| Molenstraat 26-28 | |
Met een rente voor ‘sijns kints onderhoud’ |
|
Op de plek waar het huidige pand Molenstraat 26-28 in 1871 is gebouwd stond vroeger een ander huis dat in het tiende penningregister van 1543 voor het eerst vermeld wordt. Er stonden zelfs meerdere (kleine) huizen achter elkaar. In 1543 worden eerst drie, in 1553 twee en in 1561 zelfs vier bewoonde huizen vermeld. In 1585 staan duidelijk drie huizen genoemd en de eigenaar daarvan is Willem Steevensz, moutmaecker. Hij verhuurt een huis voor aan de straat aan een bakker en zelf woont hij in een huis erachter. Daarachter stond nog een huisje dat door hem verhuurd werd. In 1600 wordt een oven vermeld op het perceel waar nu Molenstraat 22-24 ligt en het is aannemelijk dat die er ook al in 1585 stond en gebruikt werd door de genoemde bakker. De niet aan de straat liggende huizen en de oven werden bereikt via een gangetje, in oude documenten aangeduid als “poort”. Deze poort bestaat nog, en is gelegen tussen Molenstraat 24 en 26. Nu is daar de ingang van Molenstraat 24. In de 18e eeuw wordt gesproken van “de Kalckpoort”. |
![]() |
Willem Steevensz sterft in 1611. In 1618 zal ook zijn vrouw zijn overleden want dan wordt zijn jongste dochtertje in het weeshuis opgenomen. Het weeshuis vestigt een rente op het huis: “Op 14 december 1618 verbonden voor 60 gulden sijn kints onderhoud”. Na hem komt Steeven Willemsz, opperbrouwer, (aan de namen te zien zijn zoon?) en daarna Steeven Michielsz. Of zij er ook zelf wonen is niet bekend. |
|
In 1650 worden de huizen geveild en gekocht door Pieter Gerritsz Eltrichoven, een kleermaker die meerdere huizen bezit en alles verhuurt. In 1656 blijkt er nog een huisje bijgekomen te zijn, er worden geen twee maar drie huizen vermeld “in de poort”. |
Op de Kaart Figuratief loopt de Molenstraat van onder |
| Van de bewoners weten we weinig. In 1733 wonen twee vrouwen in het voorste huis , de drie achterliggende huisjes zijn ieder verhuurd aan één persoon. | |
Tot ca 1810 hebben de huizen opeenvolgende eigenaren die allen als huurbaas optreden. Tegen die tijd zijn deze pandjes in zo’n slechte staat en brengen zo weinig op dat afbreken goedkoper is. Bij het begin van het kadaster in 1832 blijkt het voorste huis nu een pakhuis te zijn en de achterliggende huisjes zijn verdwenen. Het hele perceel is in bezit van de buurman die op het huidige nummer 22 een broodbakkerij heeft (zie Molenstraat 22 – 24) en het blijft bij de bakkerij horen tot 1866 als het weer apart verkocht wordt. In 1871 is het overgebleven huis in bezit van Catharina van Loenen wier man, de brandstoffenhandelaar Johannnes Frederik Coppenrath, alles sloopt en het huidige pand laat neerzetten: een werkplaats met open grond en een aparte bovenwoning. Er is nog een afgesleten gevelsteentje waarop de letters J.F.C. en de cijfers 17-4-1871. |
Een eerste steen werd in 1871 gelegd door brandstoffenhandelaar Coppenrath. Rond 1950 maakte Arthur Tutein Nolthenius deze |
| Daarna komt een reeks van acht eigenaren, die vrijwel allen verhuren. O.a. de Nederlandse Glasblazersbond die het bij zijn liquidatie verkoopt aan bestuurslid Servatius Protatus Baart die dan zelf op 28 woont. Hij verkoopt het in 1914 aan alweer de bakker van nummer 22, Jan Hanhart, voor opslag en kantoor. In 1929 laat zijn zoon, Philippus Hanhart, erachter een uitbreiding maken tot aan de gracht waarin werkplaats, tweede ovenruimte en meelzolder. Door zijn opvolger wordt het ook zo gebruikt tot 1980, dan sluit de bakkerij op nummer 22 zijn deuren en nummer 26-28 wordt weer apart verkocht. Na een paar aanpassingen is het dan tot vandaag telkens wisselend in gebruik als kantoor en werkplaats. Molenstraat 26 is het huisnummer beneden en 28 is voor de bovenwoning. | |
| Els Emeis | |
| nadere informatie over Molenstraat 26-28 | |