| Oude Delft 124 | |||
| Verzetsman Zomerdijk buurman van Ortskommandant | |||
| Het smalle huis dat momenteel bewoond wordt door studenten heeft links en rechts een toegangsdeur. De rechter deur is de ingangsdeur van het pand, de linker deur komt uit op een gang die doorloopt naar de tuin van buurpand Oude Delft 126. Het huis is dus op de begane grond zeer smal. In het verleden is het waarschijnlijk groter geweest, maar door herverdeling van kavels, met name aan het eind van de 19de eeuw, is dit kleine pand zonder tuin of plaatsje ontstaan. Het is aan alle kanten ingesloten door de buren. In ieder geval in 1895 is het verbouwd door de eigenaar van Oude Delft 126. Door de jaren heen is dit pand steeds eigendom geweest van dames en heren, die ook buurpanden in bezit hadden. Dat een eigenaar er woonde kwam niet vaak voor. De meeste bewoners waren huurders. |
Smal huis met links een voordeur naar buurtuin.
De rust van 1938. Helemaal rechts een stukje van OD 124. In de 17e eeuw was een bakker de eigenaar Kunstverzamelaar Johan dela Faille kocht het Foto uit de jaren ’60. Oude Delft 124 is het In 1940 kwam verzetsman Zomerdijk hier te wonen. Duits voorstel om wethouder Zomerdijk te ontslaan. Burgemeester Van Vloten staat pal achter |
||
| Predikant De oudst bekende eigenaar en bewoner is de predikant Reinier Reijnerszoon Donteclock. Hij woonde hier van 1577 tot 1590, en vertrok daarna naar Voorschoten. Hij deed het huis in de verhuur. Volgens het haardstedenregister van 1600 waren er drie haardsteden en worden als huursters genoemd Trijn Pietersz en Aegtgen Pietersz. Trijn was de weduwe van Gerrit Hendrickszoon ’s Gravesande. Na Donteclocks dood in 1613 komt zijn wedeuwe terug om hier te wonen. Zij overleed in 1623. Schepen Hendrick van Milligen en zijn vrouw kochten het pand. Ook mevrouw Van Millegen woonde er later als weduwe. |
|||
![]() |
![]() |
![]() |
|
| In dit rijtje huizen op de Kaart Figuratief (1675) moet het huidige OD 124 te vinden zijn. | In 1832 was het perceel groter dan nu. | Recente Kadasterweergave: ingebouwd door de buren. | |
| Koppeling met Oude Delft 126 Halverwege de 17de eeuw zien we Nicolaes Couckbacker als eigenaar. Toen hij het kocht had hij Oude Delft 126 al in bezit. Hij heette Couckebacker en was ook koekbakker. Daarmee verdiende hij kennelijk veel geld, want hij woonde ergens anders en verhuurde beide panden aan de ontvanger der gemene middelen (belastinggaarder) Boudewijn de Man. (Lees over hem meer bij Oude Delft 126). In 1662 werd het huis weer apart verkocht aan Maria Cornelisdochter van Santen, de weduwe van Johan van Blenckvliet. Haar naam wordt genoemd bij de vaststelling van het kadegeld 1667. Bovendien woont hier dan de ‘bejaarde dochter’ Catharina Hogenhoek. |
|||
| Executeur Na de dood van Maria in 1698 koopt een van haar executeurs, de officier Johan Delafaille (of dela Faille), het huis voor slechts 700 gulden uit haar nalatenschap. Het blijft dan eeuwenlang vooral een belegginspand. Johan was een bekend regent, en een rijke en bekende verzamelaar van kunstvoorwerpen, maar vooral van schelpen. Buurhuis 126 was op zeker moment ook zijn eigendom. Beide huizen komen later in bezit van van zijn zoon Cornelis, ook geen onbekende in het regentencircuit. Vermoedelijk was in 1715 de vrij onbekende kunstschilder François Kasteels hier de huurder. Het huis had toen nog een klein erf en werd oostelijk omsloten door de tuin van Oude Delft 126. Dat huis had een grote tuin die zich ook uitstrekte achter Oude Delft 128. Er was sprake van een gemeenschappelijke muur tussen Oude Delft 126 en 124. Bepaald werd dat hierin geen ramen zouden worden aangebracht. In 1716 werd Cornelis dela Faille ook nog eens eigenaar van Oude Delft 122. Wijnkoper Albregt van Norden mag zich in 1731 de nieuwe eigenaar noemen van OD 124. Ook hij verhuurde het huis, zoals blijkt uit de Impost 1750. Huurster was toen Helena den Danser, die leefde van haar renten. Bij haar inwonend is Maria van Schie, die niet zo goed bij kas is, want zij krijgt steun van het Charitaathuis, de armenzorg. De dominee, die in een boekje op schreef aan wie hij huisbezoeken bracht, komt hier nog een Maria Kamphuijsen tegen. Zij kocht het huis in 1761 voor 800 gulden van Sara van Norden, de enige dochter van de wijnkoper, die dan al is overlen. Toen Maria in 1767 stierf, erfde haar dochter Catharina het pand. |
|||
| Bezit van de buren Catharina was getrouwd met Willem van Barneveld. Als zij weduwe wordt, verkoopt zij het huis in 1782 voor alweer 800 gulden aan haar buurvrouw Catharina Docher, eigenaresse van Oude Delft 126. Die zal het huis ongetwijfeld verhuurd hebben. De dominee noemt in zijn boekje een aantal namen van bewoners en bewoonsters: de zusters Suzanna en Adriana Kinkeld, vervolgens mr. Jan Hoogeveen, daarna Johannes Tollens en tenslotte de heer Mozer, die van de Waalse kerk was. Begin 19de eeuw wordt het huis achtereenvolgens eigendom van Johannes Foppe en de koekbakker Johannes Pijpers, die ook al de beide buurhuizen Oude Delft 122 en126 bezat. Nr. 124 werd toen verhuurd aan ene Johannes van Kempen. De familie Pijpers houdt het pand lange tijd in bezit. Meester-broodbakker Anthony Wolterbeek, getrouwd met Catharina Maria Pijpers, verkoopt het uiteindelijk in 1868 aan koopman/winkelier Goverinus Johannes Leeuwenberg. Die was de eigenaar van ijzerhandel Leeuwenberg (1820-1897), de latere ijzerhandel Romijn. Een bewoonster in 1890 is mej. A.C. Elsevier, ‘aantekenaresse’ van de schuitveren en stoombootdiensten van Delft naar Rotterdam. |
|||
| Verbouwingen Willem Lans, leerlooier en eigenaar van Oude Delft 126, koopt OD 124 in 1895. Hij verbouwde de beide huizen en zorgde ervoor dat hij in Oude Delft 124 een afzonderlijke ingang naar zijn tuin kreeg. Het huis wordt ingekort en het binnenplaatsje verdwijnt. Deze verbouwingen en wijzigingen vinden plaats in het begin van de 20ste eeuw. Uiteraard verhuurt Lans nummer 124. In 1900 woonde er G.L. Frank, lid van het bestuur hulpvereniging van het Nederlands Zendingsgenootschap, bode van de vereniging Begrafenisfonds en bode van de Sociëteit tot Algemeen Nut. Zijn dochter Mej. A.J. Frank was onderwijzeres bij een bewaarschool, misschien wel de naastgelegen bewaarschool. Vervolgens woonde hier een hospita, de weduwe Vermeulen, die kamers verhuurde. In 1920 verkocht de familie Lans OD 124 aan de onderwijzeres Maria Gerarda Kranendonk. |
|||
| Schrijfster Maria Gerarda Kranendonk Maria Kranendonk werd geboren in 1890 en woonde tot 1940 in dit huis. Zij is meer dan 45 jaar in het onderwijs werkzaam geweest. Zij schreef gedichten, waarvan er enkele werden opgenomen in De Stem. Van dat tijdschrift was zij tot 1940 redactie-secretaresse. In 1955 trouwde zij met de schrijver Dirk Coster en verhuisde ze naar het huis van Coster aan de Voorstraat. In de uitgave van de Verzamelde Werken van Dirk Coster heeft zij een belangrijk aandeel gehad. |
|||
| Tragische geschiedenis In het eerste oorlogsjaar verschijnt hier Maximiliaan (Max) Zomerdijk (1890-1942) als nieuwe bewoner. Zijn leven eindigde dramatisch. Zomerdijk was wethouder voor de RKSP, de latere de KVP. Hij was oorspronkelijk huisschilder van beroep, maar was ook een niet onverdienstelijk kunstschilder in de stijl van de Bergense school. In 1920 kwam hij naar Delft om bij het Delftse Schilderbedrijf van Mierlo te werken. Hij woonde toen op Oude Delft 177, een onderdeel van het Prinsenhofcomplex. De familie moest daar weg omdat het Prinsenhof zou worden verbouwd. In 1940 verhuisde men naar Oude Delft 124, op dat moment het huis naast de verzetstrijder prof. Mekel. Ook Max Zomerdijk verzamelde al snel informatie en spioneerde voor het verzet. Nadat Mekel gearresteerd en weggevoerd was, werd op de benedenetage van Oude Delft 126 de Ortskommandatur gevestigd, met een schildwacht op de stoep. Ortskommandant Gückel woonde er boven. Dit was een buitengewoon benarde situatie voor Zomerdijk die zoals gezegd een rol speelde in het verzet. Hij haatte de Nazi’s en schreef voor de oorlog al in zijn dagboek: “Er is één ding dat nog erger is dan de wil om te onderdrukken, en dat is de wil om de onderdrukker te gehoorzamen”. Hij werd door infiltranten verraden en in 1942 in het stadhuis gearresteerd en overgebracht naar het huis van bewaring, het Oranjehotel in Scheveningen. Uiteindelijk belandde hij in het concentratiekamp Neuengamme en overleed daar, zogenaamd aan een hartaanval. Zijn weduwe heeft nog lange tijd op Oude Delft 124 gewoond. |
|||
| Henk Verbruggen | |||
| nadere informatie over Oude Delft 124 | |||
| laatste wijziging 22-05-2010 | |||