| Nu Kruisstraat 52, toen Eerste Nieuwsteeg 15 | |||
Altijd een olieluchtje in de keuken |
|||
Het appartementencomplex Rozemarijn in de Kruisstraat staat er pas sinds 2006 en daarvoor lag daar jaren een kaal parkeerterrein. Toch hebben ook zulke plekken in de binnenstad vaak een boeiende geschiedenis. |
In het midden Kruisstraat 52,
vroeger Vroeger liep de Kruisstraat recht en eindigde bij het trapbruggetje over de Gasthuislaan. (Tekening Leo Zeldenrust) Links bij de Gasthuislaan een kleine kapel, die Bij opgraving op het parkeerterrein bij de Kruisstraat Het vondelingenhuis waar ook nonnen uit Sint Ursula werkten. (Foto Erfgoed Delft Gemeentearchief) De tonnendienst in actie in de Pieterstraat in 1932. Poepdoos gefotografeerd bij de sanering van de Een oude ansicht van de Pieterstraat Het trapbruggetje over de Gasthuislaan naar de |
||
Sint Ursulaklooster |
|||
![]() |
![]() |
![]() |
|
| De Vlaamse huisjes op de Kaart Figuratief ca. 1670 | Het gebied Molslaan Gasthuislaan rond 1830. Geel gemarkeerd de evenwijdig lopende (lange) Pieterstraat, dwars de Kruisstraat, en dicht bij elkaar de Nieuwstegen. | De Nieuwstegen omstreeks 1920. (Kadaster) | |
| Vlaamse huisjes
Na de Reformatie werd het klooster in 1573 opgeheven. De zusters kregen echter toestemming om met een toelage van de overheid het oude klooster te mogen blijven bewonen. Na het overlijden van de laatste bewoonsters is het gedeeltelijk afgebroken en is het terrein in 1596 door de stad beschikbaar gesteld voor de bouw van een nieuwe woonwijk voor Vlaamse immigranten in de saaiweverij. Deze nieuwe wollen stoffen leken een grote toekomst te hebben en diverse Hollandse steden boden tegen elkaar op om dit soort immigranten binnen te halen. Ook Leiden bouwde zo’n buurt met wevershuisjes op een oud kloosterterrein. Op het terrein van het voormalige Ursulaklooster werden vier straatjes aangelegd tussen de Gasthuislaan en de Achtersack met daarin ongeveer honderd huisjes, die bekend werden als de ‘Vlaamse huisjes’. Allemaal tweekamerwoningen, waar in het voorhuis een weefgetouw kon staan en in de achterkamer werd gekookt en gewoond. Op zolder lagen de wolvoorraden en sliepen de kinderen. |
|||
De straatjes kregen de toepasselijke namen: Bruggestraat, Yperstraat, Rijsselstraat en Doornikstraat. De laatste was waarschijnlijk niet nieuw, maar een herbestemming van een deel van de kloosterbebouwing. Een poortje gaf vanaf de Gasthuislaan toegang tot de steeg, die in de volksmond Het Kruipgat werd genoemd. Op de plek waar we het hier over hebben lag toen de Bruggestraat. |
|||
| Wevers
Volgens het ‘Register van de huizen gemaakt ten behoeve van de saainering’ was in 1597 saaiwever Pieter Parmentier de eerste bewoner van het nieuwe huisje in de Bruggestraat dat stond op de plek van de latere Eerste Nieuwsteeg 15. Drie jaar later komen we Parmentier in het haardstedenregister van 1600 alweer tegen, maar dan aan de noordzijde van de Vlamingstraat. Daar woonde ook een hele concentratie Vlaamse wevers, niet ver van de ververij die de stad voor de saaiwerkers had ingericht in de Pannenbakkerspoort aan de oostzijde van de Verwersdijk. En ook niet ver van de nieuwe saaihal in de voormalige kapel van het Oude Mannenhuis aan de Voldersgracht. Het huisje in de Bruggestraat blijft in de 17e eeuw nog geregeld als wevershuisje dienst doen. Zo is het enige tijd eigendom van cortwercker Pieter Dircx en later van saeywercker Abraham de Pauw, die hier in 1636 trouwt met de weduwe Marijtje Stevens. Vervolgens komt hier raswerker Jan Robberechtsz Bouvert. (Wat een cortwercker deed, is ons onbekend; saaiweefsels waren de wat soepeler dunnen weefsels die toen in de mode kwamen; ‘ras’ was een zwaardere soort wollen weefsel volgens een techniek die oorspronkelijk uit het Frans-Vlaamse Arras kwam.) Overigens woonde er niet alleen wevers, maar in de 17e eeuw ook een kuiper en een smid in het huisje. Als belending aan de achterzijde wordt bij de koopakten van deze huisjes in de 17e eeuw nog steeds gesproken over ‘de tuin van het voormalige Ursuler Convent’. |
|||
| Buurtverval
In de loop van de 17e en 18e eeuw kwamen de meeste van deze huisjes in handen van kleinere huisjesmelkers, veelal winkeliers uit de omtrek die hun spaarcenten hierin belegden voor hun oude dag. Daaronder zaten ook nogal wat weduwen. Bij de taxatie voor de verponding (huizenbelasting) van 1733 was dit huisje in de Bruggestraat een van de weinige voormalige Vlaamse huisjes, die nog eigendom was van de bewoner, Jan Fonteijn. Twintig jaar later blijkt ook dit huisje verhuurd, aan Cornelis Haver en zijn vrouw die ’s winters afhankelijk zijn van de armenzorg. Het huisje ten zuiden ervan was eigendom van de Waalse Kerk, die het ‘om niet’ verhuurde aan arme gemeenteleden. Het verhuren van dit soort kleine huisjes werd in de 18e eeuw steeds minder lucratief, want door de sterke terugloop van de bevolking van Delft met 30-40 procent ten opzichte van de bloeiperiode in de 17e eeuw, ontstond er een flink overschot op de woningmarkt. Dat had voor de huizenprijzen en het onderhoud aan de vooral de kleinste woningen funeste gevolgen. Huurders konden zich onder die omstandigheden veel permitteren in hun omgang met de huisbazen, die liever slecht betalende huurders had, dan helemaal geen. Mocht het ooit tot huisuitzetting komen dan had de wanbetaler doorgaans zo een ander alternatief gevonden, soms nog in dezelfde straat. |
|||
|
|||
Gelegenheidskoopje |
|||
| Nieuwe steeg
In 1825 braken nieuwe tijden aan, toen tapper Aedidius de Bruyn op dezelfde plek drie nieuwe huisjes liet bouwen, die er tot de grote afbraak van de jaren 1968/’69 bleven staan. In de loop van de 19e eeuw zouden er in de straat meer voormalige Vlaamse huisjes vernieuwd worden. Die aan de overzijde over het algemeen iets royaler dan deze. Deze nieuwere huisjes brachten in 1849 bij de verkoop 625 gulden per stuk op. Koper werd toen Hendrik van der Burg, een lakenwerker met bijverdiensten in de alcoholica uit de aangrenzende Achterzak. Zijn carrière is typerend voor de onroerend-goed-bussines uit die tijd. Halvewege de jaren veertig van de 19e eeuw kocht hij zijn eerste drie huisjes. Eén daarvan bewoonde hij zelf met zijn gezin en zijn moeder, die door het katholiek armbestuur bedeeld werd. In 1875, hij was toen 55 jaar, verhuisde hij van de Achterzak naar een huis in de pas nieuw gebouwde Oranjestraat, een nieuwe arbeidersstraat aan de overzijde van het Oosteinde. Hij bezat toen reeds twintig pandjes in de omgeving van de Pieterstraat en nog tientallen elders in de stad. De huisjes hadden hem gemiddeld zo'n 300 gulden per stuk gekost en brachten hem naar schatting per stuk een kleine vijftig gulden huur per jaar op. In 1901 liet hij in de buurt 23 huisjes aan zijn zoon na, waaronder deze woning. |
|||
De huurder van het huis, Gerard Fleurken, had in 1849 hetzelfde beroep als zijn nieuwe huisbaas: lakenwerker en wolspinder. Beiden waren echter geen thuiswevers meer, zoals in de 17e eeuw, maar werkten waarschijnlijk bij lakenfabrikant Maas die aan de Molslaan en in de Huyterstraat een voor die tijd moderne stoomfabriek exploiteerde. Niettemin verrichtten ook talloze buurtbewoners huisarbeid voor deze fabrikant, vooral vrouwen en kinderen, die thuis manden met wol kregen te pluizen. |
|||
| Woningonderzoek Vanaf 1887 woonde in de Eerste Nieuwsteeg 15 meer dan 20 jaar lang olieslager Adriaan Dekker. Van oorsprong was hij een Zaankanter wat gezien zijn beroep en de vele olieslagerijen daar, niet onlogisch is. De zoon van de eerder genoemde Van der Burg uit de Oranjestraat was nog steeds zijn huisbaas. De huur van het huisje bedroeg in 1906 een gulden per week, zo blijkt uit het onderzoek van de Delftse Gezondheidscommissie (zie de enquete van de Delftse Gezondheidscommissie) naar woningtoestanden in Delft. Volgens het onder zoek was het huis inmiddels ‘oud en min of meer vochtig’. Het had een slecht trasraam en de voorgevel was gescheurd. Het was, net als zijn voorganger, een tweekamerwoning, van 3,55 cm breed en 5 meter lang. Daarachter kwam een uitbouwtje van 1,35, met daarin een keukentje en een tonnenplee. |
De Doorniksteeg circa 1905. De enige steeg met |
||
| Armenzorg Dekker is kort na het woningonderzoek op 3 augustus 1906 op 82-jarige leeftijd overleden. Vanaf 1893 was hij met zijn vrouw cliënt bij het Burgerlijk Armbestuur, omdat hij wegens ouderdom niet meer bij zijn baas terecht kon. Ze kregen net genoeg ondersteuning om de huur te kunnen betalen. Om wat bij te verdienen stripte het echtpaar tabak. De vrouw overleefde haar man ruim een jaar. Omdat zij nog wat hulp van haar kinderen kreeg, bedankte zij ervoor in het oude vrouwenhuis te worden opgenomen. (zie het rapport van het Burgerlijk Armbestuur) |
|||
Jeugdherinnering |
Teun Vink met zijn moeder op stap op de brug |
||
Kees van der Wiel |
|||
| nadere informatie over Kruisstraat 52 | |||