Oude Delft 126
Paleis voor leerlooier en Ortskommandant  
   
Het huidige pand Oude Delft 126 is in 1883 gebouwd door de leerfabrikant W.O.A. Lans. Het meest opvallende aan de gevel is de entreepartij, met boven de voordeur een balkon met natuurstenen balustrades. Het is één van de weinige grachtenhuizen in Delft met een balkon. Het balkon heeft een puur decoratieve functie. Het huis heeft een flinke kelder en een opmerkelijk lage tweede verdieping. De kroonlijst bovenaan de gevel is rijk bewerkt met kleine consoles. In de grote tuin van het huis staan een aantal oude historische bomen.
Naar het uiterlijk van het huis dat hier voor 1883 heeft gestaan en dat voor het huidige is afgebroken, kunnen we slechts gissen.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude Delft 126, opmerkelijk pand.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In 1938 stonden hier kleine bomen
(coll. Erfgoed Delft gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Een balkon aan de gracht is zeldzaam.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

17e eeuw, eerste helft. Verhuurd aan Boudewijn de man, de belastingontvanger over wie werd geklaagd.

1685. Henri d’Aquet wordt de eigenaar. Hij is afgebeeld op een Anatomische Les door Cornelis de Man
(coll. Prinsenhof Museum) Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In 1799 trouwde ds. Hugenholtz met de eigenaresse, Catharina Docher.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In 1864 werd het pand voor de verkoop aangeprezen
in een advertentie.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Twee sigarendoosjes van Hillen met de merken
Rood Anker en Delftsche-Post.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In 1930 kwam prof. Mekel hier wonen. Verzetsman in de oorlog 40-45. In 1942 geëxecuteerd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Ortskommandant Gückel in het midden. Zijn Ortskommandatur betrok het pand nadat Mekel was gefusilleerd. (particuliere collectie)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Dreigende taal van de plv.Ortskommandant.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Bevrijdingsfeest op de Oude Delft, bij het huis waar Mekel woonde. (Erfgoed Delft, archief)

 
Cornelis van Soutenlande
Het huis dat hier voor 1883 stond was ook behoorlijk van omvang. In 1600 telde het acht stookplaatsen. In de tweede helft van de zestiende eeuw woonde hier Cornelis van Zoutelande of Soutelande, die hier in 1561 de tiende penning betaalde. Hij behoorde volgens een belastingaanslag uit 1568 tot de rijkere Delftenaren en was in de jaren 1573-1574 en 1587-1589 ook schepen van Delft. Hij kocht het terrein en de gebouwen van het opgeheven klooster Sion (vijf morgen groot) toen Willem van Oranje en de Staten van Holland besloten het van de hand te doen. Dat gebeurde in 1581. Met de opbrengst kon men de verdere oorlog tegen de Spanjaarden financieren. Latere eigenaren zouden er in de 17e eeuw een statig landgoed van maken.Na de dood van Cornelis van Soutenlande in 1597 treffen we hier in 1600 Jonker Abraham van Goorle, mogelijk een hoge militair. Hij huurde het huis van de brouwer en stadsregent Nicolaes Adriaenszoon van Adrichem. Vervolgens werden Maerten van der Brugge en Nicolaes Couckebakcker eigenaar. De laatste heette niet alleen zo, maar was ook bakker en tevens regent. Hij overleed in 1671.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Op dit rijtje stonden de voorgangers van OD 126 In 1832 liep het perceel door tot de Hippolytusbuurt Tegenwoordig nog steeds een groot perceel maar niet meer zo diep
 
Levensgenieter en kunstliefhebber
In de eerste helft van de 17de eeuw werd het huis verhuurd aan de ontvanger van de gemene middelen Boudewijn de Man. Hij was een gezien figuur in de hoogste Delftse kringen. De kluchtschrijver Gerrit van Santen droeg in 1626 zijn bundel “Tijdverdrijfjes” aan hem op. Dit had hij “over acht, ofte thien jare (op eene Sonaechs avonts t’uwen huijsen vrolijck zijnde)” nu eenmaal beloofd. Boudewijn was een levensgenieter en een grote liefhebber van kunst en cultuur. Ook was hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie en kapitein van het Witte Schuttersvendel. Over zijn praktijken als belastingontvanger werd veel en luid geklaagd bij de Raad van State, maar zonder dat iemand er iets tegen kon doen.
Als kunstkenner legde hij een belangrijke kunstverzameling aan. Alleen al zijn schilderijen brachten na zijn dood in 1644 een bedrag van 6139 gulden op. Daaronder was een landschap van Rembrandt, dat voor 160 gulden werd verkocht.
Naast beeldende kunst genoot letterkunde zijn belangstelling. De humanist Petrus Scriverius schreef een bijschrift bij een gravure uit het bezit van Boudewijn, waarin “Mannius” naar de eigenaar en “Delfi” naar diens woonplaats verwijst.De Delftse schilder Michiel van Mierevelt heeft in 1638 een portret van Boudewijn gemaakt, dat tegenwoordig hangt in de Staatsgalerie Stuttgard. Zijn dochter “jonkvrouwe” Bartha de Man Boudewijnsdochter was in 1627 getrouwd met Carel de Vooght. Zij woonden op Oude Delft 132.
 
Rijke dames met veel personeel
In 1662 kocht Maerten Meerman het huis. Hij was ook een voornaam regent en bewindvoerder van de Oost Indische Compagnie die het huis weer zelf ging bewonen. Hij was getrouwd met Helena Verburgh.
Na zijn dood verkochten zijn erfgenamen het huis in 1685 voor 7750 gulden aan Hendrik d’Acquet. Ook d’Acquet was een bekend regent en arts. Hij staat onder meer afgebeeld staat op de anatomische les van collega Cornelis ’s Gravensande. Cornelis de Man schilderde dit gezelschap in 1681. Of deze d’Acquet hier zelf ooit gewoond heeft, is zeer de vraag, want voor zover bekend woonde hij het grootste deel van zijn leven in het huis genaamd “de Papagaai” op de plek van het huidige Oude Delft 15. Hij had daar één van de uitgebreidste kunstverzamelingen in Delft die uitvoerig beschreven staat in het boek “Schatten in Delft, Burgers verzamelen 1600-1750”.Na het overlijden van d’Acquets weduwe in 1732 werd mr. François Boogart de nieuwe eigenaar. François was schepen en advocaat en woonde hier in 1749 met zijn vrouw, Margaretha de Bries. Zij hadden toen zeven kinderen en drie dienstboden. Na zijn dood heeft de weduwe er nog geruime tijd met vier dochters gewoond. De dames hadden later niet alleen diverse dienstboden, maar ook een dienstknecht, waarvan zij er overigens in korte tijd nog al wat versleten, zo blijkt uit het aantekenboekje van de dominee. De oude mevrouw Boogert overleed in 1777.
 
Franse School voor jonge dames
Daarna verkochten haar kinderen het huis aan Catharina Docher voor de somma van 1500 gulden en een schuldbrief van 5000 gulden. Ook deze dame had een ruime hoeveelheid personeel en was lidmate van de Waalse Kerk. Mogelijk dreef zij in dit pand een Franse school. Dat was in die dagen een deftig opleidingsinstituut voor dochters uit gegoede kringen. Ook het naastgelegen pand, nu Oude Delft 124, kocht zij er later bij. In 1799 trouwde zij op latere leeftijd als ‘jonge dochter’ met de oudere dominee Petrus Hermanus Hugenholtz, die inmiddels al enkele malen weduwnaar was. Toen hij in 1811 overleed woonden zij nog in dit pand.
De Franse School werd later voortgezet door Martina de Rouville, al is het tussendoor nog even eigendom geweest van een aantal speculanten in onroerend goed. Daarbij werd de tuin ook nog tijdelijk vergroot met de grond van een afgebroken huis aan de Hippolytusbuurt daarachter. De schoolhoudster vererfde het huis aan ene Jean de Rouville in Brielle, die het huis verhuurde aan de arts dr. P.J.A.H. Vermeulen. De laatste was onder meer een van de stadsgeneesheren en arts van de Bezemmakersbus. Hij had een grote armenpraktijk, waar hij het tijdens de groet cholera-epidemie van 1866 zeer druk mee had.
 
Huis met gemakken en mangelkamers
In 1864 kwam het huis weer in de verkoop, waarbij in de Delftsche Courant de volgende advertentie verscheen:
Een hecht, sterk, zeer ruim en welgelegen huis en erve, met een grooten fraaien en welaangelegden tuin daarachter. Welk huis bevat beneden: groote en kleine zijkamer, tuinkamer, allen behangen en van stookplaatsen voorzien, provisie- en mangelkamers, 2 keukens met pompen voor wel- en regenwater, binnenplaats en 2 kelders, waarvan de eene bijzonder groot en met eenen afzonderlijke ingang aan de straat verhuurd wordt. Overigens vele kasten en verdere gemakken, en boven: 6 kamers waarvan 5 behangen, de meesten van stookplaatsen voorzien, een met alcove, grote droog- en turfzolders, dienstbodekamers en vele meerdere gemakken.
Verhuurd aan de Heer Dr. P.J.A.H. Vermeulen voor 500 gulden per jaar. Terwijl de afzonderlijke kelder is verhuurd aan de heer Th. Van Leeuwen voor 40 gulden per jaar.
Koper werd uiteindelijk dr. T.C. Le Comte, leraar aan de nieuw opgerichte HBS. Hij betaalde twee jaar later 9200 voor het pand en heeft er gewoond tot 1875.
De volgende eigenaar werd Willem Adrianus Paerels, van oorsprong behanger en inmiddels koopman en belegger in onroerend goed. Deze woonde er van 1875 tot 1880, waarna hij een winkel voor woninginrichting opende aan de Hippolytusbuurt. Het huis aan de Oude Delft verhuurde hij daarna aan de firma A. Beijen en Co, commissionair in effecten en agent van een verzekeringsmaatschappij. Drie jaar later werd het gekocht door leerlooier Willem Otto Arie Lans, die het liet slopen en opdracht gaf voor de bouw van het huidige huis.
 
Nieuw huis voor het nieuwe geld
Willem Lans had met zijn leerhandel een aardig fortuin vergaard en stortte zich daarnaast in de plaatselijke politiek. Hij werd wethouder van openbare werken. Lans heeft in het huis gewoond tot 1916. Hij was ook een enthousiaste schutter, bestuurslid van de Schuttersraad en president van de schietvereniging “Mars”. Daarnaast was hij ook bestuurslid van de Delftsche IJsclub. Na zijn overlijden woonde zijn dochter nog enige tijd in het huis.
In 1922 werd het huis aangekocht door sigarenfabrikant Cornelis N.J. Hioolen. Ook hij was een succesvolle zakenman. Hij vierde toen net zijn 25-jarig jubileum als directeur van de sigarenfabriek A. Hillen. Met ruim 200 werknemers was dat in die tijd een van de grootste sigarenfabrieken van Nederland aan de Crommelinlaan langs de spoorweg richting Rotterdam. Aan het bedrijf was ook een hele keten van sigarenwinkels door heel Nederland verbonden. Bekende merknamen waaronder zij sigaren verkochten waren Rood Anker en Delftsche Post. Het bedrijf had al een oude geschiedenis die begon met Gerrit Hillen in 1770 op de Oude Delft, nu nummer 80. Daarachter verscheen in de 19e eeuw in de Peperstraat een grote fabriek. Hioolen, die het bedrijf overnam van zijn vader, heeft de zaak groots uitgebreid met de bouw van de nieuwe fabriek aan de Crommelinlaan en de omzetting in een NV. In 1929 trok hij zich wegens onenigheid over de te volgen koers uit de leiding van het bedrijf terug. In 1937 ging de fabriek tenslotte aan de gevolgen van de crisis failliet.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Doordat Cornelis Hioolen het pand kocht, ontstond een relatie met de tabaksfabriek Hillen. Dit is een aandeel. De firma Hillen had een sjiek briefhoofd. Een showdoos van de firma Hillen ter waarde van ƒ 25.
 
Literaire kring en verzetsgroep
In 1930 werd hoogleraar mijnbouwkunde Jan Mekel de nieuwe bewoner en eigenaar. Hij had naast zijn werk ook een grote culturele belangstelling voor muziek, literatuur, geschiedenis en theologie. Hij verzamelde in zijn huis een brede kring van vrienden om zich heen die daar regelmatig bij elkaar kwamen, waartoe onder anderen de schrijvers Anton van Duinkerken en Dirk Coster behoorden.
Kort na het begin van de Duitse bezetting in 1940 richtte Mekel een verzetsgroep op, die gegevens verzamelde door spionage. Deze gegevens werden doorgespeeld aan de Engelsen. De groep had ook contact met een andere Delftse verzetsgroep onder leiding van prof. Schoemaker. Na verraad binnen zijn groep werd hij 4 juli 1941 opgepakt en met 71 anderen ter dood veroordeeld. Op 2 mei 1942 is hij in kamp Sachsenhausen geëxecuteerd. Postuum kreeg hij het Verzetskruis toegekend. Naar Mekel en Schoemaker zijn in de TU-wijk twee straten vernoemd.
 
Ortskommandatur
Nadat Mekel gearresteerd en weggevoerd was, werd op de benedenetage van Oude Delft 126 de Duitse Ortskommandatur gevestigd, met een schildwacht op de stoep. Ortskommandant Gückel woonde er boven. Er zijn meerdere Ortskommandanten in Delft geweest. Gückel was het tussen 1942 en 1944. De Ortskommandant moest namens de Duitse autoriteit controleren of het Duitse gezag goed werd uitgevoerd. De commandant van de Delftse politie moest verantwoording aan hem afleggen. Door politiemensen opgemaakte dagrapporten werden elke dag naar de Ortskommandatur gebracht. Met bestuurlijke gemeentezaken hield hij zich niet bezig.
De Ortskommandant bediende zich van de voor de Duitsers gebruikelijke intimidatie en bedreiging. In de herfst van 1944 saboteerde een groepje verzetsmensen de spoorlijn in de buurt van het terrein van de Gist- en Spiritusfabriek. Onder de bomen van het nabij gelegen Kampveld (plek waar in de middeleeuwen toernooien werden gehouden, gevechten tussen ridders te paard) schoten de Duitsers als wraakoefening een aantal mensen dood, en werden vier huizen aan de Spoorsingel in brand gestoken.
Ter waarschuwing werd een pamflet opgehangen: bij sabotage of verdenking van sabotage zouden onmiddellijk 20 willekeurige mannelijke personen worden doodgeschoten. Was ondertekend door de Ortskommandant, in dit geval luitenant Lang. De Ortskommandatur was ook een tijdje gehuisvest in het vroegere hotel Wilhelmina (bij het Kalverbos) en in professorenwoningen aan de Rotterdamseweg. De laatste man, Knier, verdween op 10 mei 1945 als krijgsgevangene achter slot en grendel.
 
Het feit dat de Ortskommandant zijn intrek nam in Oude Delft 126 vormde een groot probleem voor de bewoners van Oude Delft 124, waar toen de familie Zomerdijk woonde. Zomerdijk, wethouder van Delft, was betrokken bij het verzet. Hij werd later gearresteerd, nadat hij enige tijd ondergedoken was geweest. De Ortskommandat was een liefhebber van muziek en zelf organist. Hij was enthousiast over het pianospel van de zoon van zijn buurman Zomerdijk en trachtte met hem in contact te komen, maar mevrouw Zomerdijk was hier niet van gediend. Zij weigerde verdere contacten met haar buurman. Een ander probleem was dat recht tegenover de Otskommandatur het echtpaar Elias-Schloss woonden (zie Oude Delft 157). Mevrouw Elias kwam uit Berlijn, evenals de Ortskommandant. Er volgde enige bezoeken. Delftenaren, die ervan wisten, waren daar niet blij mee. Vlak na de bevrijding ontstond daardoor een probleem voor deze bewoonster van de Oude Delft. De kwestie werd in der minne geschikt, omdat ze haar man gered had van een eventuele arrestatie.
 
Mekels weduwe Maria Ahsmann verkocht het huis ten slotte in 1961 aan de arts P.A. Schreuder, één van de vele artsen die in de 20ste eeuw in dit rijtje van de Oude Delft gewoond hebben en hun praktijk hebben uitgeoefend.
 
Henk Verbruggen
 
nadere informatie over Oude Delft 126
laatste wijziging 02-02-2011