Oude Delft 128
De Vergulde Haringh, huis van visverkopers  
   
Het huis in zijn huidige vorm is samengesteld uit twee woningen van ongelijke diepte met een gang, vroeger steeg, daartussen. Op de Kaart Figuratief uit het einde van de 17e eeuw staat het afgebeeld als een pand met een halsgevel en een aangebouwde zijvleugel dwars, een smal poortje en een kleiner zuidelijk gelegen pand. De oorspronkelijke panden zijn nu verborgen achter een lijstgevel die vermoedelijk dateert van halverwege de 18e eeuw, toen de huizen samengevoegd werden. Het pand is in de huidige vorm vijf vensters breed en heeft een schilddak aan de voorzijde evenwijdig aan de gracht. Het is een breed huis met twee voordeuren naast elkaar, die toegang geven tot twee verschillende woningen, een boven- en een benedenwoning. Die voordeuren kwamen er eind negentiede eeuw.

Oude Delft 128, kast van een huis.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De huisnaam Den gulden harighen herinnert aan de viskopers die hier woonden.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Hoe zagen rivierviskopers er uit? Jacob Cuyp portretteerde er een in 1627 (collectie Dordts Museum)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Monumentzorg fotografeerde deze fraaie stoeppaal.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Constantijn Netscher portretteerde Maria van Vredenburg, die op Oude Delft 128 heeft gewoond.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Begin 19e eeuw werd Abraham van Stipriaan eigenaar van het pand. (foto RKD)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Zoon Johannes Marius erfde het huis.
(foto RKD)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Abraham van Stipriaan hielp mee om in OD 95 de Artillerie- en Genieschool 9later KMA) te stichten. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Directeur J. H. Voet mocht op Oude Delft 128 wonen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Delft leeft van de cadetten. De kazerne zat in het oude Prinsenhof. (Collectie Erfgoed Delft Gemeentearchief).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Aantekeningen over gevonden bewoners.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Voorbije tijd. Jaren ’40, met OD 128 rechts.
(Erfgoed Delft).

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Jaren ’60. Oude Delft 128 rechts.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Van uit de lucht. Het grote pand rechtsonder is OD 128.

 
Vishandel
In 1600 was viscoper Jacob Arendszoon (Ariensz) van Hemert eigenaar van het noordelijkste van de twee panden, genaamd De Vergulde Haringh. Dit huis had toen de beperkte afmeting van vier haardsteden. Na Van Hemert werd Gerrit van der Burch de eigenaar. Hij was procureur voor ‘den Hove van Hollant’ en het is dus zeer de vraag of hij in het huis gewoond heeft. Niet chique genoeg. Wellicht is hij door financiële zorgen van Van Hemert aan het huis gekomen. Na hem waren in de jaren 1620-1632 opnieuw de vishandelaren Louris en Leendert Pietersz eigenaren van de viszaak. Hoewel het pand genoemd was naar een haring stonden de gebroeders Pieters te boek als ‘rivierviskopers’. De Delftse riviervismarkt was om de hoek in de Nieuwstraat. Leendert stierf al in 1624, zijn broer Louris pas in 1642 op 82-jarige leeftijd.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
OD 128 zou rond het linkerpoortje zijn gebouwd. De riviervismarkt was om de hoek, bij de kapel van het Meiskens Huys. (detail Kaart Figuratief) Een diep perceel in 1832. Nu is er minder grond dan vroeger.
 
Schipper opten Bosch
De volgende eigenaar werd Willem Dirckszoon Storij, ‘Schipper opten Bosch’. De schippersfamilie Storij kocht op zeker moment ook het buurpand Oude Delft 130, maar men mag aannemen dat Storij op OD 128 met zijn bedrijf begonnen is. Bij de opmeting voor het kadegeld in 1667 had dit huis een gevelbreedte van twee roeden en twee voet, ofwel ongeveer 8,5 meter.
In 1683 verkocht de schipper het aan dr. Pieter van Schie, die vijf jaar eerder al Oude Delft 130 van de Storij’s had gekocht. Hij betaalde voor de Gulden Haring ƒ1720. Gezien het feit dat de familie Storij dertien jaar later van Van Schie het buurhuis Oude Delft 130 terugkocht, is het niet uitgesloten dat zij op OD 128 als huurders zijn blijven wonen. Wellicht moesten zij hun huis uit geldzorgen verkopen en konden ze later, toen zij weer beter bij kas zaten, het buurpand overnemen.
Een beetje ingewikkeld is het wel.
Van Schie bezat aan het eind van de zeventiende eeuw hier drie panden op een rij; het huidige Oude Delft 130, ‘de Gulden Haring’ op nummer 128, en sinds 1679 het huis dat in Oude Delft 128 zou opgaan.
De familie Storij is uiteindelijk generaties lang eigenaar van nummer130 gebleven, het huis dat ‘Marktschip op ’s Hertogenbosch’ heette.
Nummer 128 bleef bij de Van Schie’s. In 1703 werd de Gulden Haring vererfd aan Van Schie’s dochter Johanna, die het sinds 1706 met haar echtgenoot Pieter van der Berg bewoonde.
 
Andere huis
Het andere deel van het huidige Oude Delft 128 was ten tijde van het kadegeld uit 1667 eigendom van capteyn Engelbregt Segvelt. Het had toen een gevelbreedte van één roede en vier voet, ofwel ongeveer 5,5 meter. De twee panden van Storij en Segvelt leveren samen precies de breedte op waarvoor een eeuw later het gezamenlijk pand zou worden aangeslagen voor het zogenoemde straatgeld.
In dit huis woonde in 1627 kruidenier Abraham van der Burch, die in dat jaar trouwde met Jannetje Jansdr van Loon uit de Choorstraat. Met zijn zaken ging het niet goed, want hij was uiteindelijk gedwongen zijn huis te verkopen wegens een faillissement. De koopster was ook een Jannetje Jans, maar die was de weduwe van Jochem van der Hulst, mogelijk een van zijn schuldeisers.
Het huis werd vervolgens in 1659 verkocht aan Pieter van der Houff en na hem aan de bovengenoemde Segvelt, die er volgens het familiegeld van 1674 waarschijnlijk ook heeft gewoond. Ook die kwam met dit huis in de problemen. Hij had een hypotheekschuld van ƒ 6000, die hij niet meer kon voldoen. Hij was gedwongen om het in 1679 te verkopen aan de eerder genoemde huizenverzamelaar Pieter van Schie.
Na de dood van Van Schie werd het in 1703 door zijn erfgenamen verkocht aan ene Nicolaes Keijser. Hij betaalde er een flink bedrag voor, namelijk ƒ 7150, waarvan hij het grootste deel, ƒ 4750, in de vorm van een schuldbrief voldeed. Het pand zal een goede status hebben gehad, gezien de opbrengst.
In 1711 verkocht hij het huis aan Jacobus Du Piere of Dupire, een ‘bedienaar van Gods Woord’. Het bracht nu ƒ 6050 op, waarbij ook de dominee een schuldbrief moest tekenen voor ƒ 4000. De predikant werd echter drie jaar later al beroepen in Den Haag en verkocht het in 1714 voor ƒ 8000 aan de wijnkoper Willem Mouchon.
 
Regentenpaleis
Wijnkoper Mouchon overleed in 1723 en zijn vrouw Catharina Kocx in 1730. Hun zoon Adriaen Mouchon (1701-1772) erfde het pand. Adriaen, die aan het begin van een glansrijke regentencarrière stond, had er grote plannen mee. In 1739 kocht hij van de erfgenamen van Pieter van der Berg en Johanna van Schie ook De Gulden Haring, voor ƒ 3600, en voegde dat bij het andere huis. Vijftien jaar later is het geheel ƒ 9200 waard.
Of Adriaen Mouchon het huis verbouwd heeft om er zelf te gaan wonen, in overigens onduidelijk, want in 1749 verhuurde hij het aan zijn toenmalige schoonmoeder Maria van Vredenburg (1682-1770), de weduwe van Philips van der Goes (1682-1747). Zij woonde in het huis met een dochter en drie dienstboden. Van schoonmoeder Maria en haar man Philips bestaan portretten, van de hand van de schilder Netscher.
Mouchon zelf was inmiddels burgemeester geworden en woonde hij in een nog groter huis aan de oostzijde van de Voorstraat. Hij was ook één van de bestuurders van de Fundatie van Renswoude. Freule van Renswoude was daarvan de oprichtster. (Zie ook Oude Delft 47).
In 1754 deed Mouchon het huis over aan zijn dochter Theodora Catharina Mouchon, toen zij trouwde met de stadssecretaris Adriaen Vockestaert. Het was een leuke huwelijksgift, maar niet om er te gaan wonen, want al een jaar later maakten zij het huis voor liefst ƒ 9200 te gelde, door het te verkopen aan de dames Maria en Sophia de Gaaij. Zelf woonden zij aan de andere kant van de Oude Delft, op de hoek van de Kloksteeg.
 
Rustend dominee
Sophia de Gaaij was de weduwe van Jacobus Lambregts. Zij overleed al in 1756, waarna het huis te groot en te duur werd voor haar zuster Maria. Die verkocht het voor ƒ 8000 aan de dominee Heijman van Vianen, rustend predikant van De Lier. Maria was niet erg zakelijk, of wilde wel er erg graag vanaf, gezien de prijsdaling van ƒ 1200 in twee jaar tijd.
De rustende alleenstaande dominee heeft nog lang in het huis gewoond, want hij stierf pas in 1781. Zijn erfgenamen verkochten het toen aan Pieter van den Ende, die ook in het pand ging wonen. Van den Ende kreeg in 1794 toestemming een lantaarn voor zijn huis te plaatsen. Pieter stierf in 1794 en zijn weduwe Wilhelmina Brouwer in 1804.
Daarop ging het huis weer in de verkoop. Koper werd mr. Diederik Leendert van Blommestein. De koopprijs bedroeg toen nog maar ƒ 5000, maar dat lag aan de moeilijke tijden. Diederik was een telg uit een belangrijke Delftse patriciërsfamilie die gedurende bijna de gehele 19de eeuw met leden in de Delftse raad vertegenwoordigd was. Hij was getrouwd met Diana Cornelia, een dochter van de instrumentenfabrikant Canzius Onderdewijngaart.
 
Van Stipriaan Luiscius
In het begin van de 19de eeuw werd het huis gekocht door de invloedrijke arts en raadslid Abraham Stipriaan Luiscius, die zelf in het huidige Oude Delft 93 woonde. Wat de reden van de aankoop was, is onduidelijk. Wellicht kocht hij het huis voor zijn zoon Johannes Marius die in 1816 in Leiden als arts afstudeerde en de praktijk van zijn vader zou overnemen. Maar om een of andere reden veranderden de plannen van Abraham en hij verkocht het huis door aan onroerend goed speculant Pieter van Zonsbeek. Deze Van Zonsbeek bezat bij de inwerkingtreding van het kadaster maar liefst 83 panden in Delft.
 
Generaalswoning
Vermoedelijk rook Van Zonsbeek mogelijkheden, want Delft was na de Napoleontische oorlogen in 1814 uitverkoren als vestigingsplaats voor een nieuwe Artillerie- en Genieschool, die het nieuwe Nederlandse leger aan officieren moest helpen. Het was een voorganger van de latere Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda.
De school werd gevestigd in het gebouw van de voormalige Fundatie van Renswoude, dat sinds 1802 op het adres Oude Delft 95 zat.
De nieuwe directeur van de school, Generaal-Majoor Johan Hendrik Voet, moest natuurlijk ook een passende woning hebben, en dat werd Oude Delft 128. Curieus is dat de vorige eigenaar van het pand, Abraham van Stipriaan Luiscius, als regent van het Fundatiehuis en buurman op Oude Delft 93 nauw bij de plannen van de nieuwe militaire opleiding betrokken was.
De cadetten van de school werden ondergebracht bij de bewoners van Delft, die voor deze inwonende studenten, afkomstig uit de hoogste kringen, bedragen van ƒ400 tot ƒ1200 per jaar vroegen. Toen de opleiding in 1828 werd overgeplaatst naar de nieuwe KMA in Breda, was de stad dan ook in rep en roer. Een jaar eerder was er nog sprake van dat de officiersopleiding in Delft zou komen als uitbreiding van de bestaande Artillerie- en Genieschool. Op last van ZKH Willem I kregen een aantal burgers van Delft, onder wie Abraham van Stipriaan Luiscius, een aanzegging hun huizen naast de toenmalige kweekschool te verkopen in belang van het Rijk. Van Stipriaan kreeg ƒ 8000 gulden voor Oude Delft 93.
Al met al ging het plan niet door en werden de panden eerst gebruikt als militair hospitaal. In 1842 werden een aantal afgebroken voor de bouw van de toen nieuwe Koninklijke Academie. Toen Van Stipriaan in 1828 werd uitgekocht, kocht hij van de vergoeding het inmiddels opgeknapte Oude Delft 128 weer terug. Mogelijk wilde hij er toen zelf gaan wonen, maar hij stierf een jaar later nog in zijn woning op Oude Delft 93.
 
Arts, net als zijn vader
In 1829 erfde Van Stipriaan’s zoon Johannes Marius het huis en het achterliggende perceel Hippolytusbuurt 21/23 dat destijds uit een stal en erf en koetshuis bestond. Abraham had dit pand aan de Hippolytusbuurt gekocht van Silentium, het Vrijmetselaarsgenootschap, dat dit pand weer had overgenomen van Zonsbeek. Johannes Marius woonde destijds op de Oude Delft 112 naast het Meisjeshuis op de hoek van de Boterbrug. Dat huis is inmiddels al lang geleden afgebroken. Hij was aanvankelijk getrouwd met zijn achternicht Jacoba Lucretia van Stipriaan, die echter op 31-jarige leeftijd overleed aan een ‘folterend loodkoliek’. Daarna hertrouwde hij met de domineesdochter Henrietta Diderica van Genderen. Als arts was Johannes Marius een waardig opvolger van zijn vader. Kort na het behalen van zijn artsexamen werd hij in 1816 benoemd tot lector in de heel- en ontleedkunde. In die functie gaf hij les aan de plaatselijke chirurgijns, die onder zijn toezicht stonden. In 1817 richtte hij het leesgezelschap ‘Hippocrati Sacrum’ op, dat hem in 1867 huldigde voor zijn 50-jarig voorzitterschap. Johannes Marius was verder onder meer geneesheer-directeur van het Sint Joris Gasthuis en de eerste voorzitter van de plaatselijke afdeling van de Maatschappij voor Geneeskunde. Ook nam hij de gemeenteraadszetel van zijn overleden vader over.
 
Geneeskrachtige Stipriaantjes
De bekendheid van de Delftse doktersfamilie Van Stipriaan Luscius was zo groot, dat de bakkerij de Diamanten Ring in de Choorstraat speciale geneeskrachtige koekjes verkocht die naar hen vernoemd waren, de zogenoemde ‘Stipriaantjes’.
Johannes Marius van Stipriaan heeft blijkens het bevolkingsregister tussen 1840 en 1850 ook in het huis Oude Delft 128 gewoond. Zijn zoon Abraham (1816-1844) vestigde zich in 1842 eveneens als arts in Delft. Hij woonde toen in het pand Hipotytusbuurt 21/23, nadat daar waarschijnlijk een verbouwing had plaats gevonden. Hij stierf echter al twee jaar later. Johannes Marius zou in 1875 op 84-jarige leeftijd in Den Haag als weduwnaar overlijden.
 
Predikant en HBS-leraar
OD 128 was ondertussen in 1852 verkocht aan predikant Willem Stroes Jansen. Deze woonde er tot zijn overlijden in 1864. Daarna kwam het huis in handen van Pierre Merkus, de burgemeester van de naburige gemeente Vrijenban. Kennelijk vond hij het meer cachet geven om vanuit het centrum van Delft zijn gemeente te bestieren. Hij trouwde met de 26-jarige Anna Maria Borgerhoff van de Berg uit Den Haag. Zij werden ook eigenaar van de stal en het erf aan de Hippolytusbuurt, dat zij lieten verbouwen tot bovenwoning en koetshuis. Daarna werd het perceel aan de Hippolytusbuurt afgesplitst en apart verkocht.
Volgende eigenaar was de timmerman-aannemer Gerrit Bruigom, die het huis na wat verbouwingen doorverkocht aan dr. Thomas Knottenbelt, leraar aan de Hogere Burger School. In 1880 werd het eigendom van sigarenfabrikant Martinus Hioolen. Hij was lid van de Kamer van Koophandel en Secretaris van de Politieke Kiesvereniging “Nederland”. Hij woonde er kortstondig en was in 1886 al weer vertrokken. Zijn zoon zou later in het naastgelegen pand Oude Delft 126 wonen. Beiden waren actief bij de Delftse Sigarenfabriek A. Hillen.
 
Splitsing
Dan komt ijzerhandelaar Mattheus van de Seijp als eigenaar. Hij kreeg vergunning het huis te splitsen in een boven- en een benedenwoning. Hij mocht daarbij ook een nieuw kozijn en deur plaatsen voor de bovenwoning. Het bovenhuis werd verhuurd aan onder andere een drietal onderwijzeressen en vervolgens aan de modisten de dames Simonis. Het benedenhuis aan de geneesheer C.J. Marcus en vervolgens aan de Heer Wielinga. De weduwe Van der Seijp, Helena Catharina Maessen verkocht het in 1909 aan de arts dr. Willem van Krimpen, die er opnieuw een dokterpraktijk begon. In 1910 woonden op de bovenverdieping nog de boekbinder W.T.G. Blok en A.E.K.W. Kroemer, directeur van een Bierbrouwerij. Er vinden daarvoor nog enige wijzigingen plaats in het oppervlak van het perceel en in de bebouwing, uitvoerig beschreven in de koopakte.
 
Ruime marmeren gang
Bij de verkoop werd het huis omschreven als:
Een dubbel herenhuis, thans met afzonderlijke bovenwoning en tuin.
Benedenhuis 128: ruime marmeren gang, links daarvan ruime voorkamer en dito achterkamer en suite, binnenplaats, keuken met bijkeuken en waterdichte kelder en tuinkamer. Rechts van de gang: grote slaapkamer, binnenplaats en 2 kleine slaapkamers en daarachter tuin. Een dienstbodekamer op de zolder.
Bovenhuis 128a: beneden marmeren gang, rechts daarvan ruime voorkamer, waterdichte kelder, open trap naar boven
Eerste verdieping: portaal en gang, voorkamer met slaapkamer daarachter, een kleine voorkamer boven de gang, grote voorkamer daar nevens met 2 slaapkamers daarachter, provisiekamer, keuken, grote achterkamer en 2 slaapkamers.
Tweede verdieping: voorzolder opgetrokken en achterzolder met 2 slaapkamers.
In verschillende kamers zijn marmeren schoorsteenmantels en vele kasten, verder voorzien van gas- en waterleiding, 2 doorlopende privaten en verdere gerieven.
128 verhuurd aan de Heer Wielinga voor 400 gulden per jaar en 128a verhuurd aan de dames Simonis voor 425 gulden per jaar.
 
Bange bank
Zowel de bovenwoning als de benedenwoning kwam in het bezit van Van Krimpen. Na zijn dood bleef het huis eigendom van de familie Van Krimpen. De bovenwoning, 2/3 van het pand, werd bewoond door de zoon die ook Willem van Krimpen heette. De parterre werd verhuurd aan de huisarts W. Visscher, de Showroom van Fa. Meyer en de Heer G.T.J. Heijning, Ing 1ste klas gemeentebedrijf.
In 1962 besloot Van Krimpen het geheel te verkopen aan de firma Mees en Zonen, die bang was dat dit pand in handen zou komen van een andere bankinstelling. Hun kantoor lag namelijk recht tegenover dit pand. In feite werd overigens formeel de N.V. Maatschappij tot Aankoop, Verkoop en Verhuur van Huizen de eigenaar. Die Maatschappij splitste in 1965 het pand officieel in twee appartementen Oude Delft 128 en 128a. De appartementen werden verhuurd. Oude Delft 128 werd echter later in 1970 verkocht aan ir. Johannes Boesveld en Oude Delft 128a aan de arts N.H. Boxel.
 
Henk Verbruggen, met dank aan Kees van der Wiel
 
nadere informatie over Oude Delft 128
laatste wijziging 18-09-2012