Oude Delft 120
Sinds de 18e eeuw een belegginspand  
   
Het huis Oude Delft 120 bestaat uit een parterre en twee verdiepingen. Het heeft een eenvoudige lijstgevel uit het eerste kwart van de negentiende eeuw, met daarin oude kozijnen. In zijn grondvormen is het veel ouder dan de 19de eeuw en waarschijnlijk zestiende of zeventiende eeuws. Het is recentelijk door de nieuwe eigenaren van binnen en aan de buitenkant flink opgeknapt. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In het midden Oude Delft 120.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Oude ansicht. Het huis staat op dit stukje Oude Delft.
(coll. Lagendijk) Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Stukje Oude Delft bij nacht.
(outdoors.webshots.com)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Advertentie in Het Vaderland 1931: faillissement van Brouwers muziekschool.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Foto uit de Topografische Atlas. OD 120 in de jaren ‘60.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Ben Viegers schilderde de Oude Delft in de winter. Links van het hoekpand OD 120. (coll. Museum Nunspeet)

 
Kleermakers
Toen in 1600 de haardsteden in Delft werden geregistreerd, woonde hier de snijder (kleermaker) Jan Hendricxzoon. Het huis had toen drie stookplaatsen. De volgende eigenaar/bewoner was ook een kleermaker, Joris Janszoon Hoochwinckel. Hij woonde hier in 1638. Zijn vrouw was al in 1617 overleden. Waarschijnlijk was hij of zijn vrouw familie van de volgende eigenaar van dit pand, Joris Janszoon van Ophoven. Deze overleed in 1640 en het is onduidelijk wie er daarna zijn blijven wonen. Wellicht zijn weduwe, of kinderen die erfgenaam waren. Het huis werd pas jaren later van de hand gedaan, in 1688. Het bracht toen voor de erven Van Ophoven contant 400 gulden op. Ze hielden twee keer zoveel tegoed. De nieuwe eigenaar, Jasper van der Sluijs, bleef het geld schuldig en het huis werd met een schuldbrief van 800 gulden belast. Er wordt in deze koopbrief verwezen naar een vroegere acte uit 1606, waar uit kan worden afgeleid dat het huis in 1606 werd gekocht. Daarna zou het dan 82 jaar bezit van familie Hoochwinkcel/van Ophoven geweest moeten zijn.
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Kaart Figuratief. Het 2e of 3e huis vanaf de hoek kan OD 120 zijn. Kaartjes uit het Historisch GIS. Weinig verschil tussen 1832 en nu.
 
Alweer: Dela Faille
In 1717 werd het Oude Delft 120 eigendom van veertigraad Cornelis dela Faille, havenmeester van Delfshaven en zoon van de rijke kunstverzamekaar Johan dela Faille. Zij kochten huizen als belegging en hadden op zeker moment ook de panden 122 en 124 in bezit. Oude Delft 122 werd in 1716 door Cornelis aangekocht. Het erf van Oude Delft 120 strekte zich uit tot een pand aan de Hippolytusbuurt, genaamd “Marcepijn”. Dat bood perspectieven. In de prijs kwam dat niet tot uitdrukking. Cornelis betaalde slechts 700 gulden. Hij zal het huis vermoedelijk verhuurd hebben.
 
Tinnegieterij
In 1750 woonde hier meester-tinnegieter en ijkmeester Martinus Buijteweg met zijn vrouw, Johanna van der Santen en twee kinderen. Hij overleed in 1771. Het huis bleef nog 24 jaar in bezit van de familie Buijteweg, eerst van zijn weduwe, en vervolgens van zijn dochter Martina. Zij verkocht het in 1795 voor toen nog maar 400 gulden aan George Carel Nicola, de brandewijnstoker in het pand ernaast. Het had waarschijnlijk veel achterstallig onderhoud en werd ook als werkplaats gebruikt door Martinus. Dat bleek uit nader onderzoek door de voorlaatste bewoner. In 1802 kreeg Nicola ook andere buurpanden in handen. Zijn koornwijnbranderij heette “de Eendragt”. Nicola verhuurde Oude Delft 120 aan Jacob Pannevis en Elisabeth Welgevaren.
 
Van 1810 tot 1828 zien we hier Barthold Hendrik Bobbink, opzichter bij één van de militaire werkplaatsen in de stad, als eigenaar. Hij liet waarschijnlijk enige werkzaamheden aan het pand verrichten, zoals het aanbrengen van de lijstgevel. Maar ook hij verhuurde het huis,  onder anderen aan Susan Durege en ene Smits, die op de kadettenschool zat. Bobbink overleed in 1828. Na zijn dood werd het huis verkocht aan de kamerbehanger Johannes Klerk.
Dertig jaar later werd het eigendom van brouwer-koopman Willem Wijnaendts, die in Overschie woonde en het ook wel weer verhuurd zal hebben.
 
‘Wel ingericht’
In 1878 werd het huis met de volgende advertentie in de Delftsche Courant te koop gezet:
Een wel ingericht, bijzonder goed onderhouden huis, bevattende 2 beneden en 5 bovenkamers, alle behangen, de meeste voorzien van stookplaats en kasten. Keuken met regen- en welwaterpomp. Plaats met bergplaats, keldertje, gang en fraaie trap. Zolder met 2 afsluitingen en dienstbode kamertje.
De koper werd verver Josef Houtzager, die meerdere huizen in Delft bezat.
In 1901 kwam ook dit huis, zoals zo vele panden op dit rijtje aan de gracht, in bezit van Willibrordus Josephus Bender en werd het vervolgens ondergebracht in de vennootschap P.H. Bender. De familie Bender kwam ook in het bezit van het naastliggende hoekpand waarin zij een servieswinkel hadden. Omstreeks 1900 komen we hier tegen het gemeenteraadslid  B. Schelling, chef van de gebouwen van de Gist en Spiritusfabrieken. In 1920 was de kok Ch.F. Rüter de hoofdbewoner. Later werd het huis gehuurd door de muziekleraar G.H. Brouwer. Zijn particulier muziekschool ging failliet, zoals blijkt uit een mededeling in de Delftsche Courant uit 1931. Hij kon echter wel in het huis blijven wonen. Zijn vrouw woonde er in de jaren ’50 van de vorige eeuw nog steeds. In de jaren ’70 werd het weer verkocht. Er werd toen ook nog steeds muziekles gegeven, door mijnheer Van Spannenburg. Een van de leerlingen “kan de trap wel dromen; met tien pubers tegelijk ‘Living doll' spelen; we hebben veel gelachten”. Er wonen nu studenten.
 
Henk Verbruggen
 
nadere informatie over Oude Delft 120
laatste wijziging 20-05-2011