Michael Remmers werd de nieuwe eigenaar en hij werd ook de bewoner en na hem zijn weduwe Johanna Bernardina Verburg. In 1922 werd het huis opgeknapt en in 1942 verkocht aan de aardewerkhandelaar Willebrordus Josephus Bender, die meer panden bezat in dit deel van de Oude Delft. Het huis werd verhuurd en in 1949 bewoond door D. Thijsse, zonder beroep en de werkman J.W. Thijsse.
 
Henk Verbruggen
 
nadere informatie over Oude Delft 130
laatste wijziging 20-02-2010