Hippolytusbuurt 12 en 14
Deftig huis van patriciërs maakte plaats voor postkantoor  
   
An Bergman werkte in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de Delftse telefooncentrale, gevestigd in het postkantoor aan de Hippolytusbuurt. Automatisering zoals die nu bestaat, was in geen velden of wegen te bekennen. Wie belde kreeg een telefoniste aan de lijn - An Bergman bijvoorbeeld -  en zij verbond door naar de gewenste abonnee. Hieronder staan haar herinneringen. Maar eerst een kleine geschiedenis van een gebouw dat zo lang het leven in de Delftse binnenstad domineerde.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het voormalige postkantoor.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Voordat het postkantoor in 1888 en 1889 werd
gebouwd stond hier het huis Schuijlenburg.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Zo zag het er in de jaren ’60 uit.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Tegenwoordig is dit de ingang naar het expositie- en discussiecentrum TOP.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

In de zeventiende eeuw lag op deze hoogte een
brug over de gracht van de Hippolytusbuurt.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Detail uit de Kaart Figuratief: huizen waar later het postkantoor werd gebouwd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Postmeester Twent en zijn zonen, die in de 17e eeuw
het baantje van postmeester had. Een geordende
postadministratie kwam pas in de 19e eeuw.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Het pand met de witte zonwering werd in 1927 als
uitbreiding van het postkantoor in gebruik genomen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De entree zat ooit meer naar het midden.
(www.delft-prentbriefkaarten.nl)

Schepen in de gracht bij het postkantoor.
(Coll. Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Plaatje van een oude telefoonzaal. Dit is in
Amsterdam. (www.verhalenvanvroeger.nl)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

De Delftse telefoonzaal was gevestigd op de eerste verdieping, over de hele breedte.

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

Sneeuw op de Hippolytusbuurt rond 1920.
Op de achtergrond het postkantoor.
(Foto Peter Odijk, coll. Erfgoed Delft Gemeentearchief)

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster

An Bergman.

 
Pakweg 115 jaar zat het Delftse postkantoor op het adres Hippolytusbuurt 12-14. Maar alles verandert en dus ook de post. Het staatsbedrijf PTT (post, telegraaf, telefoon) maakte plaats voor een in oorsprong Australische particuliere onderneming, die nu Koninklijke TNT Post heet. De afkorting staat voor Thomas Nationwide Transport. De letters hebben geen betekenis meer, het is een merknaam.
De telegraaf, waarmee je snelle telegrammen kon versturen, ruimde het veld voor telefoon, fax en email. De telefoon ging op in de KPN en andere aanbieders. Het kantoor aan de Hippolytusbuurt werd in 2005 opgeheven toen in het winkelgebied Zuidpoort een nieuw hoofdpostkantoor werd geopend. Inmiddels (zomer 2009) is de sluiting daarvan alweer nabij. Voor postzaken zijn we dan aangewezen op bijkantoortjes in winkels.
 
Opening in 1890
Het oude hoofdpostkantoor zat dus aan de Hippolytusbuurt. Het opende zijn deuren in 1890. In 1920 kocht de PTT er ook nog het buurpand nr. 12 bij, ten behoeve van de telefoondienst. Het eerste postkantoor in Delft begon overigens in 1870 op Oude Delft 71, maar groeide daar al snel uit.
Pas in de Franse tijd (1806-1810) kreeg Nederland een goed geordende postadministratie. In handen van de staat, maar dat was al zo sinds 1747. Voor die tijd  was het rondsturen van de post een zaak van (welgestelde) particulieren, die als postmeester werden aangesteld. Van een zo’n functionaris in Delft is een portret bewaard gebleven: Lambert Twent (1642-1697). Hij werd door Martinus de la Court afgbeeld tijdens zijn postwerk. Vier zonen Twent helpen daarbij. Het schilderij is nu te vinden in het Haagse Museum voor Communicatie. Twent, geboren in Kampen, was in oorsprong een lakenhandelaar en kwam alszodanig naar Delft. Hij was bestuurslid van het gilde, en staalmeester ofwel lakenkeurmeester. Hij werd in 1675 tevens postmeester. Hij moest de postorganisatie van uit het niets opbouwen. Dat was ingewikkeld genoeg. Er moesten afspraken worden gemaakt (over porto, verrekening, vertrektijden) met het stadsbestuur, postmeesters in andere steden, en schippers en postkoetsen, die brieven meenamen. Ook zijn zoon Nicolaas werd postmeester. (Nicolaas komt voor in de geschiedenis van Oude Delft 197, zie De buurman trouwt zijn  buurmeisje)
 
Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster
Twee kaartjes uit 1832 geven aan waar het eerste deel van het postkantoor werd gebouwd, en de latere uitbreiding. De kaartjes van nu laten zien dat  aan de perceelsgrootte weinig is veranderd.
 
Vier huizen
Ooit stonden er op de plaats van het postkantoor vier huizen, met de huisnummers 12 – 18. Op een foto van Erfgoed Delft, Gemeentearchief, van voor 1890, is een groot en deftig pand met bordes te zien, aangeduid als het huis van de familie Van Schuylenburch. Huisnummer 16-18. Uit de oude huizenadministratie blijkt dat het ooit twee huizen waren. Er woonden deftige families met namen zoals Duyst van Voorhout, Catharina van der Goes, vrouwe van Nators en Paneragors (wat of waar dat ook moge zijn), Josina vander Goes, burgemeester Jacob Gael, Christiaan van Beresteijn, enz. Op het moment dat het Kadaster van start gaat  in 1832 is het pand eigendom van Abraham van Schuylenburg, vrederechter. Als het wordt verkocht aan de PTT is P.Th. Munnikrede de eigenaar en verkoper.
 
Eerste telegraaf
De eerste telegraaf voor het versturen van telegrammen verschijnt in 1845. Het eerste particuliere telegram wordt in 1847 verzonden. Wie een telegram wilde versturen moest vroeger naar het station en pas later naar het postkantoor. In 1852 wordt de Rijkstelegraaf opgericht, die zich in Delft op een verdieping in de Waag nestelt en na 1890 een aparte seinzaal in het nieuwe postkantoor krijgt.
 
Boven de winkel
Aanvankelijk woonde de directeur van het postkantoor boven ‘de winkel’ en had hij een tuin aan de achterkant tot de Papenstraat. Hij werd verdreven door het groeiende post- en telegraafverkeer en na 1880 ook nog eens door het toenemende telefoonverkeer. In 1882 vroeg de firma Kipp en Zonen een concessie voor de aanleg en exploitatie van een telefoonnetwerk, maar dit project mislukte. Er kwam uiteindelijk geen vergunning van het rijk. In 1888 legde de Nederlandse Bell Telephoon Mij. een leiding tussen Schiedam en Scheveningen, waarvan ook Delft kon profiteren. De concessie voor het stadsnet ging naar het Amsterdamse bedrijf Ribbink, Van Borck en Co. Ook de telefooncentrale kwam in het Waaggebouw, maar in 1899 verhuisde de ‘telefoonkamer’ naar het inmiddels uitgebreide postkantoor. In 1916 kwam er een echte lokale telefoondienst in het postkantoor, die in 1919 overging naar het rijk.
 
Na de opheffing van het postkantoor in 2005 werd het gebouw (nr.14)  in gebruik genomen door het Techniek Ontmoetings Punt. Het doel van TOP is de wisselwerking te bevorderen tussen de beoefenaren van wetenschap, techniek en creativiteit, de toepassers en het brede publiek van de gebruikers.
In het pand op nr. 12 was al langer een damesmodezaak gevestigd. Hieronder het verhaal  van An Bergman, met haar herinneringen aan streng toezicht en werken onder de spiedende ogen van ‘controleuses’. Zij schreef het in 2008 voor een verhalenwedstrijd van Monumentenzorg Delft en de historische vereniging Delfia Batavorum, ter gelegenheid van Open Monumentendag.
 

Els Kemper

 

"De telefoonzaal"
Boven het postkantoor aan de Hippolytusbuurt (nu TOP) bevond zich tot de automatisering een zaal, waar telefonistes gezeten op hoge krukken, onder streng toezicht van een cheftelefoniste en bespied door toezichthoudsters, de gevraagde verbindingen tot stand brachten.

In 1949 deed ik mijn intrede in dit onderdeel van de PTT.
De entree was in de Papenstraat en op zondag aan de Hippolytusbuurt.

Na eerst een theoretische opleiding te hebben gevolgd mocht je naar zaal. Bij binnenkomst moest je het presentieboek tekenen. Een toezichthoudster keek hierbij op de klok en zodra de minutenwijzer versprong naar 1 minuut na je officiële aanvangstijd, werd het boek weggetrokken en had je het nakijken. Ruilverbod stond je dan te wachten, wat inhield dat je een week je dienst niet met een collega mocht ruilen. Wat door die per dag verschillende diensttijden heel vervelend kon zijn.
 

Welk nummer?
Als nieuweling begon je aan de locale post. Je zat voor een hoog paneel, waarop zodra een abonnee thuis de hoorn oppakte een lampje ging branden. Je stopte een pen die aan een koord was bevestigd in dat bewuste nummer en vroeg: Welk nummer? en stopte met een bijbehorende koord een pen in het gevraagde nummer.

Zo’n eerste dag vergiste je je wel eens in het soort koord en dat veroorzaakte een luid getoeter in je oor. Ook mij overkwam dat en omdat ik niet bij machte was te ontdekken waar de fout zat, trok ik zenuwachtig alle verbindingen er maar uit. Om mij heen hoorde ik de andere telefonistes ”oh u bent verbroken, verbroken, verbroken? Ik deed alsof mijn neus bloedde.

Zo tussen 9 uur en half tien ’s morgens floepten vaak veel lichtjes aan en werd er niet gereageerd op: welk nummer? Oorzaak was, dat zodra de kinderen naar school waren, de moeders met de stofdoek ook de telefoon stofvrij maakten en daarvoor even de hoorn van de haak haalden.
 

Dubbeltje
In die tijd werd er ook veel gebruik gemaakt van telefooncellen, want lang niet iedereen beschikte over een telefoonaansluiting. Voordat we een verbinding tot stand mochten brengen, moesten we luisteren of de aanvrager wel een dubbeltje in de gleuf deed, hoorden we de klik niet, mochten we niet doorverbinden. Dat leverde vaak problemen op.

Zonder diploma van een middelbare school bleef je lokaal telefoniste. Het interlokale verkeer was verder verdeeld in diverse posten waarvan Utrecht als centraal middelpunt van ons land een zeer drukke was. Je moest geroutineerd zijn wilde je die zonder overspannen te raken bedienen. De Utrechtse telefonistes voelden zich zeer superieur en lieten goed merken, dat ze de macht in handen hadden. Je kon ze maar beter te vriend houden.
Verder was er een informatiepost en een speciale post voor de veilingen in het Westland.
Moest je voor de post Utrecht over stalen zenuwen beschikken, gold dat zeker en misschien nog wel meer voor de veilingpost. Binnen een kort tijdsbestek was snelheid geboden.

Eens in de zoveel tijd werd je weg geroepen voor de spraakles. Want net als bij de omroepsters van de radio in die tijd, was ABN een vereiste. Men mocht willen dat dit nog zo was.
 

IJlgesprek 
Hoe was nu de werkwijze op deze zaal: In het kort als volgt: Abonnee neemt hoorn op, hoort: Welk nummer? Noemt nummer in de stad of zegt interlocaal. In dit tweede geval werd doorverbonden naar een tafel in het midden van de zaal, daar noteerde men de gewenste aansluiting op bonnetjes. Die bonnetjes werden opgehaald en bij de desbetreffende posten bezorgd.
Fabrieken zoals de Kabelfabriek, Gistfabriek en Calvé hadden een directe aansluiting op die tafel. Tegen het dubbele tarief kon men een dringend gesprek aanvragen, voor een ijlgesprek betaalde men het drievoudige. Aanvragen voor gesprekken buiten Europa behandelde de cheftelefoniste.

Ik herinner mij dat ik  op eerste kerstdag op mijn post zo’n verbinding met Amerika binnen kreeg. Ik verbond door en moest. (dat was verplicht vanwege de hoge kosten) steeds controleren of het gesprek goed verliep.
Wat ik hoorde was: Dag Piet, gaat het goed? Ja met mij gaat het goed. Fijn, is het mooi weer? Ja het is mooi weer. Fijn dat het goed gaat, prettige kerstdagen, dag Piet, dag moeder. Einde gesprek.

Meteen knalde de stem van de cheftelefoniste in mijn oor: De drie minuten zijn nog niet om, zegt u dat even. (Je betaalde ook al sprak je maar 1 minuut, sowieso voor drie minuten) Ik deed dat en met medewerking van de radiotelefoondienst werd de verbinding weer tot stand gebracht, maar het vervolg van het gesprek voegde weinig toe.
 

Op van de slaap
Nachtdienst werd vervuld door een man, die elke avond om half twaalf ten tonele verscheen, alleen de nacht van zaterdag op zondag had hij vrij en dan kregen twee telefonistes die taak. Er stond een luie liberty-stoel, waarin je om beurten even kon rusten.
Ik heb zelf maar één keertje nachtdienst gedaan en vond dat zo interessant, dat ik het aan iedereen die het maar wilde horen, vertelde. Ik kwam van een koude kermis thuis, ik was op van de slaap en bepaald niet in een zonnig humeur toen ik ’s morgens thuis kwam.

Had je op zondagmorgen dienst, dan was er over het algemeen geen cheffin of toezichthoudster. Om de dienst dan wat te veraangenamen bestelden we bij restaurant Klein Centraal een paar huizen verderop iets lekkers.

Omdat dit verboden was stond er altijd iemand op de uitkijk of er toch nog niet onverwacht controle kwam. Helaas gebeurde dat nog wel eens waarop een van ons hangend uit het raam, de desbetreffende ober met handgebaren terugstuurde.
 

Zenuwcentrum 
Het was een vrouwengemeenschap waar, bij storingen, de telefoonmonteurs, soms met blozende wangen hun werk verrichtten.
Lopend over de Hippolytusbuurt kan ik nooit nalaten even naar die ramen daarboven het oude postkantoor te kijken, waarachter zich eens het zenuwcentrum van Delft bevond.

 

An Bergman

 
nadere informatie over Hippolytusbuurt 12 en 14