Koornmarkt 75
De pot verweet de ketel  
   
Dirk Hendriksz Duyst was van goede familie en al jong lid van de Veertigraad, die de stad bestuurde. Maar waarschijnlijk was het geen gemakkelijk man in de omgang. Een grote carriére in het stadsbestuur had hij niet weten te maken toen hij in 1548 een stevige aanklacht indiende tegen de zittende magistraten bij het landsbestuur in Brussel.
In die klacht beweerde hij dat de grote brouwers in Delft onevenredig en onrechtmatig profiteerden van de belastingvrijstellingen die de landsregering Delft had geboden met oog op de wederopbouw van de stad na de grote brand in 1536. Bovendien beschuldigde hij hen ervan dat zij de wettelijke voorgeschreven productielimieten aan alle kanten ontdoken. Die productiebeperking moest de kleinere brouwers beschermen tegen hun concurrentie. In plaats daarvan lieten de grote brouwers de kleinere voor zich brouwen en streken daarvan de winst op, betoogde Duyst.
Het stadsbestuur ondernam volgens hem niets tegen deze onwettige praktijken. In feite maakten de brouwers in het stadsbestuur de dienst uit. Bovendien lieten de bestuurders veel te veel over aan de secretaris en pensionaris van de stad, wiens handel en wandel oncontroleerbaar was. Ook maakte het bestuur volgens Duyst een rommeltje van de boekhouding.
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Met brouwen werd veel geld verdiend. Er werd veel bier gedronken. Op dit schilderij van Floris van Dijck achter vis en brood een grote bierkan en een glas bier. (Coll. Prinsenhof)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het interieur van een brouwerij. Muurdecoratie uit het gebouw van het bierbrouwergilde in Leiden.(Coll. Lakenhal)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw vensterKlik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Bierbrouwers waren invloedrijke mannen. Dat is wel aan hun kleding te zien. Als voorbeelden: Arent van der Graeff en Arend Maartensz Storm van ’s Gravensande. (Coll. Prinsenhof)

 
Serieus onderzoek
De klacht leidde tot een serieus onderzoek en een nieuw plakaat over de brouwnering voor de Hollandse steden. Daarin werd de productieregeling fors aangescherpt. Ook greep de landsregering in bij de jaarlijkse benoemingen in het stadsbestuur. In 1549 en 1550 werden de meeste brouwers uit het bestuur geweerd en werd Duyst vanuit het niets tot één van de vier burgemeesters benoemd. Onder leiding van de terzijde geschoven stadssecretaris mr. Cornelis Aertsz. beraamden de gewipte bestuurders echter een tegenaanval. Duyst was namelijk evenmin brandschoon. In een eerdere periode had hij zich als havenmeester van Delfshaven weten te verrijken met buitendijkse groenden aan de Maas.
In 1541 had een schikking moeten treffen waarbij hij van die oneigenlijk verworven gronden weer afstand had moeten doen.Toen hij in 1551 een gooi deed naar het thesaurierschap om de stadskas te gaan beheren, overspeelde hij zijn hand en raakte hij in ongenade. Hij had inmiddels te veel vijanden gemaakt. Na een aantal jaren van onrust keerden de brouwersfamilies weer al vanouds terug op de bestuurskussens terug. Ook de eerder opgelegde productiebeperkingen wisten ze na verloop van tijd met allerhande trucs en chicanes weer handig te ondergraven.
 
(J.J. Woltjer, Een Hollands stadsbestuur in het midden van de 16e eeuw: brouwers en bestuurders te Delft, in : D.E.H. de Boer e.a.. De Nedrlanden in de late middeleeeuwen.)
 
terug naar het verhaal
laatste wijziging 09-04-2012